De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Verslag Combi-Synode Vergadering 5 en 6 november (2)

Bekijk het origineel

Verslag Combi-Synode Vergadering 5 en 6 november (2)

19 minuten leestijd

We zetten nu eerst het verslag van de bespreking van de 'Verklaring van overeenstemming' voort en koppelen daaraan de besluitvorming.

We zetten nu eerst het verslag van de bespreking van de 'Verklaring van overeenstemming' voort en koppelen daaraan de besluitvorming (voorzover de bespreking daartoe aanleiding gaf uiteraard). De heer Vonk (hervormd) uit Olst wilde in de verklaring benadrukt zien dat, waar beide kerken hun gemeenschappelijke oorsprong in de Reformatie hebben, dit een verplichting meebrengt waaraan zij zich niet willen - de Verklaring sprak van 'mogen' - onttrekken. De zaak van de eenwording was volgens hem door oneigenlijke drogredenen tegengehouden door hobby-istische scherpslijpers. De belijdenis dat de kerk van het lichaam van Christus is, maakte volgens hem het gescheiden bestaan van beide kerken onaanvaardbaar, - de Verklaring sprak van 'dubieus'. De passages, gewijd aan de pluraliteit binnen beide kerken, droegen z.i. een veel te zorgelijke ondertoon. Hij zag veel meer positieve elementen: er is ruimte voor iedereen om te gedijen; men slaapt niet in; men blijft wakker en actief.

Het gereformeerde synodelid mevr. C. J. Diemer-Van der Esch uit Dordrecht stond erop dat de term 'belijdenis de vaderen' consequent gewijzigd zou worden in 'belijdenis van het voorgeslacht', omdat de vrouwen ongetwijfeld hebben mee-beleden. Aan die wens tegemoet gekomen.

Ds. K. Blei (Hervormd) uit Haarlem toonde zich érg verbaasd over de interventie van ds. Kieskamp en hij sloot zich aan bij het commentaar van de Raad van deputaten op de brief van ir. Van der Graaf. De vier kernpunten hielden volgens hem geen reductie van het belijden in, maar vormden elke voor zich een greep, naar het geheel als motiverend voor het eenheidsstreven. Samengaan mag géén terug-gaan betekenen in de zin van met de rug naar de toekomst gaan staan. Het belijden van de eenheid moet voortgang in zich bergen, zo hield hij de vergadering en in het bijzonder ds.Kieskamp voor. Ofschoon hij veel waardering had voor de verklaring, was hij de mening toegedaan dat te vaag over de vijf spanningspunten (zie hiervóór) tussen bei­de kerken gezegd werd dat ze op vergelijkbare wijze aanwezig waren. De verschillen konden volgens hem niet simpelweg naast elkaar blijven bestaan. Zo noemde hij als voorbeeld de leertucht, die naar zijn wijze van lezen van de Verklaring, erop neer zou komen dat er toch onvermijdelijk weer formaliserende tendenties (met ambtelijke instanties e.d.) optreden. Dé eigenlijke tucht wordt, naar zijn zeggen, in de eerste plaats door het Evangelie zélf uitgeoefend. Ook voor een levenstucht, die erop neer zou komen dat iedereen zich met iedereen zou moeten gaan bemoeien, leek hem een griezelige zaak.

Als ander voorbeeld noemde hij de kwestie van de geboorteleden. Deze problematiek was volgens hem teveel vanuit kerkordelijk standpunt en te weinig vanuit het belijdend karakter ervan benaderd. Ds. Blei diende een tweetal amendementen in. Waar de Verklaring sprak van 'beloften en opdrachten' wilde hij lezen 'beloften en geboden'. De vergadering aanvaardde deze wijziging. Het tweede amendement, dat het eveneens haalde, leidde ertoe dat waar in de Verklaring gesproken werd van 'de Heilige Schrift als bron der prediking en enige regel des geloofs' het lidwoord 'de' vóór 'bron' gevolgd werd.

De hervormde ouderling J. v. d. Brugge uit Kampen bracht een viertal punten naar voren. Hij had de tegenstelling tussen het duurzame en het bewegelijke in de belijdenis in de Verklaring aangetroffen en hij vroeg zich af wie de grens daartussen bepaalt. Welke garantie bestaat er dat er geen aan de geest van de tijd aangepast belijden ontstaat, zo vroeg hij. Wat de kerkelijke tucht betreft was hij blij dat uitgesproken wordt dat de kerk zal weren wat haar belijden weerspreekt. Hoe de tucht zal gaan functioneren wordt pas vastgesteld na de samensmelting. Hij kon nauwelijks serieus geloven dat het straks anders zal gaan dan nu het geval is. Hij constateerde dat we niet goed raad weten met de tucht. Betreffende de leer aangaande de kerk constateerde hij vaagheid en vrijblijvendheid. Hij kon wat dit betreft in de Verklaring niet terugvin­den wat de Ned. Geloofsbelijdenis in de art. 27-32 belijdt, met name waar gesproken wordt over de kerk als 'de heilige vergadering der ware Christgelovigen'. Op het punt van de pluraliteit constateerde de heer Van de Brugge dat de gemeentevorming zich volgens de Verklaring in de toekomst zal voltrekken volgens mentale grenzen. Het zal een kerk van 'elck wat wils' worden, zo constateerde hij. 2 Timotheus 4 : 3 wordt actueel, zo besloot hij.

Het lid van de gereformeerde synode, drs. F. H. Weeda, (Akkrum) vond de toon van de verklaring te hoog gestemd. De spanning tussen ideaal en werkelijkheid leidt ertoe dat de berg een muis baart, zo zei hij. Als de Verklaring het effect van de eenwording uitdrukt in termen als 'een zegen voor ons volk', maande hij tot meer bescheidenheid omdat zulk een uitdrukking geen recht doet aan de secularisatie en de marginale positie van de kerk in de Nederlandse samenleving.

Ds. W. W. Verhoef (Vlaardingen), hervormd synodelid, maakte opmerkingen over drie van de vier kernen van belijden. Die opmerkingen stonden in de context van het katholieke van de reformatorische traditie, waaronder de Lutherse. Hij constateerde een te magere oecumenische context in de Verklaring. Zo noemde hij de rechtvaardiging van de goddeloze, alleen door genade, geen calvinistisch monopolie. De belijdenis, dat de kerk het Lichaam van Christus is, moet meer dan beeldspraak zijn; het moet gaan om reeële presentie van de Heer, zo zei hij. Het belijden van het 'sola Scriptura' is te argeloos, zo meende hij. Het afwijzen van de nevenstelling Schrift en traditie is te argeloos; er is geen Bijbel-verstaan zonder de kerk der eeuwen.

Ds. G. A. den Hartogh (Zoelmond), eveneens hervormd synodelid, onderschreef het amendement-Schoep, zij het niet in alles. Zo vond hij een passage over 'de last van de schuld der verdeeldheid' niet relevant. Ds. L. Raven (Haren), gereformeerd synodelid sloot zich inhoudelijk bij zijn voorganger aan.

Ds. M. A. Vrijlandt (hervormd. Assen) was beducht voor de concrete betekenis van de Verklaring op het punt van de kerkelijk-oecumenische en maatschappelijke ruimte binnen de nieuwe kerk. Hij vreesde de uniformiteit van het midden; hij sprak van 'het CDA-establishment'. Hij wilde vóór alles weten of de nieuwe kerk een kerk van de armen zal zijn. Een kerk rechts-van-het-midden kan dat niet zijn, zo was zijn mening. Hij voerde het pleit voor 'een rijkgeschakeerde gemeenschap, die open is'. Ds. J. van Lokhorst (hervormd, Gouda) had moeite met het onderscheid duurzaam-beweeglijk. Belijden noemde hij op zichzelf een beweeglijk gebeuren; het geschiedt met mond, hart en handen. Hij vond dat de spanning tussen waarheid en eenheid niet voldoende duidelijk in de Verklaring geformuleerd, was. En de stelling dat de hervormde kerk, evenmin als de gereformeerde kerk, een leer aangaande de kerk heeft, vond hij te mager. Hij verwees naar de brief van de Confessionele Vereniging (zie 'De Waarheidsvriend' 1 november 1984, nr. 44 blz. 620).

Ds. P. Schravendeel (gereformeerd, Ferwerd) betoonde zijn instemming met het amendement-Schoep, al wilde hij wél van de last der verdeeldheid, maar niet van de schuld der verdeeldheid weten. Hij stelde ook vragen over de verhouding tussen de punten van overeenstemming enerzijds en het spreken over pluraliteit anderzijds. Hij distantieerde zich tenslotte nadrukkelijk van de stelling dat kritiek op Samen op Weg het proces niet meer kan tegenhouden. Hij meende dat de schijn vermeden moest worden dat alles al beklonken is.

Het hervormde synodelid W. L. Dekker (Roosendaal) vond dat in de Verklaring teveel een bezorgde toon doorklonk: kunnen we het wel waar maken? Aangezien belijden altijd contextueel geschiedt, was volgens hem de vraag welke die context vandaag is. Z.i. ligt die in de secularisatie, waarbij sommigen nog de woestijn in moeten en anderen daar reeds vrolijk in leven. De bezorgdheid overstemde volgens hem de dankbaarheid voor de tekenen van Gods barmhartigheid.

Ds. F. van der Weij (gereformeerd, Nunspeet) gaf te kennen dat hem een mengelmoes van gevoelens bestormd had bij het lezen van de Verklaring van overeenstemming. Dankbaar was hij dat men de grondslag voor hereniging van beide kerken gezocht had in de belijdenis der vaderen. Beide kerken beloven zich in de weg van dat belijden te bewegen en te weren al wat dat belijden weerspreekt. De opmerkingen in het stuk betreffende het functioneren van de kerkelijke tucht hadden ds. van der Weij daarentegen verdrietig gestemd. Hij vond dat men eenvoudig toe moest geven dat men daar geen raad mee weet. Nochtans was er volgens hem alle reden om het woordje 'beloven' te onderstrepen; het gaat immers om het doen van een keuze voor de toekomst, - niet slechts om een vrijblijvende loze belofte. Hij moet voorshands constateren dat op papier het confessioneel gehalte van de toekomstige kerk.

Na de interventie van ds. van Trigt (zie hiernaast, sprak dr. S. Meijers (hervormd, Leiden) als lid van de Werkgroep kernen van belijden, zélf betrokken geweest zijnde bij de opstelling van de Verklaring. Hij verklaarde grote vraagtekens te plaatsen bij de belijdenis en bij hetgeen over de pluraliteit, alsmede bij de hint in de richting van afschaffing van de lokale gemeente. Maar dit alles vond dr. Meijers nog niet van centrale betekenis. Waar hij vooral over viel was het amendement-Schoep. Hij was het er weliswaar mee eens dat er geen overeenstemming behoeft te bestaan over het verleden van beide kerken - het oordeel over het verleden is ons ontzegd - maar hij zou het een menselijke stommiteit en een geestelijke dwaasheid vinden indien men geen lessen zou trekken uit het verleden. Zijn vraag aan beide kerken was wat men geleerd had. De Hervormde Kerk had eerder door aanneming van de motie zijnerzijds door de eigen synode, haar schuld uitgesproken. Zijn vraag aan de kerken van de Doleantie was nu wat zij hadden geleerd en of men dat wilde uitspreken. Met name zou dr. Meijers graag horen dat Afscheiding en Doleantie niet de oplossing geweest zijn voor het kerkelijk vraagstuk. 'Wil men zeggen wat men van de Doleantie vindt', zo vroeg hij tenslotte. (Zie voor de interventie in hetzelfde kader op de vorige combisynode vergadering 'De Waarheidsvriend' van 25 november 1982, nr. 47, blz. 677 en 678). Diaken A. W. de Ronde (hervormd, Stellendam) gaf uiting aan zijn zorg dat allerhande factoren, die van niet-kerkscheidende betekenis heten te zijn, desniettemin grote problemen zullen opleveren. Hij trok dan ook een andere conclusie dan in het slot van de Verklaring het geval is, nl. dat de eerder in dit verslag genoemde vijf spanningsvelden geen motief kunnen vormen om het kerkelijk gescheiden zijn te continueren. De heer De Ronde stelde kernachtig dat wanneer wij Gods planting - Zijn Kerk - vernielden, wij in de woestijn terecht zullen komen.

Ds. A. P. Marais (gereformeerd, Purmerend) zag niet veel in de Verklaring. Hij zei dat de teksten van de diverse stukken op hem de indruk maakten van een huwelijkscontract, dat opgesteld wordt alvorens men besluit verliefd te worden. Ook de termijn, zoals ds. Wouters die had geschetst - 3x 17 jaar - vond hij veel te lang. Zo'n termijn noemde hij een garantie voor een kinderloos huwelijk. De kerkmuren moeten volgens hem snel gesloopt worden omdat ze de vervreemding en vereenzaming in de hand werken. Tenslotte vond hij dat de maatschappij volkomen schuil ging achter de uitgebreide teksten van diverse verklaringen.

Diaken W, Seldenrijk (hervormd, Apeldoorn) stelde een aantal indringende vragen. Zo wilde hij weten of artikel X van de Hervormde kerkorde in grote lijnen wordt overgenomen of niet. Of gaat de toekomstige kerk zich bewegen binnen de grenzen van art. X? Hij wilde ook weten of alle artikelen van de Ned. Geloofsbelijdenis, dus inclusief art. 36, worden overgenomen. Ook vroeg hij aandacht voor de wijze waarop de opmerkingen vanuit de mindere vergaderingen verwerkt zouden worden. Tenslotte voerde hij een pleidooi om de plaatselijke gemeenten en kerkeraden, alsmede de 'gewone' gemeenteleden bij de zaak van Samen op Weg te betrekken. In het bijzonder met het oog op de jeugd bepleitte hij voortgang in het proces.

De heer J. Pronk vroeg speciale aandacht voor de eerder in dit verslag genoemde brief van de Confessionele Vereniging. Hij wilde weten of de Raad van deputaten het met de conclusie van die brief eens was, nl. dat wat betreft de leer der kerk de notie van het Verbond kerkbepalend is. Hij was, evenals de Confessionele Vereniging, de mening toegedaan dat sprake is van het forceren van de eenheid in organisatie der twee kerken; de beweging van Samen op weg vindt haar basis nog altijd niet in het leven van het kerkvolk. Is er 'aan de top' wel genoeg aandacht voor wat 'aan de basis' leeft, zo vroeg hij. Tenslotte had hij zijn aarzelingen over de 'gezamenlijke erkenning van onze ondeelbare schuld'. Dit kwam bij hem als geforceerd over. Kan men wel iets anders dan zijn eigen schuld belijden, zo vroeg hij. Ds. J. Quist (hervormd, Tange Alteveer) meende dat er alleen op papier sprake was van eenheid van het belijden bij beide kerken. Er bestaat een wereld van verschil, aangeduid als pluraliteit binnen de kerken. Hij sprak van onoverbrugbare kloven, aangezien de vraag aan elkaar gesteld moet worden of men in een verschillende God gelooft. Men tracht de breuk op het lichtst te helen, zo betoogde hij: een kerkelijke herverkaveling. Hij vergeleek de poging van Samen op Weg met die van de nieuwe Hervormde Kerkorde van 1951.

Diaken L.A. van Wingerden (hervormd, Hardinxveld-Giessendam) stelde vragen bij een passage uit de inleiding van de Verkla­ring van overeenstemming, waar staat: 'Wij zijn daarbij (de gemeenschappelijke oorsprong in de Reformatie, die een verplichting meebrengt waaraan de kerken zich niet langer menen te mogen onttrekken - G. H.) tot de overtuiging gekomen, dat de verschillende wegen, die wij de laatste honderd jaar vanuit deze oorsprong gegaan zijn, elkaar in de laatste jaren in de praktijk zo dicht genaderd zijn, dat het begaan van een gemeenschappelijke weg naar de toekomst mogelijk wordt'. De heer Van Wingerden stelde zich èn de vergadering de vraag of de begane wegen ook de juiste wegen waren; of de praktijk tot norm voor de juiste weg verheven was.

Ten aanzien van de stelling in de Verklaring 'dat onze kerkelijke gescheidenheid ons belijden weerspreekt en dus behoort bij datgene wat wij zeggen te willen wezen', wierp de heer Van Wingerden de vraag op of men elkaar op het grondvlak wel herkent. Hij vreesde dat samengaan ook splitsingen op zou kunnen leveren. Prioriteit moest volgens hem hebben het gaan-tot-God.

Ds. J. van Drie (gereformeerd, 's-Hertogenbosch) gaf te kennen grote moeite te hebben met de tot dan toe gevoerde discussie. Hij was van mening dat de wereld veel te weinig in het vizier kwam. Hij herinnerde aan de hervormde discussie in het kader van de totstandkoming van de nieuwe kerkorde over de volgorde van de artikelen VIII (apostolaat) en X (het belijden). Hij was van mening dat de missionair-diakonale opdracht van de kerk voorop diende te staan. Dat zou dan wel dienen te geschieden op basis van de vier kernpunten van belijden, maar deze hadden z.i. te weinig handen en voeten gekregen.

Ds. A. W. Berkhof (hervormd. Hoogland) richtte zich vooral op het slot van de Verklaring, waar gesproken wordt over de opdracht van de kerk in deze tijd. Hij wilde dit gedeelte aan het begin van de Verklaring zetten, omdat z.i. de context van het belijden vóórop diende te gaan. Het klimaat waarin en de fronten waarop de kerk zich heden ten dage beweegt dienen allereerst getekend te worden. Deze gedachte goot hij in de vorm van een motie, welke werd aangenomen onder het voorbehoud dat de Raad van deputaten zal toezien of de structuur van de Verklaring het toelaat om de voorgestelde wijziging aan te brengen. Daarbij vroeg hij speciale aandacht voor de jeugd, die, zoals ds. Berkhof zei, de schouders ophaalt over Samen op Weg. Hij was voorts van mening dat de Verklaring teveel bleef steken in de negatieve punten van overeenstemming; voor het merendeel zijn dat reeds lang begraven strijdbijlen, zo zei hij. Er zijn intussen een reeks nieuwe punten, die scheidend werken. Daarom is het misschien wel reëel, dat de Verklaring niet zo bijzonder positief getoonzet is, meende hij.

Reactie Raad van Deputaten

Na deze sprekersronde van de zijde van de synodeleden volgde de beantwoording door de Raad van deputaten en de Werkgroep Kernen van belijden. Dr. Vlijm onderscheidde drie thematen: (1) het belijden van de kerk, (2) de kerkelijke tucht en (3) de pluraliteit binnen de kerk.

Prof. dr. H. B. Weijland (gereformeerd, adviseur in algemene dienst van het moderamen van de gereformeerde synode èn lid van de werkgroep kernen van belijden) gaf de synodeleden in overweging zich de vraag te stellen hoe men het zou willen hebben, zó dat iedereen het met iedereen eens zou kunnen zijn. Hij erkende dat mooie papieren niet baten. Het gaat om de zaak, de mentaliteit, zo zei hij. Ook gaf hij toe dat Samen op Weg in zekere zin samen terug moet, d.i. naar de grondhouding van de Reformatie. Dat moet het fundament zijn. De vraag is dan hoeveel ruimte men elkaar daarbij gunt. Wie wil nog de juridisch-formele binding aan de belijdenis en wie praktizeert die nog, zo vroeg dr. Weijland. Hij gaf de voorkeur aan de 'medische' benadering van Hoedemaker. De volgorde van de artikelen VIII en X van de Hervormde Kerkorde kan ons verder brengen.

De verhouding van het duurzame en het beweeglijke in de belijdenis gaat terug op het calvinistische kenmerk van kerk zijn: de zuivere prediking, niet de leer. Dat moet bewaard blijven. De belijdenis, óók ten aanzien van het kerk zijn, gaat mee in de tijd. Dat houdt geen alternatief belijden in. Tegenover het probleem van de leer is het gevoel verwaarloosd. In de werkelijkheid zal belijden een 'doen' betekenen. Als men geen genoegen neemt met de belofte dat de kerk zal handelen overeenkomstig haar belijdenis is het resultaat 'tien keer gereformeerd'. De gedachte van de kerk als planting Gods sprak Weijland aan. De vraag is dan hoe we met deze (tere) plant omgaan. De Doleantie liep stuk op de juridische weg. Weijland pleitte nog eens voor de medische weg.

De hervormde Utrechtse prof, dr. H. W. Knijff, óók lid van de Werkgroep kernen van belijden, ging op een tweetal aspecten in: de grenzen van de kerk en (2) de schuld van de kerk t.a.v. de verscheurdheid.

Wat het eerste punt betreft, lichtte hij het in de Verklaring gebruikte beeld van het licht en de duisternis (en de vage grens daartussen) toe. In dat beeld is een antithese uitgedrukt. De grens is betrekkelijk, de lichtbron de kern. Vanuit de kern moet ook de ingang gekozen worden bij de benadering van de vraagstukken van de tucht en de pluraliteit. De ingang is de verantwoordelijkheid van allen voor de prediking. Daaruit kunnen praktische consequenties getrokken worden.

Ten aanzien van de schuld der kerk-collectieve schuld - gaf dr. De Knijff een uiteenzetting over het theologisch schuldbegrip dat zich onderscheidt van het juridisch schuldbegrip. Tevens vroeg hij aandacht voor het sociaal-psychologisch element van een (kerkelijk) conflict, waardoor men, ondanks z'n vermeende gelijk, op een gegeven moment alléén komt te staan en die situatie als schuld ervaart.

Deze gegevens maken het mogelijk om (collectieve) schuld te belijden - schuld die men deelt met anderen, óók naar het verleden toe - , zonder het voorgeslacht te veroordelen. Men belijdt eigen schuld èn schuld voor de ander. Die schuld is ondeelbaar.

In actuele zin wordt men schuldig op het moment dat men uitwegen ziet, maar ze niet aangrijpt. Men zou schuldig worden door geen stappen te doen. De logische keerzijde daarvan is het doen van belijdenis en schuld. Aldus het betoog van dr. De Knijff. Het amendement-Schoep beoordeelde hij als een voorzichtige verzwakking van de Verklaring, die niet nodig en niet wenselijk is.

Op zijn verzoek werd het woord verleend aan ir. J. van der Graaf, lid van de Raad van deputaten. Omdat hij door omstandigheden buiten zijn schuld niet in de gelegenheid was geweest aan de bespreking van zijn brief (minderheidsnotitie) deel te nemen en dus ook niet betrokken was geweest bij het commentaar van de Raad op zijn brief in het aanvullend werkverslag, werd hem gelegenheid gegeven in vijf minuten zijn brief toe te lichten.

Daarin verklaarde hij niet uit de voeten te kunnen met de uitdrukking 'dynamische binding aan de belijdenis'. Had de Gereformeerde Bond destijds moeite met de in de Hervormde Kerkorde geïntroduceerde uitdrukking 'in gemeenschap met de belijdenis der vaderen', deze zijn gering te noemen in het licht van de bezwaren tegen de thans voorgestelde formule. In de praktijk zou het aankomen op het samen luisteren naar de prediking van de Heidelbergsche Catechismus, zo was zijn overtuiging. Die prediking wilde hij centraal gesteld zien. De Verklaring vond hij te intellectualistisch. Voorts wees hij op het verschil tussen het hervormde en gereformeerde kerkbegrip, dat vast zit op het verbond. Daardoor was de kwestie van de geboorteleden onvoldoende uit de verf gekomen. Samen op weg is alleen mogelijk als het betekent samen terug naar het Sola Scriptura.

De zorg over het kwijtraken van de jongeren deelde hij, maar, zo merkte hij op, als een boodschap van houvast geboden wordt, komen ze wèl.

Tot slot stelde hij aan de gereformeerden de vraag of zij iets van het verleden geleerd hadden. Hij had geconstateerd dat er weinig gevoel bestaat voor het geduld dat de gereformeerden in de Hervormde Kerk al meer dan een eeuw lang opbrengen. Hij verklaarde helaas te moeten vaststellen dat het gereformeerd imperialisme nog altijd aanwezig is en dat de Nederlandse Hervormde Kerk daar onderdóór moet.

Nadat de voorzitter van de vergadering, dr. H. J. Kouwenhoven, dr. Vlijm het woord gegeven had, verzocht hij deze nadrukkelijk niet te reageren op de interventie van de heer Van der Graaf. Dr. Vlijm ging in op de moties en amendementen. Hij benadrukte nog eens dat het proces van Samen op weg in de gemeenten plaats moet vinden; in sommige gaat dat goed, in andere komt in het geheel niets op gang. Wordt het proces in laatstbedoelde gemeenten tegengehouden en tegengewerkt, zo vroeg hij zich af.

Over de Verklaring stelde hij nog dat de waardering ervoor bij de synodeleden onvoldoende tot uitdrukking was gebracht - wellicht ten gevolge van de uiterst beperkte spreektijd? - doch dat daarentegen wel veel kritische opmerkingen waren gemaakt. Hij vroeg om vooral te letten op wat samenbindt en minder op wat naar het gevoelen van sommigen ontbreekt.

Het hoofdstuk in de Verklaring over de pluraliteit verdedigde hij met de stelling dat pluraliteit nodig is om als kerk missionair te kunnen zijn en het volk te kunnen bereiken.

Tot slot beklemtoonde dr. Vlijm dat Samen op weg een leef-gemeenschap en niet een leer-gemeenschap moet zijn.

De besluitvorming over de Verklaring van overeenstemming vond op de tweede dag plaats. Over aangenomen en verworpen amendementen/moties deed ik bij de betreffende indieners reeds verslag. Na de aangebrachte, respectievelijk toegezegde wijzigingen werd de Verklaring (voorheen aangeduid als ecclesiologische consensus) aanvaard.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 november 1984

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's

Verslag Combi-Synode Vergadering 5 en 6 november (2)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 november 1984

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's