De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Vos en Kuyper over de kerk (4)

Bekijk het origineel

Vos en Kuyper over de kerk (4)

8 minuten leestijd

Zijn kerk is 't voorwerp en de werkplaats van Gods allerbijzonderste zorg.

God in betrekking tot zijn kerk

Al wat we tot nu toe geschreven hebben, valt bij Vos onder de titel Wat de mensen zijn, voor wie Christus als verlosser kwam, gedacht buiten persoonlijke betrekking tot Hem. Nu komen we tot het tweede gedeelte Wat Christus, op aarde zijnde, verricht tot verlossing van mensen. Na over de persoon en het verlossingswerk van Christus te hebben gesproken, spreekt hij over God in het licht van Jezus' openbaring, over God in betrekking tot zichzelf, over zijn betrekking tot zijn schepselen, en dan over zijn betrekking tot de kerk. Dat vraagt nu onze aandacht.

De kerk is Gods allerbijzonderste zorg

Vos vangt dit hoofdstuk aan met de mooie zin: 'Zijn kerk is 't voorwerp en de werkplaats van Gods allerbijzonderste zorg'. En van deze zorg is Christus het middelpunt. Al wat geschiedt, geschiedt om de Kerk, om haar hoofd, ja om Hem die zichzelf verheerlijkt in Christus, de godmens en Hem gegeven heeft tot een hoofd boven alle dingen, waaronder zij herenigd zullen worden, (Ef. 2 : 16; Col. 1 : 18, 20, 2 : 10). In dit verband behoort de voorverordinering naar het welbehagen van zijn wil, 'het besluit der verkiezing'. In dit stuk neemt Vos het enig juiste uitgangspunt, de openbaring van God in Jezus Christus. Buiten Hem verdwalen we terstond en komen we in diepe duisternis van onverschilligheid of moedeloosheid. De leden van de kerk, schrijft Vos, heeft God in Zich in Christus uitverkoren vóór de grondlegging der wereld. Opvallend dat hij schrijft: in Zich in Christus. Dat is geen mooie stijl, maar we begrijpen het goed. Het in Zich is gelijk aan in Christus. Christus is ook hier de Middelaar. In Hem heeft Hij de leden van zijn Kerk te voren bestemd voor het kinderschap van God overeenkomstig de bepaling van zijn besluitende wil, of naar zijn voornemen.

Gods voorkennis

Gods voornemen rust op Gods voorkennis. Het is richtingbepalend hoe deze voorkennis wordt verstaan. Remonstranten zien dit anders dan contraremonstranten. Het wordt duidelijk dat Vos aan de zijde staat van de laatsten. 'Gods voorkennis, zo zet hij uiteen, is een bevruchtend kennen, een reddend kiezen, een bekennen der liefde, een kennen alzo dat met praktisch waarderen onmiddellijk samenhangt. Toch moet volstrekt ontkend worden, dat de uitverkorenen enige reden van eigen verdienste of waardigheid in zichzelf hebben, zodat zij spreken van genade, vrije genade, waaruit Gods reddende daden zijn voortgesproten. Vragen we naar het doel, het doel is geen ander dan de gehoorzaamheid en besprenging met het bloed van Christus, om zo heilig en onberispelijk te zijn voor God. Vos trekt bij dit stuk de eeuwigheid in de tijd. De verkiezing geschiedt vóór de tijden der eeuwen, maar ook heden. De levende God kent in Zichzelf geen werkeloosheid, zo licht hij toe. Gods werken zijn eeuwigheden. De toebrenging tot de Kerk is de toepassing van het besluit. Daarom worden haar leden aangesproken als uitverkorenen naar de voorkennis van God en heet de Kerk het uitverkoren geslacht. Niet allen zijn tot leden van de Kerk verkoren tot het eeuwige leven. Vos wijst er wel op dat uit de aard van de liefde in het Nieuwe Testament allen wel zo worden aangesproken. Daar wordt ook eerst de gemeente gezien in haar wezen, en dan wordt afgedaald naar de leden. Daarom is er ook plaats voor vermaan aan alle leden om roeping en verkiezing vast te maken. In dit verband is het ook te verstaan dat men ook kan afvallen. Maar die de roeping gehoorzamen mogen zich verzekerd houden van de bewarende zorg van God.

In Christus verkoren

Het gehele mensengeslacht was in Adam en viel in hem. Zo is de Kerk, Vos spreekt van het gehele lichaam der uitverkorenen - van eeuwigheid geestelijk aanwezig is het Hoofd, de tweede Adam, Hij is het Lam dat geslacht is van de grondlegging der wereld. Al zijn werk is verwezenlijking van wat God bepaalde tot betoning van zijn rechtvaardigheid. Van geheel zijn leven erkent de Zoon een moeten als grondslag, richtsnoer en bedoeling. Dat is niet een onvermijdelijk noodlot, maar het welbehagen van de Vader, de begeerte van de Zoon en de lust van de Geest. Het is Gods levende zelfbepaling om zo en zo, als het zijn wijsheid goed vond, werkzaam te zijn in de geschiedenis om zijn volk te behouden.

Zekerheid des geloofs

Tegen de uitverkorenen neemt God geen beschuldiging aan. Zij zelf hebben vaak niet genoeg vertrouwen en twijfelen. Maar als de kennis van de Here Jezus Christus groeit, maken zij voor eigen bewustzijn hun verkiezing vast. Zo mogen zij zeker zijn van hun bestemming ten eeuwigen leven. Vos wijdt hier uit over wat we geloofservaring of bevinding noemen. Hij merkt op: De leer van de verkiezing is dus, daar aan de leer van het zalig worden van allen alle grond ontbreekt, voorwaarde evenzeer als slotsom van waarachtige Godsdienst. Zij bloeit enkel op de wortel van de tollenaarsootmoed; besluit het onderzoek naar het wezen en de wegen Gods; blijft ondoorgrondelijk, doch stemt de gelovige tot de verklaring dat van alles dit het onbegrijpelijkste is dat hij uitverkoren werd. Merk op hoe Calvijns Vos hier is met zijn opmerking over de plaats van deze waarheid in de geloofsleer. Hij verwijderde zich niet van de Institutie. Bij prof. dr. S. van der Linde kunnen we o.a. in zijn laatste boek Jean Taffin lezen hoe snel de zaak is omgekeerd.

Als de theologie een theoretisch karakter gaat aannemen, wordt dit leerstuk aan het begin gezet. In de praktijk van het kerkelijk leven zet dat velen muurvast in de ellende. Waar de praktijk van het geloof niet vreemd is aan het theologiseren is het besluit zoals dat in de Institutie van Calvijn het geval is. Dan is er plaats voor grote verwondering en groeit een blijde zekerheid.

Uitvoering

Gods voornemen vindt uitvoering. Al wat op het behoud van de uitverkorenen betrekking heeft is uitvoering van Gods voornemen. Israël is er om geroepen, de apostelen er om verkoren, de prediking van het Woord er om ingesteld, doop en avondmaal er om ingesteld. Bovenal is Christus daartoe als Heere verhoogd. Hij heeft zijn gemeente de Heilige Geest geschonken. Zo regeert Hij zijn gemeente als Priester-Koning. Ook hier haalt Vos weer de gemeente als geheel naar voren. Christus heeft namelijk aan allen die zijn Geest ontvangen, aan zijn Kerk als gemeenschap, aan haar leden persoonlijk de verkondiging van de blijde boodschap opgedragen. En niet uitsluitend aan de apostelen. Natuurlijk traden zij wel op de voorgrond. De Heere gaf ook profeten, evangelisten, oudsten, dienaren, enz. de tijden door, maar hoe hoogbegaafd, hoe talrijk ook de bijeenzijnde dienaren waren, de Gemeente, of de met hen plaatselijk vergaderde Kerk, was eigenlijk de stemmende, de besluitende macht, waardoor de Heilige Geest, merkbaar onderscheiden van eigen geest, zijn episcopaat uitoefent, en dus de Heere zelf. De Heilige Geest werkt en woont in en door de gemeente, en ons verzekert van de vergeving van de zonden en het avondmaal aan het middel tot vergeving. Beide versterken het vertrouwen op Christus' hemelse bediening en regering. En ook het besef dat Hij ons kocht om een priesterlijk koninkrijk te worden, wordt versterkt.

Eredienst

Op grond van het bovenstaande komt het in de eredienst aan op het Woord Gods. De Prediking brengt Gods gedachten aan de gemeente over, de sacramenten bevestigen de waarheid ervan. Verder is hier natuurlijk sprake over het gebed en het gezang van de gemeente, de betuiging dat zij het woord Gods als waar bevindt, terwijl zij zich alleen op zijn Woord verlaat bij al wat ze begeert en verwacht. De Cultus loopt krachtens de Geest door het woord Gods uit op de verheerlijking van de Vader in de naam van Jezus Christus de Heere. Ook daardoor openbaart Christus, dat Hij Priester-Koning is. Zijn Geest leert bidden en danken en zijn Vader schenkt op het gebed zoveel heil. 'Naarmate we meer letten op het voortdurend komen van Christus, naar die mate klapwiekt de hoopvolle dankbaarheid en jubelt het hart in God.' Houden wij zo eredienst? Deze dingen lokken uit om eens na te denken over de praktijk van de eredienst. Hoe levend zijn onze erediensten en wat is het deel van de gemeente daarin? Ik wil dit gedeelte afsluiten met woorden van Vos zelf, een echte vossiaanse zin, niet mooi, wel vol, haast overladen, maar gevoelvol en vol eerbied en overgave: 'Alzo: God, beschouwd in het licht van Christus' openbaring, ontlokt ons de betuiging, dat, waar Hij vreselijk is buiten dat Heiligdom, Hij in die woonstede te aanbidden is als de Bron onzer zaligheid, te vertrouwen als de genadige en waarachtige, te beminnen uit dankbare wederliefde boven alles en in alles en ten allen tijde'.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 oktober 1984

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Vos en Kuyper over de kerk (4)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 oktober 1984

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's