Evangelisch zonder de wet? (3)
In de heiligmaking die als een schone plant uit de rechtvaardigmaking opbloeit krijgt de wet Gods voluit een plaats.
In de voorgaande artikelen hebben wij geprobeerd aan te tonen, dat Christus weliswaar door Zijn borgtochtelijk lijden en sterven de wet heeft vervuld, maar volstrekt niet heeft afgeschaft. Om die reden zal een gelovige nooit óf te nimmer kunnen zeggen, dat men met de wet God niets meer te maken heeft. Men krijgt zelfs een lust en liefde tot Gods wet. In de heiligmaking die als een schone plant uit de rechtvaardigmaking opbloeit krijgt de wet Gods voluit een plaats. Wat is dat voor een heiligmaking waarin het leven niet meer is genormeerd aan de uitgedrukte wil van God? Zal ons hart uitmaken wat goed of slecht is? Zullen wij zelf bepalen wat goede werken zijn? Dat nooit of te nimmer!
Criteria
De Heidelberger houdt ons enige criteria voor als het gaat om de goede werken d.i. in het leven van de heiligmaking. In zondag 33 wordt de vraag gesteld 'maar wat zijn goede werken?' Waarop als antwoord wordt gegeven 'alleen die uit waar geloof, naar de wet Gods, alleen Hem ter ere geschieden, en niet die op ons goeddunken of op menseninzettingen gegrond zijn'. Als eerste wordt ons in dit antwoord de bron aangewezen waaruit al ons doen en laten in het maatschappelijk-, kerkelijk- en persoonlijk leven moet opkomen nl. uit een waar geloof. Twee mensen kunnen hetzelfde doen. Dat wil echter nog niet zeggen dat dit hetzelfde is. Een wel heel duidelijk voorbeeld daarvan vinden wij in Genesis 4. Twee broers, Kaïn en Abel, brengen een offer. Abel deed het uit het geloof. Kaïn niet. Het hart van Abel was gericht op de Heere en Zijn dienst, dat van Kaïn niet. Van de buitenkant is dat zo niet te zien, maar God ziet dat wel. Het gaat dus om het geloof. Wat uit het geloof wordt gedaan is goed. Niettemin mag de wét Gods als tweede criterium niet ontbreken. Immers, inzettingen van mensen, bepalingen en verordeningen kunnen geen maatstaf zijn voor ons doen en laten. De ene generatie zal deze inzettingen, bepalingen en verordeningen kennen, een andere generatie weer niet. Hiertegen behoeven wij geen bezwaren te hebben als wij die inzettingen etc. altijd maar toetsen aan Gods Woord. Wel zullen wij ze krachtig van de hand moeten wijzen indien zij in strijd zijn met de Schrift. Wij mógen erg gesteld zijn op de traditie en allerlei vormen en inzettingen die daaruit ons overgeleverd zijn. Desondanks zullen wij ze altijd moeten toetsen aan het Woord. Onze 'gereformeerde vaderen' hebben zeker niet bedoeld, dat inzettingen, bepalingen en verordeningen die in hun tijd van belang waren door ons klakkeloos zouden worden overgenomen. Bovendien moet vermeld worden, dat dit alles voor hen ook geen criterium was voor het doen en laten. Dat geldt evenzeer voor ons 'goeddunken'. Ook hiermee moeten wij uiterst voorzichtig omgaan. Het is bepaald niet uitgesloten dat bepaalde dingen kwaad zijn, terwijl wij menen dat zij goed zijn. Ook na eens ontvangen genade blijft ons hart bedriegelijk. Wij halen wel eens dingen naar ons toe die wij graag willen, maar toch niet in overeenstemming zijn met de wil des Heeren. Het criterium ligt daarom niet in onszelf. Ook niet in ons geweten! Sommige menen dat het geweten een maatstaf is voor goed en kwaad. Voorzover het geweten functioneert zal het ons waarschuwen, maar onfeilbaar is het bepaald niet. Want hoevelen leven over hun geweten heen? Iemand heeft het geweten wel eens vergeleken met een klok. Het moet steeds bijgesteld worden d.w.z. afgestemd worden op het Woord Gods. Maar waardoor zullen wij dan ons doen en laten laten bepalen? Wel, door de wet Gods. Wij kunnen alleen datgene goed noemen dat beantwoordt aan Gods wet. Dat is de enige en zuivere maatstaf. Ons doen en laten komt dus op uit het geloof en is genormeerd aan Gods wet. En het uiteindelijke doel daarvan is: de eer van God. Zoals dat was in het paradijs, zo wordt het ook weer wanneer de Heere het nieuwe leven in ons werkt. Weliswaar in beginsel, maar toch... het is aanwezig. Het is daarom uitgesloten, dat iemand zegt evangelisch óf gelovig te zijn zonder de wet Gods. Het luistert immers zo nauw - geloof en wet - dat men zich in alle gemoede afvraagt: is het wel het bijbelse geloof waarin de wet niet meer functioneert, kortom is afgeschaft? Wij menen dit toch ernstig te moeten betwijfelen. Wij zouden hiertegen ook ernstig willen waarschuwen a) omdat dit op de Schrift niet te gronden is en b) omdat wij hierin doperse tendenzen horen die in strijd zijn met het leven des geloofs. Nu moeten wij niet denken dat deze doperse tendenzen van vandaag of gisteren zijn. Wie de kerkgeschiedenis van na de reformatie enigszins kent weet hoe deze doperse neigingen altijd aanwezig zijn geweest en tot welke schandelijkheden ze hebben geleid, omdat de wet Gods niet meer in ere werd gehouden én in overeenstemming daarmee geleefd. Anti-nomianen zijn er altijd geweest. De ene tijd in dit jasje, de andere tijd weer in een ander jasje. Het gaat er ons om, dat wij zien in welk jasje zij in onze tijd zijn gehuld. Want in iedere tijd ziet de jas er anders uit, maar wat er in gehuld gaat is in iedere tijd hetzelfde.
Bindend voor alle tijden
Afgezien nu van het feit dat in de heiliging van het leven de wet een grote plaats inneemt, kunnen wij heel algemeen zeggen, dat de wet geldt voor alle tijden en zij een bindende kracht heeft voor alle volken, ja voor alle mensen.
Terecht kan worden opgemerkt dat zij formeel aan Israël is gegeven. Israël ontving de paradijswet (zie hierboven het eerste artikel) op twee stenen tafelen, toen het een eigen volksbestaan kreeg, verlost uit het diensthuis der slavernij d.i. Egypte. Israël kreeg toen zelfs meerdere wetten met een min of meer schaduwachtig karakter. Van deze wetten moet gezegd worden dat zij een voorbijgaand karakter hadden. De decaloog (de tien geboden) daarentegen was in analogie met de paradijswet de onveranderlijke grondwet. De bedoeling van deze grondwet was, dat Israël deze woorden Gods zou doorgeven aan de volken. In dat doorgeven had Israël dus een missionaire taak. Nu zal het waar zijn, dat de vorm van deze grondwet een sterk Israëlitische stempel draagt. Te denken valt o.a. aan de woorden 'os en ezel' die wij regelmatig tegenkomen. Wij moeten echter niet zozeer op de vorm letten als wel op de inhoud. Immers, op de inhoud komt het aan. En die geldt voor iedereen. Hetzij men hoog-, hetzij men laaggeplaatst is, zij is voor iedereen bindend. Er is geen aparte wet voor verschillende volken, ook niet voor verschillende standen. Zonder onderscheid heeft ieder mens zich aan de wet Gods te houden.
Een staf in de hand
In de heiliging van het leven wordt de wet Gods als 't ware de staf in de hand waarmee wij de weg vinden die door het ravijngebied (d.i. het leven) loopt. De wet leert ons het smalle pad te gaan. Zij is de norm en de regel van onze handel en wandel. Opvallend is dat zij voor de christen een regel der dankbaarheid gaat vormen. 't Is waar, de wet heeft ook een verdoemende kracht. Zij leert ons ook onze ellende recht kennen. Zij drijft ons uit tot Christus die haar heeft vervuld. Maar het wil niet zeggen, dat wij van de wet af zijn als wij het leven in Christus gezocht en gevonden hebben. De wet komt terug in ons leven. Zij komt zelfs tot in de kleinste details terug om ons te wijzen, hoe wij te handelen en te wandelen hebben om de Heere onze dankbaarheid te tonen voor de verlossing die ons deelachtig is geworden.
Het opschrift boven de wet luidt niet voor niets: 'Ik ben de Heere, uw God, die u uit Egypteland, uit het diensthuis uitgeleid heb'. Hierna volgen dan de tien geboden. Het is alsof de Heere met het opschrift van de wet wil zeggen: 'dit deed Ik voor u, wandel nu voor Mijn aangezicht en wees oprecht in het onderhouden van Mijn geboden'.
Zó wordt de wet Gods een staf in onze hand. Door Christus worden wij vrijgemaakt van de vloek van de wet, maar van de wet zelf komen wij niet af. Integendeel, wij worden door het geloof juist meer en meer aan de uitgedrukte wil Gods gebonden. De wet wordt ons lief! Met de dichter leren wij zeggen: 'zij is de ganse dag mijn vermaking'. Wij lazen ergens: 'Christus heeft de wet voor ons volbracht, maar gaat nog steeds voort de wet in ons te volbrengen'. Wij menen dat dit een juist gezegde is. Daarom: als wij die wet doen uit dankbaarheid, is het Christus, die dat in ons doet. Zijn spijze was het de wil des Vaders te doen, en zó leert Hij het de Zijnen ook doen, door de Heilige Geest. Wonder van genade dat hierop nog loon staat ook nl. genadeloon. Wat hebben wij toch met een machtig en rijk God te doen. Een God die het waard is bemind worden om Wie Hij is, om wat Hij heeft en om wat Hij geeft. Een God die het waard is om vanuit het geloof Zijn goede wet te onderhouden en deze te concretiseren in alle delen van het leven. Dat heeft niets met wettisch te maken, maar wel alles met het bijbelse geloof. Ons gebed blijft derhalve:
'Och, of wij Uw geboôn volbrachten!
Gena, o hoogste Majesteit!
Gun door 't geloof in Christus krachten,
om die te doen uit dankbaarheid'.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 november 1984
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 november 1984
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's