Boekbesprekingen
Buitensporig Geloven. Studies over randkerkelijkheid, onder redactie van dr. J. M. Vlijm, Kok, Kampen 1983, 237 blz., ƒ 29, —.
Een werkgroep van de theologische faculteit van de V. U. heeft zich uitvoerig bezig gehouden met .de vragen rondom de 'Randkerkelijkheid'. In onze tijd, waarin wij allen te maken krijgen met deze vragen, is het een goede zaak zich daar indringend over te bezinnen. Daarom is dit boek, waarin de resultaten van dit onderzoek gebundeld zijn, actueel en bij de tijd. De titel 'Buitensporig geloven' nodigt uit dit boek ter hand te nemen en te lezen. De inhoudsopgave geeft daar nog meer aanleiding toe. Het boek is ingedeeld in 3 hoofdstukken:1. Randen vroeger en nu; 2. Beoordeling van 'Randkerkelijkheid'; 3. Bezinning op beleid.
In het eerste hoofdstuk wordt ingegaan op de kern en rand in Israels geloofsgemeenschap, de vroeg christelijke kerk als randverschijnsel, Conventikels en de moderne geloofsgemeenschappen, de evangelische beweging, de alternatieve gemeenten en de electronische kerk. Het is de bedoeling van de verschillende onderzoekers te laten zien dat er zowel in het Oude Testament als in het Nieuwe Testament bewijzen zijn dat zgn. randkerkelijken ook tot het volk Gods behoorden en legitiem waren. In het Oude Testament zijn daar vooral de Rechabieten een voorbeeld van. In het Nieuwe Testament en de vroeg-christelijke kerk is daarvoor het bewijs dat de christelijke gemeente bestond uit een kleine groep mensen, een minderheid, die als een sekte ervaren en behandeld werd, hoewel het proces van 'verzelfstandiging' van het christendom in latere tijd toenam. De vraag doet zich wel voor waarom Israël als Verbondsgemeenschap buiten het onderzoek is gelaten en in het Nieuwe Testament geen woord gerept wordt over Hand. 2 vers 42. Opmerkelijk ook dat, terwijl de beweging 'samen op weg' steeds van de zijde van de V.U. horen dat de Heere Jezus oproept tot eenheid, deze roeping geheel buiten beschouwing wordt gelaten. Of is het de bedoeling van de schrijvers ten koste van alles de randkerkelijke toch een legitieme plaats te geven binnen de geloofsgemeenschap? Naar mijn gedachte werkt deze opzet door in het gehele boek. Heeft de officiële kerk eigenlijk nog wel grenzen of moet men alleen maar spreken over randen die zo uitgestrekt zijn dat het einde ervan zoek is? Vlijm onderkent dit gevaar wel als hij schrijft over de alternatieve gemeenten. Hij noemt deze gemeenten 'uitverkoren voorhoedes'. Maar het gevaar dreigt dat zo'n voorhoede te ver vooruit trekt en de verbindingen met anderen verliest. Dan verandert de voorhoede in een groep zwervelingen. Maar vraag ik mij nu af: Moeten we van deze zwervelingen, die over de rand van de officiële kerk leven, ook nog zeggen dat zij daarom nog niet aan de rand van het Koninkrijk Gods staan?
De kern van heel dit boek ligt m.i. in de analyse van de vraag 'Wie kan nog een christen genoemd worden? ' Deze vraag wordt door Vroom beantwoord door een vijftal aspecten van het geloof
te noemen. Hij maakt aan de hand van deze aspecten duidelijk dat de grens vaag is en het de voorkeur verdient niet meer te spreken over de grenzen van de kerk, maar over de randen van de kerk. Zeker, er zijn wel grenzen. Waar het hart van het christelijke geloof wordt aangetast, is de grens bereikt. Dat is helder en klaar. Maar, zo stelt Vroom, het is niet zo gemakkelijk om te zeggen wanneer nu het hart van het christelijke geloof is aangetast. Daarvoor is er teveel verschil tussen christenen. Maar, zo vraag ik mij af, geeft de Bijbel deze grens dan niet aan? En als we zelf niet in staat zijn deze grens in Gods Woord te vinden, waarom valt Vroom dan niet terug op de belijdenisgeschriften van de kerk? Die laten er in ieder geval geen onzekerheid over bestaan. Maar deze komen in dit boek nauwelijks aan de orde, ook niet in het derde hoofdstuk over 'Bezinning op beleid'. De oplossing van het probleem van de 'randkerkelijkheid' ligt niet in de inspanning hen terug te brengen tot binnen de gemeente, maar hen een legale plaats te geven aan de rand van de gemeente en hen daar ook de sacramenten te geven. Desnoods moeten deze 'ambtshandelingen' los gemaakt worden van de predikant, aldus Vlijm. Hij vindt het ook onjuist om bij de bediening van de sacramenten te vragen naar de bereidheid zich in het kerkelijke leven te herintegreren. 'De dienst, die de predikant in zulke gevallen verricht, is niet een middel om mensen weer terug te brengen in de kerk, maar moet in zichzelf zinvol zijn.' Welke betekenis kent Vlijm dan toe aan de doop, als teken en zegel van de inlijving in het Verbond en de viering van het avondmaal als teken en zegel van het zijn in het Verbond? In feite blijft er van het kerk-zijn weinig of niets over. 'Kerkorde en kaartenbak zijn niet van belang als mensen aan de randen van de kerken om "ambtshandelingen" vragen.' Misschien zouden Vlijm en enkele andere schrijvers van dit boek ons eens een antwoord kunnen geven op de vraag: 'Waarom zou ik nog tot de kerk behoren en waarom zou ik nog naar de kerk gaan? ' Bij alle kritische vragen, welke dit boek oproept, is het toch goed het eens ter hand te nemen. Ieder die binnen de kerk bezig is heeft te maken met randkerkelijken. Veel van wat er onder hen leeft wordt in dit boek aan de orde gesteld. Bij veel wat wij niet gaarne over zouden nemen, staat er toch nog genoeg in om het ter harte te nemen en om er kennis van te nemen. Al is het alleen maar opdat wij weten wat er leeft binnen deze werkgroep van de V.U., juist ook met het oog op 'Samen op weg'.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 oktober 1984
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 oktober 1984
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's