De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Calvijn en de Koningspsalmen (3)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Calvijn en de Koningspsalmen (3)

4 minuten leestijd

De vorige keer zagen we dat Ps. 45 : 7 in het Nieuwe Testament (Hebr. 1 : 8) wordt geciteerd en dat dat voor Calvijn één van de redenen is om dit vers uit te leggen als betrekking hebbend op Christus.

De vorige keer zagen we dat Ps. 45 : 7 in het Nieuwe Testament (Hebr. 1 : 8) wordt geciteerd en dat dat voor Calvijn één van de redenen is om dit vers uit te leggen als betrekking hebbend op Christus. Ja, dat hij met name de eeuwige godheid van de Zaligmaker in dit vers tot uitdrukking ziet gebracht.

In zijn commentaar op Hebr. 1 : 8 maakt hij van de gelegenheid gebruik de opvattingen van de Joden te weerleggen. Omdat zij ontkennen dat Christus God is, zien zij zich genoodzaakt het woord 'Elohim' in de tweede naamval te lezen (van God). Of beweren zij dat met 'ki/saka' niet bedoeld zou zijn 'uw troon', maar een werkwoord dat 'stellen' betekent.

Hij zegt zonder nadere argumenten: 'De andere uitlegging verzint een onvolmaakte rede. Doch men ziet wel, dat zij niet dan uitvluchten zoeken'.

Opvallend is nog dat Calvijn in zijn uitleg van het laatste vers van ps. 45: 'Ik zal Uw Naam doen gedenken van elk geslacht tot geslacht; daarom zullen U de volken loven eeuwig en altoos', afwijkt van de lijn die hij tot dan toe heeft gevolgd. Hij gaat dan namelijk direkt tot de geestelijke strekking van dit vers over. Hij zegt o.a. nadat hij uiteengezet heeft dat Salomo de gedachtenis aan zijn naam heeft bezoedeld omdat hij van God afgevallen is: 'Zal derhalve de waarheid van deze lofspraak kunnen standhouden, dan moet men haar op Christus overbrengen. Wiens gedachtenis altijd krachtig en bloeiend zal zijn. Want al wordt Hij veracht door de wereld of lasteren zelfs trotse mensen Zijn heilige Naam, of verwerpen die op een schandelijke manier, toch blijft Zijn majesteit ongeschonden'.

Wanneer wij het geheel van Calvijns uitleg van ps. 45 overzien kunnen we vaststellen dat hij in heel de psalm een duidelijk getuigenis vindt van de schoonheid van de grote Koning Jezus Christus en voorts dat deze, christologische benadering hem niet tot één of andere vorm van geestelijke beeldspraak brengt, waarbij zonder meer voorbij gegaan wordt aan het historische verband van het betrokken tekstgedeelte.

Dat hij de bruid wier luister ook bezongen wordt voorstelt als de Kerk, Die het eigendom is van deze Koning. Men heeft wel beweerd dat Calvijns uitleg van ps. 45 de sleutel bevat voor zijn ver­staan van het Hooglied. Als dat waar is houdt het in dat hij ook van een mystieke interpretatie van dit bijbelboek afkerig was. Vergelijken wij Calvijns interpretatie van ps. 45 bijvoorbeeld met die van Luther, dan stuiten wij op een opmerkelijk verschil: Luther gaat diepgaand in op de verschillen die er bestaan tussen het geestelijk rijk van Christus en de vleselijke rijken van deze wereld. Dat rijk is uniek en eenvoudig niet te vergelijken met enig aards koninkrijk. Calvijn bezingt ook de heerlijkheid van het koninkrijk van Christus, maar meent dat een aards koninkrijk een afspiegeling daarvan zou moeten zijn, zoals dat ook bij het koninkrijk van Salomo het geval was. Duidelijk blijkt dat ook de Reformatoren eigen opvattingen die bepalend zijn voor heel hun theologisch denken al of niet ten onrechte uit de koningspsalmen hebben gedestilleerd.

We zien dat ook in Calvijns uitleg van ps, 72. In de inleiding op zijn commentaar van dit indrukwekkende getuigenis van de grote Koning Die recht en gerechtigheid zal oefenen, zegt hij o.a.: 'In naam van geheel de Kerk spreekt David voor God zijn wensen uit naar een voortdurende opvolging van het hem beloofde koninkrijk. Tegelijk leert hij ons dat het ware geluk van de vromen hierin bestaat, dat zij geregeerd worden door een koning die God heeft verkoren' .

De theokratische gedachte die Calvijn op zo'n indrukwekkende wijze in zijn Institutie heeft ontvouwd komt ook in de uitleg van deze psalm duidelijk tot uitdrukking. Dat is niet zo vreemd als wij de inhoud van ps. 72 tot ons laten doordringen, en tegelijk in aanmerking nemen dat hij ook aan deze psalm een tweeledige strekking toekent. Hij is van oordeel dat de voornaamste auteur van deze psalm David is, wiens gebeden door zijn zoon zijn geredigeerd en in een dichterlijke vorm zijn samengevoegd. Letterlijk voegt hij er aan toe: 'Zij die dit lied willen beschouwen als eenvoudig een voorzegging van de regering van Jezus Christus, schijnen de woorden al te zeer te verwringen. En voorts moeten wij ons er voor hoeden dat wij aanleiding geven aan de Joden om met geweld te verklaren dat wij op Christus toepassen wat hem niet rechtmatig toebehoort'.

In een volgend artikel willen wij nog enkele opmerkingen plaatsen over Calvijns visie op deze psalm en ps. 110.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 oktober 1984

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Calvijn en de Koningspsalmen (3)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 oktober 1984

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's