Minderheidsnotitie voor Combi-synode
Samen op Weg
Aan de leden van de gecombineerde vergadering van de Generale Synode van de Nederlandse Hervormde Kerk en de Gereformeerde Kerken, te houden in november 1984.
L.S., Bij de stukken, die u voor de gecombineerde vergadering van de Generale Synode van de Nederlandse Hervormde Kerk en de Gereformeerde Kerken, te houden op 5 en 6 november a.s., ontving wil ik graag een aantal kritische opmerkingen maken. De stukken, die u toegezonden werden, vallen onder verantwoordelijkheid van de Raad van Deputaten. Het zou evenwel onjuist zijn als niet werd duidelijk gemaakt, dat de stukken op bepaalde wezenlijke punten niet door alle leden van de Raad worden onderschreven.
Ondergetekende ging in een laat stadium - medio 1983 - deel uitmaken van de Raad, nadat reeds een respectabel stuk werk was verricht gedurende een reeks van jaren én door de Raad zelf én door de onderscheiden werkgroepen. Stukken die reeds in een eindfase van behandeling waren, zijn tijdens mijn deelname aan de werkzaamheden van de Raad gedurende het laatste jaar intensief doorgesproken. Ik wil niet nalaten respect te betuigen voor al deze arbeid en dankbaarheid uit te spreken voor het vele goede in de stukken. Op die punten echter, waar het niet mogelijk bleek tot eenheid van gevoelen te komen, wil ik rekenschap geven van een afwijkende visie.
Ik besef wel dat formuleringen op zich de éne nieuwe kerk van de toekomst - als die er komt - niet zullen bepalen, omdat het wezenlijke van de kerk immers in de gemeenten zelf openbaar komt. Maar wanneer de formuleringen ten aanzien van belijden en beleid ondeugdelijk zijn, zal een gezonde samenhang van de gemeenten, met name ook als het gaat om opzicht en tucht, ook niet kunnen functioneren. Hieronder volgen daarom puntsgewijs mijn kritische noties, met name betrekking hebbend op die passages in de stukken, die het belijdende karakter van een herenigde kerk betreffen.
1. In de 'Verklaring van overeenstemming inzake samen kerk zijn' wordt het dynamische van het belijden, het 'bewegelijke' zó benadrukt, dat het duurzame karakter van de gereformeerde belijdenis voor een kerk, die in de traditie van de Reformatie wil staan en de naam gereformeerd zou mogen dragen, niet uit de verf komt. Als over het duurzame karakter van het belijden (niet van de belijdenis) wordt gesproken wordt dit toegepast op 'het belijden van de drieënige God, die ons in Jezus Christus deel geeft aan zijn heil', in verbondenheid met de kerk van alle eeuwen. Intussen wordt gezegd:
- Het angstvallig vasthouden van in een bepaalde tijd geformuleerde waarheden heeft vaak geleid tot verstoring van de eenheid.
- Het verlangen de waarheid verstaanbaar te betuigen kan leiden tot afstand nemen van de overgeleverde formuleringen (een constatering).
- De waarheid komt als een meervoud tot ons.
Mijn vragen zijn: om welke in een bepaalde tijd geformuleerde waarheden gaat het dan, van welke formuleringen moeten we afstand nemen, en hoe pluraal, hoe meervoudig is de waarheid?
Naar mijn overtuiging is in deze conceptie de belijdenis van de kerk der Reformatie niet meer norma normata, onder de Schriften als norma normana, maar is het belijden zó dynamisch gesteld dat de vraag rijst waar de belijdenis 'vlottend' wordt. Een kerk die haar gereformeerde belijdenis niet als spreekregel bezit en toepast zal in wezen niet gereformeerd zijn.
2. Expliciet komt de uitdrukking 'dynamisch' voor in het rapport van de werkgroep ad hoc 'Toekomstige Vormgeving'. Nadat gezegd is, dat de confessionele grondslag van 'deze reformatorische kerk' vastligt in de 3 algemene en 3 bijzondere belijdenisgeschriften, wordt gesproken over een ondertekeningsformulier voor predikanten, waarin verwoord staat de belofte van gehoorzaamheid aan de Schrift als enige norm voor leer en leven (gaarne accoord, v. d. G.) als ook de belofte van trouw aan de Koinonia van de kerk in een 'dynamische' binding aan de belijdenis.
Het is mij niet duidelijk hoe er sprake kan zijn van een dynamische binding aan de belijdenis, die tegelijkertijd als confessionele grondslag wordt gezien.
Gezegd wordt dat diegenen, die vandaag menen de strijd te moeten voeren 't.b.v. een herhaling van de confessie' de zin ervan onvoldoende hebben verstaan. Daartegen heb ik bezwaar. Het gaat een gereformeerde kerk toch óók om een telkens weer herhalen van wat naar de Schrift beleden is - tenzij uit de Schrift zélf wordt aangetoond dat de belijdenis op bepaalde punten onjuist is - en daarbij om een voortdurende actualisering van de belijdenis van de kerk der eeuwen? Bij 'dynamische binding' rijst de vraag waar de norm ligt van de dynamiek, en wie dan uitmaakt waar de 'beweging' over de grenzen der kerk heen gaat. Is met het uitspreken van een 'dynamische binding' ooit nog tuchtoefening mogelijk bij afwijking in de leer, zoals die in de confessie naar de Schriften is verwoord? Kan ieder zich niet op eigen 'dynamiek' beroepen? Dat het rapport van de werkgroep T.V. daarbij onder één noemer brengt die 'dynamische binding' en de koinonia gedachte, die ten grondslag ligt aan art. X van de kerkorde der Nederlandse Hervormde Kerk ('gemeenschap met de belijdenis der vaderen') is niet overtuigend. Bij de aanvaarding van de Kerkorde van 1951, leefden met name in de gereformeerde sector van de Ned. Herv. Kerk sterke bezwaren daartegen. Bezwaren die ik deel. Met erkenning van de terechte nadruk, die wordt gelegd op de 'religie van de belijdenis' in het woord gemeenschap in art. X, moet immers worden gezegd dat elke stroming, die beweert zich binnen de grenzen der kerk te bewegen, ook al is er sprake van afwijking van de belijdenis. Nadruk op de religie mag niet in mindering komen op de inhoud van de belijdenis. Geconstateerd wordt immers ook dat de confessie 'door voortgaande theologische bezinning en pluraliteit veel van haar samenbindende kracht verloor'.
Het komt mij bovendien voor dat het onjuist is dat een werkgroep ad-hoc in zo kort bestek zulke fundamentele uitspraken doet, die het belijden der kerk raken, naast datgene dat de werkgroep 'kernen van belijden' heeft geformuleerd. Het moet onduidelijk worden geacht welke status het stuk van de werkgroep T.V. in dit opzicht heeft naast 'de verklaring van overeenstemming inzake samen kerk zijn'.
3. Hoewel dankbaar mag worden geconstateerd, dat in de concept intentieverklaring gesproken wordt over de verbondenheid met de kerk der eeuwen in 'gelovig luisteren naar de Schrift' en 'in een traditie, die verwoord is in de belijdenissen der vroege kerk en in die van de Reformatie' wordt anderzijds m.i. te snel uitgesproken dat we de verschillende vormen van kerk zijn, die gestalte kregen in de tijd waarin wij afzonder-lijke wegen gingen, niet langer tegenover elkaar mogen worden gesteld. We kunnen niet komen tot een gemeenschappelijke ecclesiologische consensus en toch bestaan er kennelijk geen kerkscheidende faktoren meer (verg. 'de Verklaring van overeenstemming').
Als de noemer alleen 'gehoorzaamheid aan de Heer der kerk is' (intentieverklaring), zonder dat duidelijk wordt gemaakt waarin dan die gehoorzaamheid bestaat, krijgt hereniging een dubieuze basis. Zullen in de praktijk van het kerkelijke leven zich dan toch niet gemeente scheidende factoren kunnen voordoen. Dit klemt te meer daar 'de Verklaring van overeenstemming' zegt: 'het gaat in het bestaan van de kerk om rechte prediking, niet zozeer om een kerk die "de zuivere leer" heeft, alswel om een kerk waar het Evangelie verkondigd wordt'. De vraag is namelijk hoe het Evangelie verkondigd wordt en of de rechte prediking los mag staan van 'de zuivere leer'. Ook hier zal de norm toch moeten worden gelegd bij 'Schrift en belijdenis'. Is het intussen een symptoon dat als een 'zondenregister' wordt aangeduid er een verschuiving plaats vindt van die zonden, die in het klassieke avondmaalsformulier worden genoemd, naar de vragen van de macroethiek?
Concluderend wil ik opmerken dat de stukken, zoals die nu voorliggen, m.i. onvoldoende duidelijk het confessionele karakter van de kerk, m.b.t. binding aan belijdenis en de daarin genoemde kenmerken van de ware kerk (art. 27-29 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis) naar voren komt. Daarom blijft voor mij een klemmende vraag: zal de nieuwe kerk van de toekomst een gereformeerde of een oecumenisch-evangelische kerk zijn.
Ik besluit met de bede dat de Heilige Geest de kerk zal leiden in waarheid en eenheid.
J. V. d. Graaf,
lid van de Raad van Deputaten 'Samen op Weg'
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 november 1984
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 november 1984
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's