De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Geestelijke levensregels

Bekijk het origineel

Geestelijke levensregels

13 minuten leestijd

Een tomeloos leven wordt altijd een ongeordend leven. Een leven aan bepaalde lijnen gebonden is alleen vruchtbaar.

VI. BESLISSENDE PUNTEN

Wij willen nu een paar opmerkingen maken, die van belang zijn voor levensvernieuwing. Naar eeuwenoude ondervinding gaat het hier om hoofdzaken, die bij iedere levensdiscipline niet kunnen worden gemist. Wanneer wij u opmerkzaam maken op deze lijnen, gaat het er niet om volledig te zijn. Evenmin bedoelen wij dwingend levensregels voor te schrijven. Het oogmerk van deze artikelen is alleen hier en daar de wetmatigheden aan het licht te brengen bij iedere tucht noodzakelijk. Een bijbelse levensopenbaring kan nu eenmaal niet bestaan zonder zich een zekere tucht op te leggen, zonder zich aan bepaalde punten met vrijwilligheid te houden. Een tomeloos leven wordt altijd een ongeordend leven. Een leven aan bepaalde lijnen gebonden is alleen vruchtbaar. Het is in dit opzicht bijvoorbeeld opmerkelijk hoe de apostolische vermaningen gedurig uitlopen op duidelijke levensregels. Zeer klaar is dat in het vijfde hoofdstuk van de brief aan de Éfeziërs. Onder meer lezen wij daar: Ziet dan, hoe gij voorzichtig wandelt, niet als onwijzen, maar als wijzen, de tijd uitkopende, dewijl de dagen boos zijn. Het behoeft geen betoog, dat de man, op wie de roeping rust om tegen de wereld te getuigen, teneinde haar tot het licht te brengen, een dure plicht tegenover zichzelf heeft. Hij moet onophoudelijk over zichzelf waken en op zichzelf toezien. Zorg heeft hij te dragen om zichzelf steeds gelijk te blijven, opdat hij de achting winne, die hij nodig heeft, om met vrucht op de wereld te kunnen inwerken. Hij geve de wereld geen ergernis, maar beschouwe en lokke haar, om haar voor Christus te winnen. Ook is het niet genoeg, dat hij zich wachte van het kwaad. Sommige christenen toch verliezen, ten spijt van hun welgemeende ijver, hun invloed op de wereld, door als onwijzen tegenover haar op te treden. Ook hiertegen waarschuwt de apostel. Er zij in ons getuigen niets stormachtigs, niets overdrevens, dat de schijn geeft, als wilden wij de mensen geweld aandoen en ze als bij overrompeling bekeren, niets zonderlings dat de lachlust, niets onnatuurlijks, dat de weerzin opwekt; laat ons optreden even liefelijk zijn en weldadig aandoen, als het oprijzend morgenlicht. Door er bij te voegen: 'de tijd uitkopende, dewijl de dagen boos zijn', geeft de apostel tenslotte ons nog de wenk, om er rekening mee te houden, dat de boosheid der tijden de gelegenheden, om wat goeds te zeggen, weinige maakt. Wij zullen dus de gelegenheden, die God ons geeft, om zielen voor Christus te winnen, wel ter harte mogen nemen; men zoeke ze op en late ze niet ongebruikt. Men zij de landman gelijk, die in een regelmatige zaaitijd de weinige zonnige ogenblikken aanmerkt, als moest hij ze met goud betalen, en ze volijverig aangrijpt om tijdens deze het zaad in zijn akker te strooien. Bedenken wij steeds dat een verwaarloosde gelegenheid niet tot ons weerkeert!

Reeds in deze regels van de apostel vinden wij overvloedig aanleiding een bijbels levensbestek te ontvouwen, gesteld dat zulks onze bedoeling zou zijn. Maar dat nu daar gelaten, het komt er wel op aan onze tijd goed te gebruiken. Wij hebben reeds aangestipt dat de levenstijdperken en de natuurkrachten voor de ontwikkeling van ons geestelijk leven niet geheel zonder belang zijn. Wij willen niet overdrijven, maar toch zullen wij er wijs aan doen de morgenuren als bijzonder kostbaar te beschouwen. Wij bedoelen met name de vroege morgenuren van iedere dag. Het is een bekend kultuurhistorisch feit, dat het dagelijks leven van de mensen zich gedurende de laatste tientallen jaren immer meer in de avond afspeelt. De dag wordt immer later begonnen, de dag wordt ook steeds later beëindigd. Dat hangt natuurlijk samen met de techniek, vooral met de ontdekking van de elektriciteit, waardoor in letterlijke zin de nacht tot een dag kan worden gemaakt. En toch hangt deze gehele ontwikkeling wezenlijk ook samen met datgene wat van de passiviteit van de ziel van de moderne mens werd gezegd. De avond, het halfdonker, de schemering, de nacht - dat zijn de tijden van de receptiviteit, van de passiviteit der ziel, de stemming, de indrukken. De morgen daarentegen is de tijd om te kunnen scheppen, om vruchtbaar te zijn. Wordt aan de morgen zijn recht gegeven in het plan van de dag en ontvangt de ziel haar recht dat zij haar vruchtbare krachten ontvouwen kan in de geestesklaarheid van de morgenuren, zie, dan zal de avondtijd meer rust ontvangen. Dan komt daarin meer stilte; er is dan daarin de adempauze, waarin nieuwe krachten weer gelegenheid krijgen om zich in ons te vormen.

De avond wordt bij uitstek de rusttijd na het werk. Maar ook omgekeerd: worden de morgenuren beroofd van hun vruchtbare inhoud, dan liggen de schoonste krachten van de ziel braak. Slaapt men om zo te zeggen een gat in de dag, dan is voor de avondtijd onnatuurlijk veel kracht en verlangen over. Dan drijft het leven zich geconcentreerd bijeen in het flikkerlicht van de sensatie, van de schijnwereld van bioscoop en televisie. Of ook perst zich het gezelschapsleven bijeen in de ene vergadering na de andere. De bezoeken worden almaar later begonnen en geëindigd. Ja, het gezelschapsleven kan als zodanig een ware plaag worden. Wij moeten mee in de roes of wij willen of niet. Want geheel het openbare leven is besmet door de maalstroom van de verandering van de dag in de nacht. Voor sommigen ontvangt pas eerst in de avond hun leven zin.

Het is helemaal niet zo gemakkelijk tegen deze stroom in te zwemmen. Wij zijn immers in zo vele opzichten, helemaal niet meesters van onze tijd. Niet alleen door menselijke overwegingen, maar ook door eenvoudige plichten worden wij gedwon­gen ons aan de algemene gewoonte op dit punt te onderwerpen. Dat betekent evenwel niet, dat wij afzien van de principiële inzichten ons innerlijk daaraan niet te houden Integendeel - wij moeten de tijd, waarover wij werkelijk de beschikking hebben, zo organiseren en indelen, dat wij deze gehele schijnwereld van de schitterlichten ontlopen en de vruchtbare krachten benutten, die God in de morgenstond heeft gelegd. Hoevele zenuwziekten en vreemdsoortige gemoedstoestanden zouden vermeden worden, wanneer men hierin trouwer zou zijn. Hoeveel overijlde besluiten, hoeveel verleidingen zouden vermeden zijn, wanneer de christen in deze uiterlijk schijnende dingen het gewaagd had de geesten te onderscheiden. Als voorbeeld van iemand die zijn leven lang de vroege morgen gebruikte kan gelden de oude Gunning. Hij stond gewoonlijk om vijf uur op en studeerde die tijd.

Wij hebben zoëven gewezen op de ontwrichting van de morgen en de avond. Het wordt zaak een gevecht te voeren om de morgenuren zinvol te kunnen besteden. Denk daarbij niet aan uren en uren! Dat is niet aan allen gegeven. Maar veel zou al gewonnen zijn, wanneer wij een half uur voor onszelf hadden. Daarnaast moeten wij ook eens letten op de avond. De avond is voor de moderne mens de tijd van de toenemende prikkel van ziel en zinnen. Het is de tijd van de verstrooiing. Het dagwerk brengt met zich mee de enorme inspanning van alle krachten. De avond doet velen vluchten in de lichtglans, de stemmenwirwar, de roes en de verdoving. Verstrooiing zoekt men. Maar hoeveel gewint men daardoor? In dit oogpunt is het goed zich eens te vergewissen hoe men doorgaans de avonden doorbrengt. De televisie heeft een fundamentele verandering aangebracht. Deze bindt met onweerstaanbaar geweld, hoewel aan de andere kant dit medium ook in staat is een brok nuttige informatie te geven. Te vrezen is evenwel, dat de schade groter is dan de winst. De kunst van lezen gaat teloor, maar ook de kunst van conversatie. In plaats van verstrooiing zoeke men overeenkomstig de scheppingsordening veeleer de inkeer. Intussen bedenke men wel, dat de moderne mens van zichzelf uit helemaal niet zo tot avondlijke inkeer in staat is als generaties vóór ons op grond van een veel gezonder en natuurlijker levenspatroon nog mogelijk was. Nog zien wij het ouder geworden echtpaar zitten op de bank voor het boerenhuis in de warme zomeravond. De dag was druk geweest aan noeste en harde arbeid, maar nu was de avond vol van vrede. De gedachten gingen daar wel traag, maar zeer diep over wereld en tijd en eeuwigheid. In de eenvoudigste taal werd daar gesproken over de diepste levensvragen. De vrouw zei: 'Komt er bij zitten, dominee, wij vieren de avondstilte. Jakkeren is voor een mens nooit goed!'

De avondlijke inkeer noodt ons ook te lezen in een boek, dat ons van nature tamelijk vreemd is, namelijk het boek van het eigen leven. De avond zij gewijd aan de heengegane dag met al zijn gebeurtenissen. De avond dient de terugblik van het zelfonderzoek. En waarom is het zo weinig voorkomend, dat wij de avonduren vullen met de wereld van denkers en dichters? Daarvandaan kan het wel eens komen, dat zo weinig grond is in de prediking en in het algemene levensniveau: er is geen kennisname van wat vorige geslachten ons hebben nagelaten. Wij verliezen ons verleden en daarom ook de zin voor de toekomst. Meer en meer komt het ons voor, dat de vergaderzucht van het huidige christendom de persoonlijke voeding uit de eeuwige bronnen verstopt. En juist de meeste vergaderingen geschieden in de avond. Men zit daar dan in blauwe wolken met bleke wangen tot diep in de nacht. Men zucht over vele irreële paperassen, door allerlei bureaus over ons uitgestort. Men luistert verveeld naar wat sommigen met woede naar voren brengen en verzucht 's avonds tegen de lieve echtgenote, dat broeder Jansen altijd aan het praten is. Ons christendom dreigt een rhetorische zaak te worden, ontdaan van alle warme bloed. Uiteraard moet er vergaderd worden, maar het kan met minder toe, ware er groter kennis van zaken. Wij kunnen de wereld van nu niet ontlopen, het is waar - maar de ondergrond ontbreekt. De ideologie overheerst. Daarom temeer is kennis nodig om uit de handen te blijven van kerkpolitieke demagogen. En juist het evenwichtig vergaren van gegronde kennis, dat wordt veelszins aangevochten.

Morgen dus en avond. Wij moeten op onze hoede zijn voor een kerkelijk uitgaansleven. Wanneer er althans in de morgenuren een tijd geweest is van geconcentreerde aandacht voor het Woord, behoeft de verscheidenheid en onrust van de volgende dagelijkse arbeid niet meer in verwarring te brengen. De innerlijke kalmte, die men gevonden heeft, zal het ons mogelijk maken, in ieder afzonderlijk geval de juiste beslissing te nemen. De veelheid van eisen van iedere dag houdt op ons te verwarren en voort te drijven. De ziel heeft tevoren een vaste grondrichting gewonnen, vanwaaruit al het particuliere en individuele wordt aangevat. Het bezig zijn in ons beroep houdt op een kwellende plicht te zijn. Er gaat iets van vreugde door ruisen. Natuurlijk blijven ook dan teleurstellingen niet uit. Maar ze werken niet neerdrukkend en verbitterend, maar ze worden als beproevingen en aansporingen om het beter te doen aanvaard uit Gods hand. De avond dient voor het overzicht, de terugblik. Een mens die van de morgen tot de avond holt en vliegt, altijd maar geeft en geeft zonder ooit zich eens in iets te verdiepen valt gewis aan innerlijke verarming ten prooi. Eenvoudig huiselijk verkeer, een goed gesprek - waar is het gebleven? Echte ontspanning betekent niet: helemaal niets doen. Maar iets anders doen. Nooit zullen wij dat bezoek vergeten bij het jubilerend echtpaar. Het gesprek ging over de jaren van vroeger en als vanzelf kwam het op de avonden. 'Ja', zei de vrouw, 'daar in de hoek stond voorheen het orgel. Wij zongen daar veel bij met z'n allen. Maar in moeilijke dagen is die stille plek ook voor mij dikwerf een grote troost geweest. Al zingend bracht ik, mijn moeite en verdriet voor de Heere. Ik heb het er goed gehad.' Onze goede God heeft ons in dit leven niet geheel zonder hulpmiddelen gelaten. Een juiste ordening van het leven is broodnodig.

Wandelt dan als kinderen des lichts, beproevende wat de Heere welbehaaglijk zij - wij weten niet altijd in gegeven omstandigheden met zekerheid wat goed of kwaad is. Het moet ons in twijfelachtige gevallen niet genoeg zijn, dat ons geweten ons niet veroordeelt. Ons geweten is feilbaar, de stem van het geweten is geenszins altijd de stem van God. Daarom worden wij ook in de geestelijke levensregels gewezen op Zijn Woord als op de toetssteen, waaraan wij beproeven moeten of iets de Heere welbehaaglijk is. Gods wet is de enige regel voor ons leven. Hij alleen die langs deze weg loopt, gaat een goede gang. Men wane echter niet, dat het antwoord op de vraag wat in een gegeven geval de Heere welbehaaglijk is, steeds voor de hand ligt. De Schrift is geen wetboek in de trant van een burgerlijk wetboek, noch een handboek, gelijk aan een handboek der zedekunde, waarin men elk geval onder zijn rubriek behandeld vindt, zodat men het slechts met behulp der inhoudsopgave heeft op te slaan en men is geholpen. Eer staat het met de Schrift als met het andere boek Gods, de natuur; in de natuur vinden wij geneesmiddelen tegen onze ziekten, maar men moet ze zoeken en beproeven, voor men er iets aan heeft. En dat zoeken is ieders werk niet. Zo ook hier: er is om de wil van God in zijn Woord te vinden, een zekere geoefendheid aan de geestelijke zin nodig, die alleen in de weg van heiliging des harten en van opscherping des verstands de onze wordt. Ook hebben wij, niet elk voor ons afzonderlijk, maar gemeenschappelijk te beproeven, wat de Heere welbehaaglijk is. Vooral behoren jonge en onervaren christenen hun winst te doen met het licht, dat God aan ouderen van dagen gegeven of door trouwe leraren geschonken heeft. Met dit verstand evenwel, dat wij niemand om zijns zelfs wil geloven en slechts aan hen ons vertrouwen schenken, die kennelijk tonen niet in zichzelf te geloven en uit zichzelf te spreken, maar hun woord dekken met het Woord van God.

Daarnaast behoren wij onszelf gedurig te onderzoeken of wij werkelijk tot de onderzoeking van de Wil Gods gedreven worden door de begeerte om die te volbrengen. Dan alleen immers, wanneer een heilig oogmerk ons tot dit onderzoek drijft, hebben wij de vrijmoedigheid om van God de zalving van de Heilige te vragen, die ons van leerlingen tot leermeesters maakt. Intussen zullen er in dit punt steeds wensen naar meer licht overblijven. Het volkomen licht komt pas op de jongste dag. Dit houde ons klein en doe ons bescheiden zijn, beide in ons oordelen over onszelf en in ons oordelen over anderen. Nochtans blijft het waar, dat het gebrek aan eenstemmigheid onder de belijders van Christus, inzake de vraagstukken van de dag, zelfs met opzicht tot zeer gewichtige, haar grond niet vindt in het onvolkomene dezer bedeling, maar veeleer in het gemis van het gemeenschappelijk gebed om de Geest, die ons in alle waarheid leiden moet. Tot straf daarvan geeft God ons over aan onszelf zodat wij onze levensbeschouwing uit onszelf gaan putten, in plaats van uit het Woord. Door ons arglistig hart misleid laten wij dan onze zienswijze bepalen door ons verdorven vlees.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 november 1984

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Geestelijke levensregels

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 november 1984

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's