Evangelisch zonder de wet? (1)
Hoe kan men de naam evangelisch dragen zonder de wet Gods lief te hebben?
Wellicht kijken wij enigszins vreemd op bij het lezen van het opschrift boven dit artikel. Onze eerste reactie is, dat men zich toch niet evangelisch kan noemen zonder de wet Gods in ere te houden en daarnaar te leven. Hoe kan men de naam evangelisch dragen zonder de wet Gods lief te hebben? Dat is onmogelijk! Deze primaire reactie is niet ten onrechte. Niettemin zullen wij ook wel eens mensen hebben ontmoet - hetzij zij behoren tot de kerk, hetzij zij behoren tot een of andere evangelische groepering - die met nadruk stelden dat de wet volkomen voor hen heeft afgedaan. Met de komst van Christus in hun leven zijn zij niet alleen verlost van de vloek der wet, maar ook van de wet zelf.
Welnu, als dit met zoveel stelligheid wordt gezegd en daarbij zijdelings óók nóg dat het Oude Testament voor hen heeft afgedaan, dan is het toch zeker de moeite waard om eens te na te gaan of dit alles wel juist is en in overeenstemming met de Schrift.
Volgorde en verhouding van wet-evangelie
In belang van ons onderwerp is het nodig ons eerst af te vragen, wat voorop gaat de wet óf het evangelie. Het moge ons wellicht vreemd in de oren klinken, maar hierop is een verschillend antwoord te geven. Het gaat er maar om van welke zijde men het beziet nl. historisch, heilshistorisch of heilsordelijk.
Gaan wij uit van de historische orde dan is de wet eerst. In het paradijs was zij er nog niet in de vorm van de decaloog (Exodus 20), niettemin functioneerde zij daar reeds in de relatie tussen God en de mens. Gehoorzaamheid aan de wet hield in een volkomen zondeloze staat. Het bevel luidde: 'doet dat en gij zult leven'. Het niet-doen van de wet d.i. het ongehoorzaam-zijn aan de wet daarentegen zou de dood inhouden. Na de zondeval treedt daarom, naar de orde van de wet, de dood in die - zoals Paulus in Romeinen 5 schrijft - doorgaat tot alle mensen.
De ongehoorzaamheid aan deze wet in het paradijs heft deze inzake de claim Gods op de mens niet op. Integendeel, deze wet blijft Gods aanspraak op de mens houden. Zij bepaalt de staat van de mens en de houding van God daartegenover. Schuld, toorn en straf worden daardoor bepaald. Hoe deze wet tussen God en de mens ligt wordt nergens ons duidelijker getoond dan op Golgotha, waar de Zoon van God moet boeten voor de schuld van de ongehoorzaamheid aan de wet; de toorn Gods daarover ondergaat en de straf wegdraagt. Uit het bovenstaande zal ons duidelijk zijn, dat in de historische orde de wet voorop gaat. Anders wordt dit echter wanneer wij het heilshistorisch bezien. Hier gaat het evangelie, de belofte vooraf. Een duidelijk bewijs hiervoor vinden wij in Galaten 3.
Het zal ons bekend zijn, dat het in de heilshistorie om de vraag gaat of het beslissend is 'wat de mens doet of wat God doet'. De inzet van de heilshistorie is altijd Gods belofte: Ik zal het doen! Dus in geen geval wat de mens doet of belooft, néén wat God doet is haar inzet.
Nu staan in de heilshistorie én het Verbond én geheel de wetgeving op Sinaï én het Evangelie in dienst van deze heilsbelofte (Ik zal het doen) en haar verwerkelijking. Alles is volledig Gods werk!
Als wij nu letten op de wet van Sinaï, dan horen wij in die wet God spreken. Dat spreken Gods in de wet van Sinaï is niet anders dan Zijn spreken in de paradijswet. Wel verschilt het kader waarin God in Zijn wet op Sinaï spreekt. Het spreken Gods in de Sinaï-wet is gefundeerd in de realiteit van Zijn Verbond met Israël. Zijn spreken daar staat in dienst van de belofte. De grondstructuur van de wet van Sinaï en van de paradijswet is gelijk, maar het kader waarin gesproken verschillend. Bij de Sinaï staat zij in dienst van de genade.
Om die reden mag zij nooit of te nimmer worden losgemaakt van het evangelie. Ook zal men zich ervoor wachten om haar uit te spelen tegenover het evangelie, of haar als een 'Fremdkörper' te beschouwen. Men doet zowel het evangelie als de wet onrecht als men ze als twee zelfstandige grootheden tegenover elkaar zet. Zij mogen wel onderscheiden, doch in geen geval gescheiden worden. Het valt ons bij Calvijn op, dat hij nog al eens de nadruk erop legt, dat de Geest Gods door wet en evangelie onderwijst in het geheim der genade.
Heilsordelijk gezien valt het accent op de plaats van de wet nog weer anders. Dogmatisch gesteld krijgt zij een plaats én in de rechtvaardigmaking én in de heiligmaking. Hierbij maken wij wel de opmerking, dat deze plaatsing niet los gezien mag worden van het evangelie. Dat geldt evenzeer voor de boetvaardigheid. Wij belijden van harte, dat door de wet is de kennis der zonde en ook dat door de wet de boetvaardigheid wordt opgewekt. Echter... deze boetvaardigheid heeft geen verdienstelijk karakter en mag evenmin beschouwd worden als een voorbereiding ten opzichte van de genade. Wie dit wel doet plaatst daarmee de boetvaardigheid buiten het geloof. De boetvaardigheid is een vrucht van het geloof en is van blijvende betekenis in het levend geloof. Niet voor niets heeft de Heidelberger aan de wet daarom een grote plaats gegeven in het stuk der dankbaarheid. Duidelijk zal zijn dat de wet zéker in de zondagen 32-45 niet losgemaakt mag worden van Christus, evenmin als zij dat mag in de zondagen 2-5. Helaas is men daaraan in de prediking niet altijd ontkomen. De behandeling van de wet werd niet zelden tot alléén een aanwijzing van de zonden of men zag de wet los van Christus. Zou deze klip in het heden echter wel altijd omzeild worden? Het is maar een vraag, omdat wij in het pastoraat nog al eens worden geconfronteerd met het feit, dat mensen zich afvragen of zij wel voldoende schuldbesef bezitten. Alsof de grootte van het schuldbesef een verdienstelijk karakter in zich zou dragen. Dat heeft het bepaald niet. Nooit!
De wet in het geheel van de Schrift
Het is niet de bedoeling om op de historische orde van de plaatsing van de wet terug te komen, maar wel om te zien of de wet in het geheel van de Schrift een plaats heeft. Is het juist als door sommigen gesteld wordt dat de wet in het Nieuwe Testament geen plaats meer heeft? Onze conclusie is: neen! Het getuigt van bitter weinig inzicht in het geheel van de Schrift als men zegt dat de wet tot het Oude Testament behoort en het evangelie tot het Nieuwe Testament. Men behoeft nog niet eens zo erg thuis te zijn in de Bijbel om te weten, dat men het evangelie niet mag beperken tot het Nieuwe Testament. De zng. moederbelofte in Genesis 3 is voluit evangelie. Met veel meer Schriftplaatsen in het Oude Testament kunnen wij het evangelie aantonen. Dat geldt niet minder voor de wet in het Nieuwe Testament. Door heel het Nieuwe Testament loopt de wet als een gouden draad heen. In het laatste bijbelboek is hiervan nog sprake als er geschreven staat, dat de kerk zal zingen het lied van Mozes, en het lied van het Lam. Dat zal de kerk niet alleen op aarde doen, maar zelfs in de hemel.
Wet en evangelie zijn op een voor ons onnaspeurlijke wijze aan elkaar verbonden. Het zijn twee draden die elkaar omstrengelen en tweedraadsgeweven door de gehele Schrift heenlopen, van Genesis tot en met de Openbaring van Johannes.
De wet is niet los te denken van het evangelie. Wie de wet als een achterhaalde zaak aan de kant zet en doet alsof zij geen waarde meer heeft, maakt van het evangelie een zielloos geheel. In feite kan men dan niet meer van het evangelie spreken en nog minder het evangelie verkondigen.
Een vreemde uitspraak
Men doet een wel enigszins vreemde uitspraak als men zegt: 'wij zijn evangelisch, maar zonder de wet'. Is men dan wel gegrepen door het evangelie zoals dat vanuit de Schriften tot ons komt. Het evangelie leert ons immers dat Jezus Christus de wet draagt in het binnenste ingewand. En als wij in het Oude Testament de ark des Verbonds voor evangelie mogen houden, dan is het toch wel opvallend, dat de twee stenen tafelen (de decaloog) daarin gelegd zijn.
Bovendien leert de Schrift ons, dat Christus ons weliswaar verlost van de vloek van de wet, maar ook brengt tot de zegen van de wet. Hoe zit het bovendien met de heiligmaking? Door het evangelie verkrijgt men toch niet alleen de vrijspraak, maar men komt toch ook tot een nieuw leven? In Efeze 2 : 10 horen wij de apostel Paulus zeggen: 'Want wij zijn Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken, welke God voorbereid heeft, opdat wij in dezelve zouden wandelen'. Die goede werken zullen in het leven van een christen aan normen dienen te voldoen. Welke normen zijn er anders dan alleen de wet Gods? Het is wel duidelijk, dat de wet niet losgeweekt kan worden van het evangelie. Andersom trouwens evenmin! Wie de wet hanteert zonder het evangelie komt tot werkheiligheid. Wat nut heeft echter 'het doen van de wet' zonder de verzoening van Christus? Het geeft ons geen vrede en geen rust.
Wet en evangelie behoren bijeen! Maar wat wordt er dan bedoeld als men zegt dat Jezus de wet heeft vervuld? Heeft Hij die dan toch eigenlijk niet afgeschaft? Daarover een volgend keer.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 oktober 1984
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 oktober 1984
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's