Geestelijke levensregels (4)
HET ORDENENDE FUNDAMENT
Wij hebben allen wel eens mensen ontmoet, die midden in een voortgejaagd, gekweld en vertwijfeld leven in eens overvallen worden door een krisis. Ze kunnen het niet meer harden in hun drukke bestaan. Ze worden verteerd door een schroeiend verlangen naar een geestelijke ordening van hun leven. Verkerend in hun nood verstaan ze volkomen intuïtief de zin van bepaalde gebruiken, instellingen en leerstellingen. Soms zijn het zakenlieden, die in hun gedreven leven in eens gevoelen, dat zij zo niet voortkunnen. Op een andere keer zijn het intelligente vrouwen, die niet meer tegen de dagelijkse sleur kunnen. Vaak zijn het mensen, die wel nadenken, maar het dagelijkse leven met zijn vele noden en plichten stuurt ze voort. Op de duur gevoelen ze zich een machine. Op de ondergrond is er wel een verwijt, dat ze innerlijk leeggroeien. Maar ze worden zo volledig voortgejaagd, dat ze tot een rustpunt niet meer komen. Ook kunnen het predikanten zijn, die zich doodgedrukt gaan gevoelen in de kerkelijke rosmolen. Nu onderscheidt u vaak een merkwaardig gegeven. Deze geschetste personen komen immers in de kerk, komen op een bijbelkring, gaan ijverig de Schrift lezen of komen met allerlei geestelijke vragen bij een voorganger. Ze worden om zo te zeggen geestelijker dan ooit. Geheel naar behoefte nemen zij van het geestelijke menu wat hun bruikbaar schijnt en innerlijk van pas komt.
Intussen, hun geestelijke zin draagt een impulsief karakter; het kenmerk van deze mensen is individualistisch, willekeurig en grillig. Er zit geen orde in. Zo krijgt hun leven iets tweeslachtigs. De televisie heeft daarin een plaats, een avondoverdenking, occulte zaken, een sensatieroman, een hoofdstuk uit de Openbaring en ook bemerkt u, dat deze mensen allerminst vastzitten aan hun geld. Het eigenaardige van hun leven is; dat voedende levenskrachten uit twee werelden worden betrokken. Er komen zelfs nog geheel andere bindingen van tegengestelde krachten in een mensenleven voor. Het heeft ons nimmer verbaasd, dat in milieus, waar een gewichtig accent op de gereformeerde leer wordt gelegd, vaak een ietwat sensuele levenstoon heerst. Bovendien is bij zeer vrome mensen menigmaal een uiterste gehechtheid aan geld en goed te bespeuren. Zodanige mensen moeten wij weer niet zonder meer direkt als huichelaars aanduiden. Het is in het geheel niet ongeloofwaardig, dat een zodanig dubbelleven - hoewel deze tweeslachtigheid geheel verborgen is - werkelijk een zekere verlichting leidt in vergelijking met een bestaan, dat geheel in de materie is verzonken.
Feitelijk is het mogelijk, dat een mens tot voor de poorten der eeuwigheid zich als een koorddanser in evenwicht houdt. Naar de wortel beoordeeld, en beschouwd in het licht der eeuwigheid is desalniettemin dit bestaan er één van een volledige vertwijfeling. Er wordt reeds daarin iets openbaar van de geestelijke dood. Hier wordt iets doorleefd van de mogelijkheid, dat de wereld der zonde in zeker opzicht leven kan uit de krachten van de genade. Ja, dat de materie van de werkelijkheid des geestes, voor een deel, kan leven. Wij denken daarbij aan figuren als Herodes en vooral Pilatus. De eeuwige dingen trillen na in hun geweten, al veranderen ze niet. Juist hier komt het verschrikkelijke gevaar tot uitdrukking, dat de geestelijke krachten ook daar, waar zij werkzaam schijnen te zijn, alleen maar misbruikt worden. Het gaat hier om zichzelf een oordeel te eten en te drinken, niet onderscheidende het lichaam des Heeren te sturen. Wie onbeproefd zo maar eet en drinkt, brengt een oordeel Gods over zich, daar hij het lichaam des Heeren niet goed onderscheidt. Indringende beschouwing en onderzoek van het bonte leven toont aan, dat dit 'oordeel' veel vaker aanwezig is dan men wel gewoonlijk aanneemt. Wij raken hier aan het geheim van het demonische in eigenlijk bijbelse zin. Wij treffen hier aan het wezen der bezetenheid, dat de mensen aangrijpt zonder dat ze zich daarvan volledig bewust zijn. Naar ons oordeel zal deze vorm van bezetenheid in het lijden en de strijd van de toekomst een bijzondere rol spelen. Maar al te weinig wordt ernstig over deze bezetenheid nagedacht. Een bezetene is iemand bij wie een bovenmenselijke macht zich naar de mening van het volk heeft meester gemaakt van het menselijke ik, waarbij het menselijke zelfbewustzijn is uitgeschakeld en denken, spreken en handelen door deze macht wordt beheerst. De numineuze macht kan van onpersoonlijke aard zijn, maar toch wordt hij meestal als persoonlijk wezen gezien: machten, demonen, geesten. De bezetenheid uit zich bijvoorbeeld als extase, waanvoorstellingen, visioenen, profetie en ziekte. De vorst der duisternis kan individuen en gemeenschappen onder zijn dwang brengen, omdat er innerlijke hang is naar zijn bewind.
Naar ons inzien kunnen in dier voege zelfs gehele gemeenten in de klem komen. Het Woord heeft er geen toegang meer. Ja, men verwacht het zelfs helemaal niet meer van het Woord. Ook al is er de prediking en de bediening der sacramenten nog, het gemeentelijk leven wordt wezenlijk uit andere bronnen gevoed. Een boek als 'Neveldijk' van D. Hoogenbirk, Kampen 1930, laat dit op beklemmende wijze zien. Wij koesteren niet de minste illusie, dat het tegenwoordig onder ons in brede trekken anders of veel beter zou zijn. Deze demonieën hebben een uiterst taai bestaan.
Intussen - waar wezenlijk Gods Woord zijn macht over de geesten kwijt is - of beter, niet wordt toegestaan - daar vult de Satan altijd de leegten. In dat opzicht moeten wij niet gering denken over het kwaad van het intellectualisme en het mysticisme. Waar de godsdienst uitsluitend of voornamelijk als een zaak van het verstand wordt beschouwd, daar laat zich al spoedig de macht van het intellectualisme gevoelen. Het is die richting, die het zuiver geloofsbegrip boven alles waardeert, zelfs ten koste van het geestelijk leven. Daartegenover zien wij geen minder bedenkelijke ziekteverschijnselen, waar het godsdienstig leven eenzijdig door het gevoel wordt beheerst.
Dat er een diepe, heilige mystiek op christelijk gebied denkbaar, ja, van het geestelijk leven in zekere zin onafscheidelijk is, zal zeker niemand ontkennen. Maar van zulk een teer, verborgen gemoedsleven moet een nevelig en ziek mysticisme wel onderscheiden worden, dat gevoel en bevinding ten koste van rede en geweten laat spreken.
Terwijl de intellectualiteit de letter handhaaft, desnoods tegenover de geest, stelt de mysticus de geest, zoals hij die begrijpt, oneindig ver boven de letter. Zijn gevoel beslist wat waar en onwaar, wat goddelijk en menselijk is, en tegenover deze uitspraak is ook de bondigste redenering machteloos. Het konventikel viert hier hoogtij, het overprikkeld gevoel, terwijl de verstandsrichting het denken de overhand krijgt. Het komt ons nu voor, dat juist in onze gemeenten zowel het intellectualisme als ook het mysticisme telkens als om strijd naar boven komen. Het verdient nu gedurig onderzoek in hoeverre de vorst dezer eeuw de hand heeft in de beneveling en verduistering van de geesten der mensen. De diepst meelevende gemeenteleden hebben daarvoor vaak meer oog dan de officiële theologen. Zo is het ons altoos opgevallen, dat eenvoudige mensen, die dichtbij hun Bijbel leven soms meesterlijk de eigenlijk heersende dwaling in het gemeentelijke leven weten te onderkennen. Het zijn vaak wat ter zijde van de stroom levende personen, maar die daardoor juist bedachtzaam de eigenlijke zaak kunnen observeren. Nog zien wij ons zitten op die boerenhofstede in de late herfstmiddag. Het gesprek ging over de diepte der zonde in het bepaalde dorp. Ja, over de heersende zonde in bepaalde geslachten. 'Ja', zei de oude man, 'de genade heerst soms in bepaalde families in generaties. Maar vergeet niet, de overste dezer wereld óók. Eeuwenlang is hier het licht der genade van de stoel af al gebracht door de bediening van het Woord, maar, o dominee - het is toch nog zo donker.' Wij hebben die uitspraak nooit kunnen vergeten. Ze is de jaren door naar de indruk al maar sterker geworden. De gedachte lag er achter, dat het Woord Gods gedurig een geweldige strijd heeft te voeren tegen de machten van de duisternis dezer eeuw.
Zo zijn er gemeenten waar wezenlijk demonieën in bovengeschetste zin de toon aangeven. Soms is het intellect een slimheid, dan weer bloed en bodem. Vaak alles door elkaar, omdat onze huidige gemeenten allesbehalve een eenheid zijn. Toch is telkenmale nodig het geloofsleven niet los te zien van de brede verbanden. In zekere zin komt het van God gewekte geloof nooit helemaal los van de vaderlijke grond. De in een bepaalde gemeente heersende toon beïnvloedt ons doorgaans ons gehele leven. Zo is het dan ook meestentijds noodzakelijk, dat eerst het fundament goed moet worden gelegd, vóór en aleer een ziel kan uitgaan om de krachten van de geestelijke wereld te mogen ondervinden. Geestelijke levensregels behoren ons te heilig te zijn om een vertoning voor te dragen. Een schijnwereld op te houden, die innerlijk vermolmd is. De eenvoudigste regel, de simpelste gewoonte, het nederigste besluit ontbindt een volheid van zegen daar, waar de ziel inwendig één van gang en wegen is. Daarom moeten wij bevrijd worden uit de demonie. De eigenlijke vloek van onze tijd is de tweeslachtigheid. Wij moeten komen tot innerlijke vastheid, één van hart en handen. Zo alleen zal de vrede Gods harten en zinnen in bewaren in Christus Jezus.
Wij moeten eens meer leren nadenken over het bijbelse woord: eenvoudigheid. Dat is in beginsel een positieve eigenschap, verwant aan totaliteit. Het is eenvoud, ongekompliceerdheid van karakter. Het eenvoudige oog duidt de zuivere gezindheid aan die uitsluitend op God en zijn wil is gericht. De eenvoud des harten is de zuivere overgave aan Christus. In tegenstelling hiermee is de man die innerlijk overdeeld is. In deze eenvoudigheid is de voorwaarde gelegen om tot een nieuwe en harmonische fundering van het leven te komen. Daarvoor is ook nodig een plaats van stille inkeer; een gesprek met een mens aan wie men de innerlijke roerselen van de ziel kan openbaren. Kortom, wij hebben tijd voor bezinning nodig, een zekere ordening van het verleden, een gelegenheid tot geestelijke verdieping. Met andere woorden een soort hospitaal voor de ziel, die in de strijd van de dag dodelijk gewond is. De protestantse christenheid is het idee van de retraite teveel verloren. Het is in de loop der eeuwen altijd onmiddellijk verbonden met werkheilige kloosteridealen. Dat nu is ten enenmale misplaatst. De laatste tientallen jaren zijn er enige broederschappen ontstaan in Duitsland en elders. Wel menen wij, dat deze gemeenschappen spoedig vervallen, en innerlijk zich ontbinden. Het komt ons voor dat zij niet zozeer passen in de wat individuele volksaard van ons land met zijn geringe discipline. Daarom komt het ons beter voor in grote tucht vriendschap te onderhouden met enkelen uit onze levenskring. Er komt zo spoedig het gevaar van moralisme op.
Desalniettemin, de moderne mens heeft stilte nodig. Men streve dan in vrijwillige binding naar een uur van verdieping en onderzoek in het Woord. Daarbij voegt zich geheel vanzelf het gewetensonderzoek. Juist de zorgvuldige Schriftlezing, bijvoorbeeld aan de hand van een beknopt kommentaar, stelt ons voor de tegenwoordigheid Gods. Wanneer wij deze inwendige discipline niet opbrengen vallen wij in een ommezien ten prooi aan oppervlakkigheid.
Laten wij er vooral op letten, de stille roep tot inkeer niet met geweld te onderdrukken. Ook al is de tweeslachtigheid van het huidige leven vaak demonisch, toch ontbreekt het dikwijls niet aan een geheimzinnige stem, die ons met onweerstaanbare kracht tot het rijd der genade roept. Vooral is het van belang geen gehoor te geven aan de verstikkende stem van velerlei hulpmiddelen, die ons voorhouden dat het mogelijk zou zijn de eerste wezenlijke stap van het ware geestelijke leven over te slaan. Deze eerste stap is die van de boetvaardigheid en van de vergeving der zonden. Waar niet allereerst deze bijbelse grondwaarheden worden doorleefd, verwart zich later alles, zodat het tweede bedrog erger is dan het eerste. Waar die grondwaarheden evenwel worden doorgemaakt in diepe levenspijn, daar gaat van het begin af aan in het leven des geloofs een stille lofzang weerklinken. Wij sterven, maar ziet: wij leven ook. Er komt een diepe knik in ons leven. De hoogmoed moet weg. Wij leven een gebroken leven, maar toch een leven met de Heere. Dat heeft Luther bedoeld met de woorden: 'waar evenwel vergeving der zonden is, daar is ook leven en zaligheid'. Wij menen dat hier ons leven eerst recht heilig vruchtbaar is: dan meten wij niet met de maatstaven van moderne economie leven. Neen, wij meten met de maatstaven van het Woord. Daar komt een geheel andere waardenordening. Soms zien wij dat heel duidelijk in het gemeentelijk leven voor ogen. Wij ontmoeten daar soms mensen, die voor het wereldleven van geen betekenis zijn. Een oude weduwe, een weduwnaar, een huisvrouw, soms een jongen of een meisje, dan weer een catechisant. Opeens beginnen ze soms van de ontmoeting met God te vertellen. Bekeert, ingetogen, met stralende ogen. En weet u wat ons dan altijd zo treft? Het is nooit een leven van babylonische trots. Maar altijd een leven dat boog onder Gods wil. Dikwijls verbaasd het ons onder welk een verdriet zulke levens gebogen gaan. Maar als het Evangelie er in komt, dan worden de zwaarste lasten licht. Ja, dan draagt God eigenlijk het voornaamste. Zo liepen wij eens zomaar het achterhuis van een boerderij binnen. Er was niemand. En of wij nu al riepen, er kwam geen antwoord. Toch hoorden wij een stem in het voorhuis. Bij nader toelopen hoorden wij iemand... bidden! Weet u wat de stem zei: 'o Heere, mijn lust en mijn lied! Ik kan U niet missen in eeuwigheid niet' Er was daar diep levensleed. Maar ook heerlijke overwinning. Het ordende fundament was daar gevonden!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 oktober 1984
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 oktober 1984
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's