Evangelisch zonder de wet? (2)
Wij zullen het er wel over eens zijn, dat de wet voor de christen wegvalt, als middel tot verkrijging van de zaligheid.
Een vorig keer wezen wij er reeds op, dat de christen niet kan zeggen dat de wet is afgeschaft. Hiervan is althans in de Schrift niets te lezen. Hoezeer de wet Gods van het allergrootste belang is, kunnen wij o.a. in Mattheüs 5 : 17 leren. Jezus zegt daar: 'Meent niet dat Ik gekomen ben, om de wet of de profeten te ontbinden; Ik ben niet gekomen om die te ontbinden, maar te vervullen'. Een vraag is: welke wet wordt hier bedoeld?
De wet van Mozes
Welke wet vervult Jezus? Het antwoord is vrij eenvoudig: de wet van Mozes. God heeft maar één wet. Dat is de wet, die door Mozes gegeven is. Die wet is heilig, rechtvaardig en goed. Volgens Mattheüs 5 : 17 is Jezus volstrekt niet naar de aarde gekomen om deze wet terzijde te stellen of af te schaffen. De Heiland gaat er van uit, dat deze wet gehouden moet worden. Jezus is gekomen om zelf de wet te vervullen, d.w.z. om naar de wet te sterven tot betaling van de zonden, en door alle geboden volmaakt te volbrengen. Op die wijze wordt het ons eveneens in de brieven van Paulus geleerd. Men kan ook zeggen, dat de Zaligmaker is gekomen om aan de wet de volle gehoorzaamheid te verzekeren, die door haar geëist wordt en die bij haar past; haar eigenlijke en diepste bedoeling in het licht te stellen en tot erkenning te brengen. Maar hoe men het ook zegt: de wet blijft de wet, d.i. de uitdrukking van wat God van ons wil. Het kind des Heeren leert wel dieper verstaan, wat in de wet bedoeld wordt, maar krijgt geen andere wet. Het is trouwens moeilijk in te denken, wat in de wet veranderd zou moeten worden. Zij is de volmaakte uitdrukking van wat God wil!
Het einde van de wet is Christus
De uitdrukking 'wij hebben als wij Christus kennen niets meer met de wet te maken' is maar moeilijk te plaatsen. Als dit juist zou zijn, dan heeft de Heidelberger ongelijk als zij zo'n grote plaats toekent aan de wet in het stuk der dankbaarheid. Maar dan heeft ook de Heere Jezus ongelijk gehad, die de wet niet wilde wegdoen, maar tot volle geldigheid brengen. Dan heeft ook de Heilige Geest het mis gehad, toen Hij door Paulus schreef: 'wij bevestigen de wet'. Dit alles kunnen noch mogen wij aannemen.
Nu wordt wel eens gezegd, dat Christus het einde van de wet is. Ziet u — zo zegt men triomfantelijk — dat de wet niet meer van belang is? Het gaat om Christus, de volle Christus alleen! Dit zullen wij geenszins betwisten, niettemin is het toch wel goed om dan een tekst zoals die in Romeinen 10 : 4 staat geschreven rustig te bekijken. Wij lezen daar: 'Want het einde der wet is Christus, tot rechtvaardigheid een iegelijk, die gelooft'.
Wat betekent hier het woord 'einde'? Sommigen zeggen: doel(einde). Anderen zeggen: einde. Met Christus houdt de wet op. Laatstgenoemden zeggen dit echter wel met een beperkende bepaling. De wet die ophoudt is de wet als middel tot verkrijging van de gerechtigheid. Dat lijkt ons volkomen juist. Met de komst van Christus houden de offeranden op en alle bepalingen van de ceremoniële wet. Ook houdt iedere gedachte op, dat iemand door de onderhouding der geboden zalig zou kunnen worden. Met de komst van Christus in het hart, houdt deze gedachte ook bij de christen op. In die zin mogen wij spreken, dat Christus het einde van de wet is. Maar wij menen ook te mogen zeggen, dat Christus het doeleinde van de wet is. Hij was immers in de wetten van Israël beloofd en afgeschaduwd. Calvijn vertaalt het eerste gedeelte van Romeinen 10 : 4 als volgt en daarmee iets duidelijker: 'want de vervulling of voltooiing van de wet is Christus'. Calvijn schrijft: 'Iemand die door de werken der wet gerechtvaardigd zoekt te worden is een verkeerde uitlegger der wet, omdat de wet ons tot dit einde gegeven is, dat zij ons als aan de hand zou leiden tot een andere gerechtigheid. Ja, al wat de wet leert, al wat zij beveelt, al wat zij belooft, dat heeft altijd Christus tot doel; daarom moeten alle delen van de wet op Hem gericht worden. Dit kan echter niet geschieden, tenzij wij van alle gerechtigheid beroofd, ontsteld door de kennis der zonde, van Hem alleen gerechtigheid begeren, die uit genade geschonken wordt'.
Wij zullen het er wel over eens zijn, dat de wet voor de christen wegvalt, als middel tot verkrijging van de zaligheid. De gelovige heeft ook niets meer met haar vloek en straf te maken, doch wel haar openbaring van Gods heilige wil. Maar daarmee is de wet als zodanig niet opgeheven.
Rechtvaardigmaking en heiligmaking
Wij willen het bovenstaande ook nog van een andere kant bezien. Wellicht enigszins dogmatisch, ofschoon het zo zeker niet bedoeld is. Het gaat ons om de praktijk van het geloofsleven.
Welnu, in de rechtvaardigmaking worden wij van al onze zonde en schuld vrijgesproken. Dat is van toepassing op de schuld en zonde in het verleden, het heden en de toekomst. Dat wil vanzelfsprekend niet zeggen, dat de gerechtvaardigde dan in het heden en in de toekomst maar raak kan leven en zich kan overgeven aan allerlei losbandigheid. Wie dat mocht denken, verstaat van de rechtvaardiging van de goddeloze door het geloof niet zoveel. Een gerechtvaardigde wordt immers teer op de eer des Heeren? Bovendien moeten wij niet vergeten, dat de vrijspraak van zonde en schuld niet op zichzelf staat. De rechtvaardiging is niet los te denken van de heiliging. Direkt als het evangelie ons in Christus geopenbaard wordt, gaat de heiligmaking werken. Al eens eerder schreven wij dat rechtvaardigmaking en heiligmaking een tweeling is die tegelijkertijd geboren wordt. Hierop gaan wij nu niet verder in, omdat dit in eerdere artikelen vorig jaar uitvoerig uiteen is gezet. Wel schrijven wij neer, dat wij nog altijd niet aan de indruk ontkomen, dat zowel de rechtvaardigmaking als de heiligmaking te zeer als zelfstandige grootheden worden gezien en in plaats van onderscheiden gescheiden worden.
Maar alzo ligt het in het geloofsleven niet. Direkt komt bij de vrijspraak een hartelijk verlangen om met de zonde te breken en tot een nieuw godvruchtig leven te komen. Het behoort tot het wezen van het geloof om de zonden te belijden, om vergeving te zoeken voor de zonden bij Overste Leidsman en Voleinder des geloofs, maar het behoort niet minder tot het wezen van het geloof om de Heere welbehagelijk te leven. Dit laatste behoort bepaald niet tot het welwezen van het geloof, néén, tot het wezen daarvan.
Men begeert dus direkt tot een godvruchtig leven te komen. Dat verlangt men door de Heilige Geest. Er komt iets in het hart zoals dat bij Paulus werd aangetroffen, toen hij zo zei: 'Ik jaag ernaar of ik het ook grijpen mocht, waartoe ik van Christus ook gegrepen ben'. Wel is van belang te weten, dat deze heiligmaking geen vrucht van ons is, evenmin als de werken van de heiligmaking. De Heilige Geest past ons het werk van de heiligmaking, ja de heiligmaking — uit Christus genomen — ons toe. Wij krijgen het van de Ander om tot een ander, een nieuw godzalig leven te komen.
Het kan niet anders dat degenen die Christus door een waar geloof worden ingeplant niet zouden gaan doen de werken (zelfs goede werken!) uit dankbaarheid. Het bewaren en onderhouden van de wet wordt dan zelfs een kenmerk van het discipel zijn. Zegt Jezus zelf niet in Johannes 13 : 55: 'Hieraan zullen zij allen bekennen, dat gij Mijn discipelen zijt, zo gij liefde hebt onder elkander'. Opvallend is dat de discipelen in Johannes 13 een nieuw gebod van Jezus kregen. De Heere zegt tot ze: 'Een nieuw gebod geef Ik u, dat gij elkander liefhebt; gelijk Ik u liefgehad heb, dat ook gij elkander liefhebt'.
Niet tegenstrijdig met de wet van Mozes
Het gebeurt wel dat zij die de wet van Mozes in een museum van oudheden willen bijzetten zich beroepen op bovengenoemde tekst nl. Johannes 13 : 34. Jezus heeft een nieuw gebod gegeven, dus de tien geboden gelden niet meer. Maar is dat wel juist? Is het nieuwe gebod in tegenstelling met de decaloog en heft zij de wet van Mozes op? In geen geval! Het gebod der liefde is oud, ook reeds gegeven in de wet van Mozes, nl. Leviticus 19 : 18: maar gij zult uw naaste liefhebben als uzelven: Ik ben de HEERE'. Maar het gebod dat de Heere Jezus nu geeft is in bepaalde zin een nieuw gebod, omdat het op een nieuwe grond rust: het offer van Christus, en omdat het een nieuwe kring omvat, daar het geen algemene naastenliefde, maar christelijke broederliefde vraagt.
Het is dus zeker niet in tegenspraak met de wet van Mozes. Het Nieuwtestamentisch gebod is niet anders dan het Oudtestamentische. Gaat bovendien maar eens de evangeliën en de diverse brieven na. Hoe vaak wordt er gesproken over de wet van Mozes! Wij besluiten met een citaat uit het boekje 'De orde van het heil' van de hand van ds. W. L. Tukker: 'De wet is ten leven, dat was zij in de staat der rechtheid. Maar de mens is in de zonde gevallen, en nu komt Christus als de tweede Adam, en Hij verlost, en de Heilige Geest komt en schenkt ons die verlossing. En nu wordt dit gebod wederom ten leven. Als God dan ook Zijn wet geeft aan het vrijgemaakte Israël na de bondssluiting op Sinaï, dan geeft Hij Zijn gebod met dat 10-voudige "Gij zult... en Gij zult niet"; ingezet door de woorden:
"Ik ben de HEERE uw God, die u uit het diensthuis uitgeleid heb". De wet Gods nu wordt door 's Heeren kracht door de Zijnen volbracht'.
Een volgend keer willen wij eens nagaan, waarom de heiligmaking genormeerd is aan de wet!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 oktober 1984
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 oktober 1984
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's