Globaal bekeken
Van tijd tot tijd wordt mij toegezonden het blad De Vriend van oud en jong, een (overigens bekend) blad, waarin de stukken niet ondertekend zijn of het moet zijn met aanduidingen als Jan de Timmerman of de Bijbelcolporteur. Het is mij nooit duidelijk om welke reden bepaalde nummers worden gestuurd. Een aardig stukje trof ik intussen in het nummer van 4 oktober, getiteld 'Wat lazen de Vriendlezers 100 jaar geleden?' De anonieme auteur schrijft 'iets wat ons te binnen kwam'. Hier volgt het, zij het met (...) aan het eind, omdat er nog een mij onbekend vervolg kwam, waarin misschien plaats en naam van de persoon van het stukje, waarom het hier gaat, óók worden vermeld.
'Een 14-a 15-tal jaren geleden, waren we bij gelegenheid van 't Kerstfeest opgegaan naar een dorp, dicht bij Utrecht gelegen, om aldaar het Woord Gods te hooren verkondigen.
We richtten onze schreden niet naar een grootsch kerkgebouw, maar naar een stal, waarin verscheidene koeien stonden en welke stal zoowel des voor- als namiddags de vele hoorders bijna niet kon bevatten. Of daar dan zoo'n voornaam man spreken zou? Ja, met recht een voornaam man. En toch was hem dit naar het uiterlijke niet aan te zien, want in stede van een zwarten rok, witten das en ronden hoed of driekant hoofddeksel, droeg de man slechts een eenvoudig kort jasje, zwarte das en pet; maar - maar, weet ge wat hoofdzaak bij hem was en hem dus tot een voornaam persoon maakte? 't Was dit, dat hij door den Heere was geleerd; en die door den Heere mag onderwezen worden, kan woorden spreken van gezond verstand; woorden, die op geen school van menselijke wijsheid, hoe vermaard ook, ooit kunnen geleerd worden.
Nu 't waren dan ook woorden van gezond verstand, die over de lippen van den spreker vloeiden. Op de eenvoudigste, maar hartaangrijpendste wijze werden wij bij het groote wonder bepaald, hoe vóór meer dan achttien eeuwen de Eenswezende met den Vader en den Heiligen Geest, als de Redder van verlorenen in een beestenstal te Bethlehem geboren werd. "Wel hen, " zoo of omtrent sprak de man o.a. "die zich door Goddelijke genade in dat wonder mogen verdiepen en verlustigen en, in den geest voor de krib in Bethlehems stal nedervallende. Hem mogen aanbidden. Die, hoewel Hij is de Schepper van de einden der aarde, als een hulpeloos wicht daarin nederlag. Als hun God, Borg en Middelaar, zal Hij allen, die Hem door den Vader gegeven zijn, hier behoeden en beschermen, en hier namaals tot Zich opnemen in eeuwige heerlijkheid. - Wee echter degenen, die met dat groote Wonder niets ophebben en van het standpunt uitgaan, dat ze den Zoon niet behoeven te kussen, opdat Hij niet toorne. Zoo 't niet anders met hen wordt, hun deel zal zijn in de buitenste duisternis, waar weening zal zijn en knersing der tanden. Daarom, och! dat er nog in 't heden der genade een bedenken mochte plaats hebben, wat tot onzen eeuwigen vrede dienende is, eer morgen wellicht de deur op het nachtslot zou gedaan moeten worden."
Aller aandacht was aan den spreker gewijd, en een wonder mocht het genoemd worden, dat dezelve geen oogenblik zelf door de koebeesten werd afgetrokken. Krachtig bewijs er voor, wanneer we maar mogen opmerken, dat op het bevel des Heeren ook de dieren zwijgen. (...)'
***
De Afscheiding (1834) is meer dan overvloedig, om niet te zeggen overdadig herdacht. Elk blad, verschijnend binnen de Gereformeerde Gezindte permitteerde zich een heel nummer, soms extra dik, dat aan dit thema was gewijd en diverse boeken zagen het licht. De stem van hervormden daarbij klonk soms wel, soms niet, in ieder geval op het geheel genomen spaarzamenlijk.
Een beetje afstand nemend van het geschrevene moet dunkt me geconstateerd worden dat in het geheel vaak een zekere triumfantelijkheid doorklonk, die de droefenis, die toch aan elke schelding eigen is of althans moet zijn, overschaduwde.
'De Wachter Slons', orgaan van de Gereformeerde Gemeenten in Nederland, deed er betrekkelijk weinig aan. Misschien goed om juist daarom hier de stem van L. M. P. Scholten door te geven uit dit blad, in een artikeltje geschreven onder de titel 'Verlegenheid'.
Wat dreef de voormannen bij scheidingen? , vraagt hij zich af. Als we allen eens terug gingen tot de vraag wat de authentieke vaderen, ik bedoel dan van de Reformatie, dreef, wat zou er dan veel gewonnen zijn. Hier volgt het stuk.
'De afgelopen week vond de herdenking van de Afscheiding een hoogtepunt. Veel is deze dagen over de Afscheiding geschreven. Daarbij viel op, dat Hervormden van allerlei soort heftiger dan vroeger verdedigden waarom zij niet met de Afscheiding zijn meegegaan en ook niet zullen gaan. Ondanks de toenemende onderlinge tegenstellingen zijn zij in dat opzicht toch wel eensgezind.
Anderzijds was aan de zijde der kerken die uit de Afscheiding zijn voortgekomen, een zekere matheid te bespeuren. Bij sommigen van hen is dat te verklaren. Zij hebben de blik al helemaal gericht op hereniging met de Hervormde Kerk. Wij denken aan de Gereformeerde Kerken.
Maar ook bij hen met wie dat niet het geval is, was er duidelijke verlegenheid met de situatie te merken. In allerlei toonaarden is bij deze herdenkingen gewezen op de verdeeldheid, de véle kerken die uit de Afscheiding zijn voortgekomen. Uit verlegenheid kan weleens iets goeds voortkomen. Maar het zal er maar op aankomen, uit welke bron ze vloeit.
Die verlegenheid zou namelijk weleens het gevolg ervan kunnen zijn, dat wij met de strijd van de vaderen wier geestelijke nazaten wij ons noemen, niet goed raad meer weten. Die zo denken hebben de gedachte gekregen dat die vaderen de zaken op de spits gedreven hebben, hun standpunten verabsoluteerden in een zekere onverdraagzaamheid, en het goede in de ander niet meer wilden zien. Mannen als ds. De Cock, ds. Ledeboer, ds. Van Dijke, ds. Van den Oever, ds. Fransen, ds. Kersten, dr Steenblok ach, zij meenden geen andere mogelijkheid meer te zien dan een eigen afgezonderd kerkelijk leven, maar wij zien het nu wat beter en menen dat het toen ook nog wel anders gekund had. Wie zo denkt, is ook altijd bereid om aan te nemen, dat "er zoveel persoonlijks bijkwam". De uitdrukking "onze kerkelijke zonden" ligt hem voor in de mond.
Zulk spreken leidt evenwel tot niets.
Iets anders is het, wanneer er verlegenheid ontstaat omdat wij gevoelen, die heilige ernst en gedrevenheid te missen waarmee de vaderen gearbeid hebben. Als wij van die arbeid alleen maar geërfd hebben een vechten voor de handhaving van het eigen kerkelijk bestaan door middel van een naroepen van overgeleverde strijdleuzen (tégen de leer van de veronderstelde wedergeboorte, tégen de drieverbondenleer, tégen het algemeen aanbod), zonder dat wij er ook maar iets van beseffen om welke wezenlijke punten het gaat, is dat indroevig.
Die verlegenheid zou aan waarde winnen, wanneer wij de geschiedenis van ons kerkelijke leven gingen onderzoeken, en naspeurden waarom het de vorige geslachten ging, waaróm zij hun standpunt zo en niet anders hebben ingenomen, met alle gevolgen die daaruit voortkwamen, en welke wezenlijke zaken daarbij in geding waren.
Laten wij daarbij bedenken dat het gewicht van die zaken pas dan recht beseft wordt, wanneer de kernpunten waarom het in de kerkelijke strijd ging, niet meer "leerstukken" alleen zijn, maar zaken die de praktikale beleving van de leer der zaligheid raken. Dat mocht ons eens recht in de verlegenheid brengen. Er wordt zoveel gestreden (door de volgelingen van de voorgangers), waarvan we moeten zeggen dat de zaak waarom het gaat wel goed is, maar de manier waarop gestreden wordt, glad verkeerd. Hete hoofden, koude harten. En we hebben het al zo dikwijls opgemerkt, dat juist mensen die zó het hardste strijden "voor hun kerk", later terecht komen bij de verlegenen van de eerste soort die wij noemden. De zaak wel goed, maar de manier waaróp verkeerd. Doordat wat men naar voren brengt, in de grond van de zaak niet meer is dan napraten.
Als dat als oorzaak van de verlegenheid eens recht gezien en ingeleefd zou mogen worden, zou zulk een verlegenheid iets goeds kunnen voortbrengen, en het ware Sion Gods - dat één is krachtens de eenheid van het goddelijke genadewerk in hun harten - zou zich verblijden. Ach, waar mag de genade des ouden tijds wezen?'
***
Onder leiding van drs. K. Exalto en ondergetekende werd met een gezelschap van 35 personen een onvergetelijke reis naar Schotland gemaakt, waar o.a. historische plaatsen van de Schotse Reformator John Knox (1505 óf 1514-1558; het geboortejaar is ter discussie) werden bezocht.
Bezocht werd o.a. het John Knox House in Edinburgh (zie foto hieronder), dat in 1849 op de nominatie stond afgebroken te worden maar dat door een volksappèl bewaard bleef.
In de Scotsman van 1849 verschenen de volgende verzen, hieronder weergegeven in de oorspronkelijke taal en vertaald. Allereerst
'A voice from Knox 's corner Netherbow'
'Ye douce auld-farrant Edinbro' folks
Fling by your taunts, your jeers, and jokes;
Love ye the roof-tree o' John Knox?
Tjen act the gither
An' dinna flee like fechtin' cocks
At ane anither.
A' ye wha 's love wad still defend me!
A' ye wha helpin' han 's wad lend me,
'Ere wintry storms or ruins rend me,
O! grant my prayer.
An' sen' a hundred men to mend me
An' fecht nae mair.'
En verder, nadat het hof de order tot afbraak van de deken der gilden ongedaan had gemaakt, het volgende vers.
'Auld Reekie's bairns receive my thanks
For sendin' bolts an' screws an' cranks
An' bands an' beams, an' strong aik planks.
An' arms o' micht.
To set me ance mair on my shanks
Strong, hale, an' ticht!'
'Een roep van Knox' hoeksteen'
Gij vanouds kalme tuitjes van Edinburgh
Achteruitgezet vanwege uw schimpscheuten, spotternijen en grappen;
Hebt ge de nokbalk van John Knox lief?
Sla dan de handen ineen
En vecht niet langer als kemphanen tegen elkaar.
Als u nog wat liefde hebt neem het voor me op
Als u nog helpende handen hebt, leen me die
Vóór winterse stormen of vernielingen me uiteen scheuren,
O! luister naar mijn smeekbede.
En stuur een honderd mensen naar me toe om me op te knappen
En vecht niet langer
Kinderen van Edinburgh ontvang mijn dank
voor het sturen van bouten en schroeven en handvatten
en snoeren en balken en sterke eiken planken
en machtige werktuigen
om mij weer op mijn benen te zetten
stérk, flink en stevig.
Auld Reekie is de oude volksnaam voor Edinburgh.
Tenslotte nog enkele varia.
• Maarten Luther heeft gezegd dat men een overheid, die het verschil tussen goed en kwaad niet kent, moet wegbidden.
• Thomas Carlyle schreef in 1840 over John Knox: 'de enige Schot aan wie alle anderen, zijn land en de wereld een ereschuld hebben'.
• En een uitspraak van een tijdgenoot: 'hij droeg het grootste deel van de blaam voor al de moeilijkheden in Schotland na de moord op de cardinaal'.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 november 1984
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 november 1984
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's