De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Calvijn en de Koningspsalmen (4)

Bekijk het origineel

Calvijn en de Koningspsalmen (4)

6 minuten leestijd

Allen die God vrezen dienen voortdurend te bidden voor de uitbreiding van het rijk van Christus.

We zijn benieuwd hoe Calvijn reageert op de vraag die in het eerste artikel opgeworpen werd, namelijk hoe de woorden van vers 15 dienen te worden opgevat.

In de Statenvertaling lezen we daar: 'En hij zal leven, en men zal hem geven van het goud van Scheba, en men zal gedurig voor hem bidden; de ganse dag zal men hem zegenen'.

Vooropgesteld dient te worden dat Calvijn ook voor deze vertaling kiest en niet bijvoorbeeld voor de grammatikaal eveneens mogelijke vertaling: 'En hij leve, en hij geve en hij zegene'. Er zijn uitleggers die daarbij denken aan de verdrukte, waarvan in de verzen 12-14 sprake is.

Bij een nader onderzoek van zijn verklaring van dit vers, blijkt dat Calvijn deze woorden zo interpreteert dat allen die God vrezen voortdurend dienen te bidden voor de uitbreiding van het rijk van Christus. Letterlijk zegt hij o.a.: 'Hoewel velen zich aan zijn juk onttrekken, en ook de geveinsden in stilte bij zichzelf morren en de gedachtenis aan Christus gaarne zouden uitroeien, indien hen daartoe de mogelijkheid werd gegeven, betaamt toch aan allen die God vrezen een hartelijke liefde. En dat niet alleen omdat de Schrift beveelt deze plicht jegens alle koningen der aarde in acht te nemen, maar ook omdat zij met een bijzondere toewijding en zorg moeten worden aangeraakt om dit rijk uit te breiden, waarin de majesteit Gods schittert, en waarin ook hun heil en gelukzaligheid ligt besloten. Daarom zullen wij in ps. 118 zien dat de formule van het gebed aan heel de kerk wordt voorgeschreven, namelijk dat God deze koning zal zegenen.

Niet omdat Christus onze voorspraak nodig zou hebben maar terecht eist hij van zijn dienstknechten dit getuigenis der godsvrucht, waardoor zij zich er in oefenen te vragen naar de komst van Gods Koninkrijk'.

De vraag kan worden gesteld of Calvijn hier niet een al te gekunstelde verklaring te berde brengt. Tegelijk of hier de uitleg niet beperkt dient te worden tot de louter aardshistorische strekking van deze machtige koningspsalm. Voor iedere koning onder het Oude Verbond immers was zo dringend noodzakelijk dat het volk Gods zegen over hem en zijn regering afsmeekte.

Tenslotte willen we enkele opmerkingen maken over Calvijns interpretatie van ps. 110. Het is niet de bedoeling en in het kader van deze artikelenserie ook niet mogelijk deze psalm en de visie daarop van de Geneefse reformator uitputtend te behandelen.

Weinige psalmen immers hebben tot zoveel discussies en veronderstellingen aanleiding gegeven als juist ps. 110. De moeilijkheden betreffen zowel de tekst als het karakter van dit koningslied.

In de moderne bijbelwetenschap betrekt men ook deze psalm louter op een aardse koning in de tijd van het Oude Testament en heeft men talrijke suggesties gedaan ten aanzien van de achtergrond die voor deze psalm zou gelden. De Oud-Testamenticus Dürr bijvoorbeeld is van oordeel dat wij moeten denken aan een oud-oosterse intronisatie plechtigheid. Daarbij zouden dan de volgende fasen onderscheiden moeten worden: 'Intronisatie, investituur, huldiging, instelling tot priester, zege over de vijanden, dronk uit de heilige bron'.

Daarentegen gaat zijn vakgenoot Kraus ervan uit dat met verschillende riten, tradities en investituren rekening gehouden moet worden. De psalm zou gedateerd moeten worden in de vroegste koningentijd, gezien het feit dat teruggegrepen wordt op voor-israëlische overleveringen.

Gaan wij uit van de eenheid van Oude en Nieuwe Testament, dan kan het niet anders of wij zien in ps. 110 een majestueuze profetie van het koningschap en priesterschap van Christus. Talrijk immers zijn de citaten in het Nieuwe Testament (Verg. Hand. 2 : 34 V v; 1 Cor. 15 : 25; Hebr. 1 : 13; 5 : 6 en 10; 6 : 20; 7 : 1, 10 en 11, 15, 17, 21; 10 : 13). Bovendien heeft de grote Leraar der gerechtigheid ps. 110 gebruikt in een twistgesprek met de farizeeërs, en toen reeds aan dit lied een Messiaanse strekking gegeven: de Messias is niet alleen de Zoon van David; Hij is ook zijn Heere (Matth. 22 : 42-45).

Het is dan ook niet verwonderlijk dat Calvijn in het begin van zijn uitleg opmerkt: 'Wel erken ik dat in de persoon van David een beeld en voorafschaduwing is gelegen van het koninkrijk van Christus; maar toch heeft hij noch van zichzelf, noch van één van zijn opvolgers kunnen beweren dat er een koning zou zijn, wiens heerschappij zich over een uitgebreid gebied zou uitstrekken, en die tegelijk ook priester zou zijn, niet naar de ordening van de Wet, maar naar de ordening van Melchizedek, en dat wel tot in eeuwigheid'.

Hij wijst erop dat het koninklijk en het priesterlijk ambt in de tijd van het Oude Testament niet met elkaar vermengd mochten worden en dat Uzzia, de wettige opvolger van David met melaatsheid werd geslagen toen hij het waagde reukwerk aan God te offeren.

De psalm spreekt van een Koning Die tegelijk Priester is in eeuwigheid naar de ordening van Melchizedek (vers 4). Daarom moeten wij er te meer van uitgaan dat David in de profetie gesproken heeft van Christus en Zijn Koninkrijk. Bijzonder moeilijk wat de uitleg betreft is vers 3b: 'Uit de baarmoeder van de dageraad zal U de dauw Uwer jeugd zijn'.

Vele verklaringen zijn van deze woorden ten beste gegeven. Calvijn merkt er het volgende over op: 'Ik twijfel niet of David heeft hier de zegen van God willen loven in de vermenigvuldiging van Zijn volk. Daarom vergelijkt hij de jeugd, of het opkomend geslacht bij dauw, omdat het op buitengewone wijze zal wassen en toenemen. Want evenals ieder er verbaasd van staat te zien dat de aarde bevochtigd is, hoewel men de dauw niet ziet vallen, daar hij ontsnapt aan het gezicht van hen die er naar kijken: zo zegt David dat aan Christus een geslacht geboren zal worden dat ongelooflijk talrijk zal zijn en de ganse aarde zal toebehoren'.

Hij noemt in dit verband o.a. Jes. 53 : 10, waar we lezen van de Knecht des Heeren: Als Zijn ziel zich tot een schuldoffer gesteld zal hebben, zo zal Hij zaad zien'. Welnu: Al deze voorzeggingen, zegt Calvijn, zijn reeds voor een groot deel in vervulling gegaan.

Samenvattend kunnen we zeggen dat Calvijn bij de uitleg van de koningspsalmen allereerst grondig heeft gespeurd naar de concrete historisch achtergronden. Dat hij vervolgens op een gedegen wijze de Messiaanse strekking van deze liederen heeft laten oplichten, zonder daarbij in een mystieke interpretatie te vervallen. Bij de wijze waarop hij deze psalmen verklaart is het verrassend te bemerken hoe de dichters van het Oude Verbond door Gods Geest zijn geïnspireerd om de vele facetten van het Middelaarswerk van de Zaligmaker te bezingen. Wie Hem in het geloof heeft lief gekregen zal de koningspsalmen dan ook met des te meer vreugde lezen, overdenken en met de Kerk van alle eeuwen uitzingen in aanbidding en verwondering.

'Beminlijk Vorst, Uw schoonheid hoog te loven,
gaat al het schoon der mensen ver te boven.

Gena is op Uw lippen uitgestort,
dies Ge eeuwiglijk van God gezegend wordt' (Ps. 45 : 1b)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 oktober 1984

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Calvijn en de Koningspsalmen (4)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 oktober 1984

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's