Uit de Pers
Kerk en wereld
Bezinning op de positie van de kerk in de wereld, haar spreken in de samenleving, haar verwachting voor de wereld blijft de aandacht vragen. In Opbouw had drs. H. de Jong enkele maanden geleden enkele artikelen gepubliceerd waarin hij het geestelijk klimaat in christelijk en kerkelijk Nederland typeerde als aardsgezindheid. Aanleiding voor deze uitspraak was o.a. de uitspraak van de geref. synode over de kruisraketten. Uit de wereld valt volgens De Jong geen heil af te leiden. Er zit in de Bijbel een beweging van de aarde naar Christus toe. Op deze artikelen had dr. A. A. Spijkerboer gereageerd in Evangelisch Commentaar van 27 juli. Spijkerboer ontkent de beweging naar Christus toe niet, maar hij meent dat De Jong te weinig ernst maakt met het gegeven dat christenen tekenen mogen oprichten van het komende midden in deze wereld.
'Zeker de wonderen van Jezus zijn tekenen van de komende wereld, maar Jezus richt ze wel op midden in de wereld waarvan De Jong met Paulus zegt dat ze vergaat. Kan het dan ook niet voorkomen dat een synode door over oorlog en vrede te spreken midden in deze onverloste wereld een teken moet oprichten van de wereld die komt? Waarom acht De Jong het uitgesloten dat de hervormde en de gereformeerde synodes, en de Raad van Kerken dat bedoeld hebben? De Jong zegt: "Het is waar, deze wereld is ook van God, maar dat is des te erger voor haar." Ik meen dat je moet zeggen: "Deze wereld is van God, en daarin ligt haar enige kans. Dat moet de kerk haar dan ook zeggen."
In het nummer van 28 sept. reageert De Jong op Spijkerboer's laatst geciteerde woorden. Met Spijkerboer is hij van oordeel dat de kerk een boodschap heeft aan en voor de wereld, oproepend tot heil. Maar hij meent wel dat Spijkerboer gevaar loopt een prediking van de genade voor te dragen buiten het oordeel om, en te snel van de schepping naar het heil te gaan. Natuurlijk, er is zoiets als algemene genade:
'Gods algemene genade en de verplichtingen die daaruit voor ons voortvloeien kunnen mijns inziens niet tot een zelfstandig thema van de verkondiging worden gemaakt. Die algemene genade is toch steeds de ruimte waarbinnen naar Gods bijzondere genade gezocht moet worden. Naar het woord van Paulus: ... beseft gij niet dat de goedertierenheid Gods u tot boetvaardigheid leidt? " (Romeinen 2 : 4). Wat ik nu evenwel konstateer is dat in het moderne kerkelijke spreken de algemene en de bijzondere genade van God dooréén worden gemengd met als uitkomst dat Gods algemene genade Gods eigenlijke genade wordt en dat Hij niet meer dan die ene zegen voor de wereld heeft. Ook Christus met zijn heilswerk staat, zo lijkt het wel, in dienst daarvan.
Deze ontwikkeling betreur ik. De zaak zou voor mij anders liggen als ik in de nederlandse geloofsgemeenschappen, zoals die door de Raad van Kerken vertegenwoordigd worden, een hartelijke zorg voor het eigenlijke van het evangelie zou opmerken; als zij geen gelegenheid lieten voorbijgaan om de nederlandse samenleving met de boodschap van de verzoening in Christus en om Christus wil aan te spreken. Als dan in het kader daarvan de wereldse overheden werden opgewekt om de onderlinge vrede te bewaren en zo voor hun deel mee te werken aan de onbelemmerde verbreiding van het evangelie, dan zou niemand mij horen reppen over aardsgezindheid. Maar het ligt helaas anders. Ik denk hierbij bijvoorbeeld aan de kans die genoemde Raad onlangs verzuimde om op te komen voor het belang van de zondagsheiliging, toen het ging om de vraag of de eerstvolgende viering van de vijfde mei niet van de zondag naar de maandag zou moeten worden verplaatst. De zondag is toch bij uitstek de dag van de evangelieverkondiging en vertegenwoordigt daarin een exklusief christelijk en kerkelijk belang. Maar nee, de christelijke kerk komt vandaag alleen maar op voor belangen waar ook het socialisme zich achter kan stellen: pacifisme, anti-racisme, anti-kapitalisme en noem maar op. Zodra er iets specifiek christelijks boven de horizon verschijnt dat om bevordering vraagt, dan zegt de Raad van Kerken "mijn naam is haas". Het verzuim dat ik hier signaleer is helaas geen incident maar een symptoom. En het is op grond van dit symptomatische spreken dat ik de nederlandse christenheid van aardsgezindheid verdenk. Dr. Spijkerboer schrijft: "Kan het dan ook niet voorkomen dat een synode, door over oorlog en vrede te spreken, midden in deze onverloste wereld een teken moet oprichten van de wereld die komt? Waarom acht De Jong het uitgesloten dat de hervormde en gereformeerde synodes en de Raad van Kerken dat bedoeld hebben?" Ik moet antwoorden dat ik deze argeloosheid niet (meer) kan opbrengen. Het tegenwoordige spreken van synodes en raden over oorlog en vrede is voor mij niet 'een teken van de wereld die komt", - tenzij ik deze uitdrukking in binnenwereldse zin versta, zoals Dorothee Sölle doet.'
Het blijkt uit deze discussie hoe inzake de relatie van de christen tot de wereld de gehele dogmatiek meekomt. Zo ergens dan zijn dogmatiek en ethiek juist hier nauw verbonden. In het geding is wat men zou kunnen noemen de reikwijdte van de verzoening. Ik meen, dat De Jong gelijk heeft wanneer hij signaleert dat de algemene en de bijzondere genade in menige beschouwing dooreengemengd worden. Dat heeft m.i. weer alles te maken met de verhouding van schepping en val. Wel kan men zich afvragen wat ten aanzien van het spreken van de kerk in de wereld de betekenis is van de kosmische heerschappij van Christus. Valt er vanuit Kolossenzen 1 toch niet iets meer te zeggen dan De Jong doet? Dat het spreken van de kerk snel gevaar loopt in ideologische wateren verzeild te raken, als het niet streng betrokken blijft op de zaak waar het in het evangelie om gaat is m.i. waar. Ook hier zal de discussie dan vooral moeten gaan om de vraag wat we verstaan onder heil. Dat gaat verder en strekt dieper dan het veel bepleite spreken inzake humanisering.
***
Het geestelijk erfgoed van de Afgescheidenen
Uit de aard der zaak gaven de weekbladen van de afgelopen week aandacht aan de herdenking van de Afscheiding. Het Centraal Weekblad en het blad Waarheid en Eenheid kwamen uit met een speciaal nummer. In het eerste kwam ook een hervormde stem aan het woord, n.l. ds. S. Kooista. In Koers schreef ds. L.H. Kwast uit Bedum over het geestelijk erfgoed van de Afgescheidenen.
'In de herfst van 1947 werd het op een avond doodstil in de gereformeerde Maranathakerk in Bedum. Het gebouw zal vol jongens en meisjes. Ze luisterden naar ds. G. Lugtigheid, destijds predikant in Zwolle, die hun vertelde over wat hij "een verontrustende ervaring" noemde. De gereformeerden, zei hij, waren hard op weg hun omgang met God kwijt te raken. Het ontbrak Lugtigheid niet aan bewijsmateriaal. Zo was het onlangs nog gebeurd dat een gereformeerde vader zijn achttienjarige zoon op een avond in de bijbel zag lezen. Hij kon het niet laten om te vragen: "Moet je een inleiding voor de JV maken?" Waarom zou een jongen van achttien anders in de bijbel lezen?
Lugtigheid zag scherp. Hij bezat een zesde zintuig voor geestelijke ontwikkelingen en omwentelingen. Hij signaleerde dat de gereformeerden van zijn dagen één van de wezenlijk gereformeerde trekken al goeddeels hadden verloren. De persoonlijke omgang met God, hoog genoteerd onder de Afgescheidenen van de negentiende eeuw, begon zeldzaam te worden.
Tot het geestelijke erfgoed van de Afscheiding behoort de bevinding. Er moet in het leven van een gelovige herkenning zijn van het werk van de Heilige Geest. Om kind van God te zijn moet hoogst persoonlijk nagezongen kunnen worden: "Moede kom ik, arm en naakt, tot de God die zalig maakt". Daarover ging het dan ook in de onderlinge gesprekken van de Afgescheidenen, in het pastoraat en tijdens huisbezoeken. In lange winteravonden spelden de mensen van toen hun bijbel. De onmisbaarheid van de bevinding, de zorg om de toeëigening van het heil, hadden zij op hun beurt meegekregen van hun voorouders en uit de traditie van de Nadere Reformatie die vooral hier te lande een grote rol heeft gespeeld.
Het was een geestesgesteldheid waarvan wij vandaag de uitlopers meer tegenkomen in de Gereformeerde Bond in de Nederlandse Hervormde Kerk dan in de Gereformeerde Kerken, meer in de Christelijke Gereformeerde Kerken dan onder de Vrijgemaakte Gereformeerden. Allerlei factoren hebben tot accentsverschillen bijgedragen.
In de eigen kring van de Afgescheidenen werd bijvoorbeeld gewaarschuwd tegen een al te nadrukkelijke beklemtoning van de noodzaak van de bevinding. Liep men dan immers niet het levensgrote gevaar van keurmeesterij, van een elkaar de maat nemen? Bestond niet het lang niet denkbeeldige risico dat de prediking haar zwaartepunt zou zoeken in een beschrijving van kenmerken en ervaringen in plaats van de boodschap van de betrouwbaarheid van Gods beloften en van het peilloze mysterie van Christus' offer voor onze zonden?
Deze discussie heeft het leven van de Afgescheidenen in de vorige eeuw voortdurend vergezeld. Daarnaast werd telkens de waarschuwing gehoord om zich met de 'wereld' niet in te laten. Zij lag in het boze. Zij was een constante bedreiging voor het geloof van Gods kinderen.'
Deze traditie van de Afgescheidenen is wezenlijk beïnvloed door het emancipatorische van de Doleantie. Bij Kuyper en zijn volgelingen geen terughoudendheid van, maar een ingaan in de wereld. Geleidelijk aan werd, zegt Kwast, het geesteskenmerk van de persoonlijke omgang met God in de kerken van de Doleantie verdrongen. Dat is niet iets van de laatste decennia. In de dertiger jaren werd al een kruistocht gehouden tegen enig respect voor innerlijke twijfel en zelfonderzoek. Ik ga hier niet in op de pro's en contra's van de Afscheiding. Dat is in de voorgaande nummers al aan de orde geweest. Ik signaleer de ontwikkeling die Kwast schetst als een variant van het onderwerp waar het hier boven over ging. Hoe kunnen we als christenen staan in een wereld en toch distantie bewaren? Het is een spanningsvolle verhouding waarin men of in doperse mijding of in een (te) vergaande openheid voor de wereld kan vervallen. Pessimisme contra cultuur-optimisme. M.i. kent de Schrift dit dilemma niet. Wij zien hoe de apostelen met het Woord in de wereld hebben gestaan en tegelijk scherp hebben onderkend waar de gevaren liggen. Hebben wij soms teveel de neiging met onze theologieën de wereld binnen te trekken, in plaats van met het Woord? Nodig is opnieuw een bijbelse doordenking van de notie 'vreemdelingschap' die geen wereldmijding maar wel een kritische houding impliceert. Nodig is ook dat we, zonder te vervallen in individualisme en onbijbelse mystiek aandacht geven aan de vragen van de persoonlijke omgang met God. Kwast's overpeinzingen zijn de moeite waard om in de gesprekken rondom Samen op Weg mee te nemen. Over en weer.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 oktober 1984
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 oktober 1984
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's