De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Over vertalen en een nieuwe vertaling (4)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Over vertalen en een nieuwe vertaling (4)

Groot Nieuws Bijbel

11 minuten leestijd

Het woord zegen, dat menigmaal in het Oude Testament voorkomt is een woord van bijzonder gewicht.

Zegen en zegenen

Het woord zegen, dat menigmaal in het Oude Testament voorkomt is een woord van bijzonder gewicht. In de Groot-Nieuws-Bijbel o.a. in de volgende plaatsen. God gaf Zijn zegen Gen. 1 : 28. In Deut. 28 : 20 is sprake van zegen en vloek. Deut. 11 : 26. Vandaag geef ik je de keuze tussen zegen en vloek (St.vert. Ziet, ik stel ulieden heden voor zegen en vloek) - een vertaling die ik toch liever heb, ondanks het Hebr. nathan, geven, 1 Kron. 13 : 14, Gen. 32 : 29. Met de invulling van het woord ben ik het meer dan eenmaal niet eens: Ez. 34 : 27 spreekt van groeizame regen (St.vert. plasregens van zegen). Spr. 11 : 25: GN vertaalt hier: Wie goed doet, goed ontmoet. St.vert.: De zegenende ziel zal vet gemaakt worden. Bleeker vertaalt: De zegenende ziel wordt overvloedig verkwikt. Spr. 11 : 26 luidt in de GN-vertaling: Wie koren achterhoudt wordt door het volk vervloekt; wie het te koop aanbiedt wordt al het goede toegewenst. Wat is zegen hier? Gen. 24 : 1: De Heere had hem (Abraham) in alles gezegend (St.vert.). GN: De Heere had hem in alles voorspoed gegeven. Ps. 21 : 4 St.vert.: Gij komt hem voor met zegeningen van het goede. GN: U gaf hem voorspoed en welvaart. Jer. 17 : 7, hier spreekt de St.vert.: Gezegend is de man, die op den Heere vertrouwt... GN: Maar wie op mij vertrouwt, zijn heil zoekt bij mij, hem gaat het goed. Gen. 28 : 14 wordt in GN vertaald met: Alle bewoners van de aarde zullen delen in jullie voorspoed. (St.vert.: In u en in uw zaad zullen alle geslachten der aarde gezegend worden. Vergelijk ook Gal. 3 : 8). Ps. 28 : 9, GN: Bevrijd uw volk. Heer, en maak het welvarend en leid hen als een herder, draag zorg voor hen voor altijd. St. vert.: Verlos uw volk en zegen uw erve en weid hen en verhef hen tot in eeuwigheid. In Richt. 5 : 24 heeft de St.vert. Gezegend zij boven de vrouwen Jaël; GN. Hulde aan Jaël (de Hebr. tekst heeft een passieve vorm van barak, zegenen). In Ps. 72 : 17 vertaalt GN: De volken zullen in zijn voorspoed delen en zich met hem gelukkig prijzen. De St.vert.: Zij zullen in hem gezegend worden; alle heidenen zullen hem welgelukzalig roemen. In Lev. 5 : 1 wordt over de vloek niet gesproken. Men is het over de uitleg verre van eens. Gaat het over iemand, die een vloek hoorde en die de schuldige niet aanklaagde? Of gaat het over iemand die met een vloek bedreigd wordt als hij zich niet meldt voor een openbare rechtszaak? Ik noem deze tekst alleen, omdat het woord vloek in de Hebr. tekst wel voorkomt.

In Deut. 30 : 19 wordt vermaand tot keuze tussen zegen en vloek, tussen leven en dood. Als nu zegen vertaald wordt met voorspoed, is dan vloek tegenspoed? Niemand zal daaraan denken. Maar dan is zegen ook meer dan voorspoed! Leven is een genadevolle verbondenheid met God, een leven in Zijn gemeenschap. De zwaarste vloek is: Gaat weg van mij. De rijkste zegen is nabij Hem te zijn. Vertaling van dit grondwoord met voorspoed betekent een geestelijke verarming, een devaluatie. Ik geloof niet, dat ik aan de vertaling met dit oordeel onrecht doe. Dat moge ook uitkomen in de vertaling van de oud-testamentische zegenbede in GN: Moge de Heer u voorspoed geven en u in bescherming nemen/moge de Heer u welwillend aanzien en zich over u ontfermen/moge de Heer over u waken en u geluk en vrede schenken. Zeg ik teveel als ik spreek van een geseculariseerde bijbel?

De toorn Gods

Bedenkingen heb ik ook tegen de weergave van de Hebreeuwse woorden, die betrekking hebben op de toorn Gods. In het algemeen wordt hier het woord woede gebruikt, ook wel in seculair verband. Als voorbeeld citeer ik Gen 30 : 2 in de vertaling van de GN-Bijbel: Jakob werd woedend tegen Rachel. Ik neem toch de plaats van God niet in? Hij heeft je geen kinderen gegund (St. vert, geweerd: m.i. onthouden of ontzegd). Vele malen is in GN sprake van de woede Gods, Ps. 79 : 5: Heer, hoe lang moet dat nog duren? Bent u voor altijd kwaad (St.vert.: Zult gij eeuwig toornen?). Koel uw woede op die veroveraar, op de volken, die u niet kennen (St.vert.: Stort uw grimmigheid uit over de heidenen). Ps. 90 : 7, GN: Uw woede teistert óns. Ps. 90 : 11: Wie beseft hoe verschrikkelijk uw woede is? Nog verder gaat de vertaling van Ez. 5 : 13: Ik zal mijn woede en razernij op hen koelen (ook overigens heb ik bezwaar tegen deze vertaling). Als ik zo mijn woede en razernij op je gekoeld heb, zal ik tot rust komen (Ez. 16 : 42). Ter vergelijking haal ik hier aan de St.vert. van Ez. 16 : 38: Ik zal u overgeven aan het bloed der grimmigheid en des ijvers. Nader verwijs ik naar Ex. 22 : 23 (24), naar Hoz. 13 : 11. Woedend plette ik de volken, in mijn razernij vertrapte ik hen, Jes. 63 : 3. In Num. 11 : 10 luidt GN: Mozes verloor de moed, omdat de Here opnieuw woedend was (St.vert.: De toorn Gods ontstak zeer; ook was het kwaad in de ogen van Mozes.) - Wordt het Mozes te veel om voortdurend middelaar te zijn? ) Zie ook Ps. 78 : 49v: Ps. 30 (...woedend voor een ogenblik). Waarom heeft men bij de vertaling niet meer van toorn gesproken, zoals men ook in Joh. 3 : 39 vertaalt: Maar God blijft op hem vertoornd. (St.vert.: ..maar de toorn Gods blijft op hem.)

Er is hier meer aan de orde dan alleen een gevoels- of gewenningskwestie ten aanzien van een bepaalde uitdrukking. Het gaat er om of de gekozen vertaling dat aspect van het Hebr. woord vertolkt, dat met het geïnspireerde woord is gegeven, en dat in het verband van de tekst. De mens is naar het beeld Gods geschapen. Daarmee hangen samen de anthropomorfe en anthropopathe uitdrukkingen in dogmatiek. Wij spreken van Gods handen en Gods voeten, ook van Gods gedachten. Mag nu 'alles' van de mens op God worden overgebracht. Zijn er ergens grenzen? Hier raak ik een belangrijk stuk van de dogmatiek aan, waarvan E. Böhl in zijn Dogmatik (1877) schreef, dat het stuk van de eigenschappen Gods een onderwerp was, dat door de reformatoren (Melanchton en Calvijn) meer dan verantwoord was verwaarloosd. Het is om te beven, als we lezen van de straffende oordelen des Heeren over Israël vanwege haar ontrouw. Is het vreemd als de profeten spreken van de zondaren die beven, wie kan het uithouden bij een verterend vuur? (Jes. 33 : 10, GN spreekt van een laaiend vuur.) Berkhof in zijn uitvoerig werk over Christelijk geloof bespreekt dit probleem vrij uitvoerig. Niet alle beelden ontleend aan de mens en de menselijke natuur kunnen in oneingelijke zin op God toegepast worden. Hij noemt twee terreinen die hier beslist buiten vallen: de dierenwereld en de seksualiteit. Wat de toorn Gods betreft meen ik dat het niet juist is, als GN voortdurend van Gods woede spreekt. Ons woord woede heeft iets in zich van een gebrek aan zelfbeheersing van de mens die zich erg boos maakt, uiting van een gemis, aan zelfcontrole. Toorn kan constructief zijn; woede is alleen maar destructief; woede is iets agressiefs. Er kan wel gesproken worden van een heilige toorn, maar niet van een heilige woede. Wij hebben geen God in de hemel, die apathisch is voor alle reilen en zeilen van de wereld; de Schrift spreekt van Goddelijke bewogenheid, de zonde raakt Hem en wie kent de sterkte van Zijn toorn? Het woord woede doet eerder denken aan de heidense Jupiter met zijn dreigende 'quos ego' - 'ik zal ze' dan aan Hem, tot wie de psalmist in diepe afhankelijkheid roept: Wees mij niet af in toorn, Ps. 27 : 9. Laat uw woede varen, Ps. 38 : 2 (GN). Hebben de vertalers gevoeld, dat men in een pleidooi niet van woede spreken kan? Richt. 9 : 6-39. Gen. 44 : 18: Ik vraag u om niet kwaad op mij te worden, GN. Jer. 6:11 wordt in GN weergegeven met Ik ben net zo kwaad als u (St.vert.: ..vol van de Heeren grimmigheid): Ik kan mij niet voorstellen, dat Jeremia dat gezegd heeft, nl. net als u!.

Ik besluit dit gedeelte met een woord van Louis Vives (1538, de vader van de moderne psychologie): 'primitieve woede, het verschrikkelijke en huiveringwekkende dier in ons'.

Wonderen

Verscheidene malen komt in de GN-vertaling het woord wonder voor, bijv. Ps. 119 : 129: Wonderen zijn uw woorden, Joz. 3 : 5, Job 37 : 1 16. Soms wordt in plaats van wonder gesproken van grote daden (Ps. 71 : 17, het hier gebruikte woord hangt samen met pälä, dat ook in Jes. 9 : 5 voorkomt, wonderlijk) Ps. 72 : 18 wordt vertaald met: Dank aan God, de Heer (in het Hebr. een passieve vorm van barak - zegenen), aan de God van Israël, Hij doet grootse daden, Hij alleen. In Ps. 77 : 15 wordt gesproken van grootse daden in parallellie met wonderen. In Jes. 9 : 5 (St.vert.: Wonderlijk, raad) heeft GN: Prachtige bestuurder. Ps. 139 : 6 (St.vert.: De kennis is mij te wonderbaar), GN: Het gaat mijn verstand te boven (waarom niet wonderbaar of wonderlijk?).

Goedertierenheid

Een ander veel voorkomend grondwoord is chäsäd (in St.vert. 144 maal vertaald met goedertierenheid, 84 maal met goeddadigheid, weldadigheid. GN. geeft dit woord weer met liefde, Ps. 145 : 17; trouw, Neh. 1 : 5; goedheid, Ps. 33 : 18). Eén voorbeeld, 2 Kron. 20 : 21: Breng eer aan de Heer, want eeuwig duurt zijn liefde.

Met het Hebreeuwse woord voor goedertierenheid hangt samen het woord dat door de St.vert. is weergegeven met gunstgenoot (chasid), in GN met: wie hem trouw zijn Ps. 37 : 28, met getrouwen Ps. 116 : 15, met gunstelingen Ps. 85 : 2, met getrouwe dienaren Ps. 145 : 10. Er zit in deze grondwoorden iets van het verbond Gods. Men heeft wel verdedigd (Snaith) dat het ene woord (Chäsad) verbondsliefde is en het andere woord (ahaba) verkiezende liefde. Dit gaat te ver, omdat beide woorden soms naast elkaar als synoniemen voorkomen, maar dat deze woorden een bijzondere verbondsrelatie in zich sluiten mag niet worden verwaarloosd. De vertaling van chasid met gunstgenoot (zo de St.vert. 22 keer, vlg. Trommius) is ongetwijfeld de beste. In de passieve vorm ligt de gedachte: het gaat niet om de trouw van de psalmist, maar om de trouw Gods, die nooit laat varen het werk Zijner handen. De psalmist(en) heeft de weldaden Gods ontvangen, ondergaan, ervaren (er is niets van de mens bij). (H. J. Stoebe schrijft in Theol. Wörterb. z. A.T., I. Sp. 620: met de uitdrukking gunstgenoot schijnt Brongers de betekenis van chasid goed getroffen te hebben. De schrijver had er geen erg in, dat Brongers hier in een oude traditie staat.)

Heil

Ook ten aanzien van het woord heil, dat vele malen voorkomt in de St.vert. en ook in menige moderne overzetting vind ik de GN-Bijbel geen winst. Hoz. 13 : 4, St.vert.: Daar is geen Heiland dan ik. GN.: Buiten mij is er niemand die redt. Het grondwoord jasja met de daarmede samenhangende vormen wordt in GN vertaald met redden, Ex. 14 : 13, behouden, Ex. 15 : 2, met bevrijden, Hab. 3 : 18, Ps. 18 : 47, met helpen 1 Sam. 2:1: GN: ik ben blij, want hij heeft mij geholpen. St.vert.: ik verheug mij in uw heil - Ps. 27 : 1 GN, De Heer is mijn licht, mijn behoud - 1 Kron. 16 : 23 GN: verkondig iedere dag opnieuw: Hij is ons behoud. St.vert. Boodschapt zijn heil van dag tot dag. Ook Jer. 3 : 23 heeft GN bevrijden en de St.vert. heil. Heil en gerechtigheid zullen in eeuwigheid duren Jes. 51:6 GN: de redding die ik breng zal altijd duren. Het woord, dat we in het algemeen met heil weergeven heeft een grote meerwaarde, het is open naar de open toekomst. De Griekse vertaling heeft hier sotèria en daarmee hangt samen het woord sotèr (Zaligmaker). Het grondwoord gaat verre uit boven uiterlijke verlossing en bevrijding. Als de Schrift spreekt van God mijns heils, dan is er sprake van dezelfde stam als de naam van Jezus. En als wij spreken van de God onzes heils, dan gaat het om dat grote goed, dat Christus voor Zijn kerk heeft verworven en verwer­kelijkt. De Gr. vertaling heeft in Ps. 27 : 1 De Heer - is mijn soter; een zelfde woord als in Matth. 1 : 21. In 2 Tim. 2 : 10: wij zullen in Christus redding en eeuwig geluk vinden. Men wijst er ook wel op dat jasja, grondwoord van heil en hulp - vooral in latere tijd - betrekking heeft op het eschatologisch handelen Gods (Stolz e.a.). Daar komt het open zijn naar de toekomst uit. Ook bij het woord welgelukzalig (zalig) wordt er op gewezen, dat het gepaster is te spreken van heil of zalig dan van gelukkig (zo G. Strecker).

Ook ten aanzien van het woord heiligen heb ik wel opmerkingen. In Gen. 2 : 3 vertaalt GN God gaf de zevende dag zijn zegen en maakte er een bijzondere dag van. In Ex. 20:10: de zevende, de sabbat is een vrije dag, die aan mij, de Heer, je God is gewijd. Waarom komt het woord heiligen niet voor? Bij heiligen gaat het om 'afzondering voor de dienst des Heeren', geen afzondering van dit of dat, maar afzondering vóór de dienst der Heeren.

Het woord heilig is meer dan eens weg-vertaald. Eén voorbeeld: Ps. 105 : 42 St.vert.: Hij gedacht aan Zijn heilig woord (zelfde vertaling in de Septuaginta). GN: Hij bleef trouw aan de plechtige beloften aan Abraham, zijn dienaar gedaan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 november 1984

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Over vertalen en een nieuwe vertaling (4)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 november 1984

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's