Barmen, Nederland en het kerkelijk verzet (2)
Barmen 1934 zegt: kerk en overheid staan in de taak van het dienen van God, maar op onderscheiden wijze en in vrijheid jegens elkander.
Inleiding
In de Nederlanden is altijd en dan ook rond de Tweede Wereldoorlog de verhouding tussen kerk en staat een belangrijke aangelegenheid geweest. Beginnen wij bij de Reformatietijd, dan moeten we zeggen: het ontstaan van de Republiek der Verenigde Nederlanden draagt de sporen van een gereformeerde verzetstheologie, die ten dele van Zwingli afstamt, ten dele van Calvijn afkomstig is. Van Zwingli, inzoverre er van patriottisch-demokratische en nationale aspekten sprake is; van Calvijn en zijn opvolgers, als het gaat om de aristokratische en theokratische elementen van het verzet tegen de hoge overheid. Direkt waren in de Nederlanden van invloed de leringen van Althusius en van de gereformeerde monarchomachen (bestrijders van absolute vorsten en hun despotische opvattingen). Althusius was diepgaand door Zwingli beïnvloed. In hoeverre de calvinisten Languet en Du Plessis-Mornay, beide met prins Willem I verbonden, zuiver calvinistisch gedachtengoed hebben voorgedragen, is nog altijd een vraag. In elk geval is hun verzetsrecht tegen de hoge overheid een niet-calvinistische gedachte: men denke slechts aan wat Calvijn aan het slot van zijn brief aan Frans I ter inleiding tot de Institutie schrijft over wat er gebeurt, wanneer de koning niet naar de allerbillijkste verzoeken van zijn onderdanen luistert. Dan zullen ze niet tegen hem in opstand komen, maar zich als slachtschapen gedragen, echter in de verwachting van de krachtige hand des Heeren. God zal recht doen. Van een calvinistisch verzetsrecht is althans bij Calvijn in het geval van de hoogste overheid geen sprake.
Zeven jaren voor het begin van de tachtigjarige oorlog schrijft Guido de Brès artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis. De daarin verwoorde theokratische opvatting van de overheid en haar taak werkt in de Nederlanden door, en de afzwering van Filips II als landsheer (1581) doet de vraag van het verzetsrecht herleven. Niet ieder dacht over de politieke verhoudingen en dus ook over de verhouding tussen kerk en staat gelijk. De spanningen op dit gebied gingen terug op twee groepen, waarvan de een haar vertegenwoordigers vond in de calvinistische kringen en gemeenten en de ander een rij van leidinggevenden uit hoge adel en stadsregenten onder zich telde.
Aanvankelijk was het protest tegen het Spaanse absolutisme zó sterk, dat de verschillen overbrugd werden door het gemeenschappelijke vrijheidsideaal. Het ging om een vrijheid die niet alleen de oude stads- en standenrechten moest garanderen, maar ook de aanhangers van de Reformatie vrijheid van godsdienstuitoefening moest geven. Toen echter rond de uitoefening van de tucht, de geldigheid van de kerkorde en de strekking van de binding aan de belijdenis er onenigheid ontstond, bleek hoe krachtig de wens naar tolerantie en leervrijheid bij velen leefde en hoe diep deze idealen geworteld waren. Zij werden ondersteund door het feit dat het huis Oranje-Nassau nooit een koningshuis in de Middeleeuwse zin geweest is, maar altijd een standhouderlijke familie met door een parlementaire demokratie beperkte volmachten bleef. Willem II werd koning van Engeland, maar dit betekende nauwelijks een vergroting van zijn gezag in de Nederlanden. Een duidelijke, door ieder erkende grens aan de macht van de overheid, ook in godsdienstige aangelegenheden vormde artikel 13 van de Unie van Utrecht: ieder moest in zijn eigen godsdienstige mening onaangetast blijven. We vinden het terug in de Politica Ecclesiastica van Voetius, waar deze schrijft dat het geweten en gezinsleven vrij moeten blijven van elke overheidsverplichting en welke dwang ook maar.
De strijd tussen remonstranten en contraremonstranten heeft de verschillen op deze punten tot inzet gemaakt van wat bijna een burgeroorlog werd. Het ingrijpen van de overheid in de theologische twisten was volgens de remonstranten en libertijnen (hen die stonden op leervrijheid e.d.) een noodzaak, opdat vrede en eenheid in de kerk gewaarborgd werden. Maar zij die deze politiek-voorstonden, hebben niet (willen) verstaan dat hiermee ook principieel de poort voor de theokratie aan de andere zijde geopend werd. Tussen 1610 en 1616 zagen de zgn. contraremonstranten tot hun leedwezen, dat hun invloed vooral in Holland en Utrecht taande en dat hun plaatsen, vooral in veel steden, werden ingenomen door remonstranten, terwijl zij een goed heenkomen moesten zoeken naar andere kerken en plaatsen: men denke aan het uitwijken van de contraremonstranten in Den Haag naar de Kloosterkerk, in gezelschap o.a. van Prins Maurits. De Staten werden zozeer partij, dat zij na 1610 in een rij van verordeningen o.a. het prediken, publiceren en examineren over de theologische strijdpunten verboden. Rond 1616 scheen de vrede nog slechts langs de weg van het geweld herstelbaar te zijn. Na lang aarzelen greep Maurits in en zette hij de politieke leidinggevenden van Holland en Utrecht, tevens leiders in de libertijnse politiek in kerkelijke zaken, gevangen.
Toen in 1618-1619 de lang verbeide generale synode kwam, bracht deze toch geen oplossing inzake de verhouding van kerk en staat of een regeling voor deze verhouding. De overheid weigerde in het merendeel van de gewesten elke hulp om de officiële Dordtse kerkenorde tot geldigheid te brengen.
Wat had men geleerd?
Na de afzwering van Filips II werd de lege plaats van de absolute monarch niet meer door anderen ingenomen. Drie gezagsinstanties kwamen ervoor in de plaats: de stadhouders, wier politiek uiteindelijk uitliep op de coupe van Prins Maurits, waardoor hij het politieke ingrijpen in theologische en kerkelijke aangelegenheden onmogelijk maakte. In de tweede plaats de kerk, die na 1620 getuige o.a. de Leidse Synopse verstaan heeft, dat er geen politiek realiseerbare theokratie in de Republiek der Verenigde Nederlanden denkbaar was. Ten derde de Staten die misschien nog het best hebben begrepen, dat verzetsrecht geen politieke leidraad voor een groeiende jonge staat zijn kan. In de tweede helft van de 17e eeuw is het nog eenmaal tot een oplaaiing van de strijd tussen Oranjeklanten en aanhangers van de Staten gekomen, maar dit leidde niet tot groepsvorming in de kerk.
Wat heeft deze ontwikkeling van de verhouding tussen kerk en staat in de Nederlandse geschiedenis te doen met wat men thans status confessionis (belijdenisstandpunt) noemt? In onze tijd en vooral na de Tweede Wereldoorlog is het mode geworden om de staat voornamelijk als een macht te zien, en liefst als een negatieve macht. Daarmee is de verhouding tussen de mens en de natuurlijke ordeningen, temidden waarvan hij leeft, grondig verstoord. 'Wilt gij nu de macht niet vrezen', schrijft Paulus, 'doe het goede en gij zult lof van haar hebben'. Het Derde Rijk was eigenlijk een vervalsing van de natuurlijke theologie. Een vervalsing van de staat als gegeven in Gods wereld en gegrond in de werkelijkheid van de schepping en de verhoudingen binnen de schepping. Barmen 1934, dat calvinistische maar ook lutherse theologen onder zich telde, heeft zich tot afscherming tegen deze vervalsing teruggetrokken op Jezus Christus, het ene en enige Woord van God, Die wij hebben te gehoorzamen. Dat is volkomen juist, maar moet er niet bij gezegd worden, dat de kerk protesteert tegen elk misbruik van de natuurlijke verordeningen van God door overheden en anderen? Het Derde Rijk heeft juist als vervalsing van de natuurlijke theologie aan 6 miljoen joden en vele, vele zigeuners het leven gekost. De kerk heeft in veel landen de strijd aangespannen tegen het nazisme, niet alleen vanwege de gewelddaden, maar vanwege de valse ideologie van Rosenberg en anderen. Willen wij leren van de tijd vóór en in en rond de Tweede Wereldoorlog, dan moeten wij daar beginnen. Wie ook vandaag de natuurlijke theologie en de schepping als tweede kenbron van God verwaarloost, heeft smart op smart te vrezen van mensen die zich goden wanen en machten die torens tot in de hemel bouwen. Alleen door de natuurlijke Godskennis ernstig te nemen en de verhouding van kerk en staat opnieuw te doordenken in het zicht van Gods Woord in Christus ten opzichte van het Scheppingswoord, zal de kerk in onze dagen in haar strijd tegen allerlei wind van leer verder komen en het rechte zicht op de staat als macht herkrijgen en waar nodig prediken.
De calvinistische Reformatie heeft niet alleen de theologische verleiding van de Wederdopers met hun ene spoor van denken over het Rijk Gods afgewezen, maar ook de vrijheid van staat en kerk binnen de geloofsconceptie van de theokratie, de Godsregering zoals die in art. 36 NGB uitgedrukt is, getracht te garanderen. Bijvoorbeeld de vaderen van de Nadere Reformatie hebben in toenemende mate ontdekt, dat men de overheid niet kan manipuleren tot theokratie, hoogstens op haar theokratische taak aan kan spreken en tegenover haar daarvan kan getuigen.
Het gaat dus om een theokratische grondhouding met een praktijk van twee sporen. Barmen 1934 zegt: kerk en overheid staan in de taak van het dienen van God, maar op onderscheiden wijze en in vrijheid jegens elkander.
Waar de twee bronnen van Openbaring uit art. 2 van onze Nederlandse Geloofsbelijdenis verwaarloosd worden, waar geen sprake meer is van algemene genade naast speciale genade, daar loopt men niet alleen vast met de overheid, maar met heel het openbare leven. In feite zal de vrucht zijn, dat geen leven meer mogelijk is op deze planeet, wanneer, het geloof van de kerk deze zaken niet ernstig neemt. Volgens mij is dit een van de ernstigste lessen van de Tweede Wereldoorlog en het nazidom. Getuige de prediking, ook onder ons, hebben wij van die les zeer weinig geleerd.
Het verzet van de Hervormde Kerk De kerk in de Nederlanden was sedert 1933 op de strijd voorbereid door haar kontakt met de Belijdende Kerk in Duitsland en degenen die haar vertegenwoordigden. Aanvankelijk waren de meeste christenen in Nederland blind voor wat er in Duitsland gebeurde 1. door tegenstrijdige berichtgeving, 2. door een oppervlakkig optimisme: het zou zo'n vaart niet lopen, 3. door een even oppervlakkig en onverschillig agnosticisme: men kon zich geen oordeel vormen. 4. Daar kwam nog deze dwaling bij, dat in de ogen van de meesten het bolsjewisme van Rusland de grote vijand van het christelijk geloof was en dat Hitler de eer verdiende, dat hij tegen dit bolsjewisme ten strijde trok.
Deze blindheid, aldus H. C. Touw in zijn tweedelig werk Het verzet der Hervormde Kerk, werd veroorzaakt doordat de Hollandse kerk ten opzichte van de internationale vragen zich in een geïsoleerde positie bevond. Bovendien was zij allesbehalve een belijdende kerk: zij hield zich bezig met vragen van reorganisatie en een nieuwe kerkorde, en met de verhouding tussen theologie en kultuur. Dit alles heeft niet bijgedragen tot openheid voor wat zich wezenlijk bij onze oosterburen afspeelde. Verraders als Van der Vaart Smit, leider van het zgn. Nederlandsch Christelijk Persbureau, hebben het hunne gedaan om valse berichtgeving te verspreiden, die de mannen van de Bekennende Kirche in Duitsland voorstelde als politieke agitators, weke gestraft moesten worden.
Toen het nationaal-socialisme zijn masker afwierp, verdween ook de blindheid van de Nederlandse christenen voor de werkelijke situatie. Met name het antisemitisme van de NSB en de Jodenvervolgingen in het Derde Rijk werden als een konkreet teken van antigoddelijkheid in de Nederlandse situatie verstaan. Een stroom van joodse vluchtelingen uit Duitsland naar de Nederlanden onderstreepte de noodtoestand. Sedert 1936 bestond er een Nederlands Comité voor niet-Arische christenen, dat hen hielp. De naam zegt reeds, dat het vooral om de nood van de christen-joden ging. Toen door de Neurenberger wetten in 1938 de stroom van vluchtelingen nog groter werd, werd de naam van het comité veranderd in: Protestants hulpcomité voor uitgewekenen om ras of geloof. Dit comité dat aan de vluchtelingen-arbeidsplaatsen of een doorreisgelegenheid naar een land voor immigranten (Verenigde Staten of Canada) moest bieden, ging getuige zijn naam verder dan het vorige comité. Nu werd niet meer gevraagd of men ook christen-jood was. Het feit dat men niet Ariër was en derhalve door het Herrenvolk niet werd geaccepteerd, was voldoende om geholpen te worden. Het oude welkom in Nederland, waardoor Amsterdam zijn erenaam hammakoom = de plaats, verkreeg, werd in ere hersteld. Dit comité werd uiteraard in 1941 door de bezetter verboden en zette vervolgens illegaal zijn aktiviteiten voort, min of meer in samenwerking met het in 1936 opgerichte comité voor waakzaamheid van anti-nationaal-socialistische intellectuelen.
In theologenkringen ontving men regelmatig berichten uit Duitsland en Zwitserland. De geschriften van Karl Barth, Arthur Frey, Walter Lüthi, Friedrich Delekat, Walter Gurian, Martin Niemöller en Hans Asmussen werden hier gelezen.
Tot 1940 onderhielden veel Nederlanders persoonlijke kontakten met predikanten uit de Bekennende Kirche. In 1938 werd een geheim gesprek tussen predikanten uit de Bekennende Kirche en Karl Barth in Utrecht georganiseerd. Tussen mei 1939 en december 1939 werden de berichten uit Duitsland en Zwitserland alhier openlijk gepubliceerd. Na december 1939 werd de berichtgeving zo gebrekkig dat men de serie en de uitgave moest staken.
Ik herinner er nog aan, dat de toenmalige delen van de Christelijke/Kerkelijke Dogmatiek van Karl Barth Nederland werden binnengesmokkeld onder de titel Carolus Magnus: Karel de Grote. De Duitsers die net als de Atheners veel eerbied voor godheden hadden, dachten - en dat was ook de opzet - met traktaten van een Middeleeuws schrijver te doen te hebben en hebben menige paragraaf van de KD opgeopend en ongekontroleerd laten passeren.
Reeds vóór de Tweede Wereldoorlog bestonden er studiegroepen, die met betrekking tot de Nederlandse situatie de Barmer Thesen van 1934 bestudeerden. Centraal werd deze bestudering geleid door mannen als J. Koopmans, K. H. Kroon en K. H. Miskotte. Zo ontstonden de Amersfoorter Thesen, die duidelijk geïnspireerd waren door de Barmer Thesen, maar wat betreft de Joden en Israël verder gingen. Barth was het met de inhoud van deze Amersfoorter stellingen eens, en er werd een theologenberaad gehouden over de vraag of deze thesen niet in de openbaarheid gebracht konden worden. Dat was nog vóór de oorlog. Het tekent de situatie, dat nogal wat predikanten en theologen de situatie te gevaarlijk vonden en publicering afriedden. Pas in 1941 werden ze, nu illegaal gedrukt en verspreid onder de titel: Wat wij wel en wat wij niet geloven. Ik kom op de inhoud terug.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 november 1984
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 november 1984
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's