Globaal bekeken
Dit jaar is het 600 jaar geleden dat Geert Grote, de man van de 'moderne devotie' gestorven is. Drs. K. Exalto wijdde een artikel daaraan in ons blad, waarin duidelijk tot uitdrukking kwam dat de moderne devotie bepaald nog niet hetzelfde was en bedoelde als de Reformatie. Anderzijds is nadruk op het ingekeerde leven, die door Geert Grote en anderen werd gelegd, ook een specifiek bijbelse zaak; als het ook maar bijbelse vulling krijgt. In een klein vlugschrift getiteld 'Zorgzaam en toegewijd' uitgegevendoor het bisdom Breda - hieruit blijkt al hoe de Rooms-Katholieke Kerk toch met name deze mannen van de moderne devotie hoog houdt en eert - staan twee stukjes die we hier overnemen, het eerste van Geert Grote zélf (Deventer 1340-1384), het tweede van Thomas Hemerken oftewel Thomas à Kempis (Kempen 1380 - Zwolle 1471).
• Van Geert Grote onder de titel 'Gelijkvormig worden'.
'Laten we er voor zorgen dat iets wat ons stoort, ons niet verstoort. Vooral moeten we er voor zorgen dat we niet kleinzielig worden als we veel narigheid hebben. Want dan raken we van de kaart en komen zelfs tot wanhoop. Vooral moeten we zo nu en dan nadenken over het lijden van Christus, bijzonder over hetgeen daarbij in Hem omging. Dat kan ons de mogelijkheid geven ons eigen lijden te dragen en te verdragen. Als we liefde krijgen voor de menselijke verschijningsvorm van Christus en zicht krijgen op wat in hem omgaat willen we langzaamaan op Hem gelijken. Velen van ons willen een eigengemaakt kruis nog wel dragen. Maar een opgelegd kruis dragen we met tegenzin of we werpen het af. Maar we zullen gelijkvormig moeten worden met Christus en ons moeten verzoenen met God die we te kort gedaan hebben.'
• Van Thomas a Kempis onder de titel 'Begin met uzelf'.
'Je moet je niet verwonderen en ook niet kwaad worden als een mens verkeerde dingen doet. Want een engel is gevallen in de hemel en Adam in het paradijs. Niemand mag een ander verwijten dat hij een gebrek heeft wanneer hij dat zelf ook heeft. Want als de een de ander als minderwaardig beschouwt is het of een blinde spot met een blinde of een dove een andere dove uitscheldt of een dwaas een andere dwaas uitlacht. Zwijg over een ander als het niet nodig is te spreken. Wanneer je terecht oordeelt en een ander wilt verbeteren, begin dan met jezelf. En ga daarna pas verder, niet opgewonden maar met mate en bescheiden. Wie een ander een uitbrander geeft en niet voor hem bidt, heeft geen medelijden.'
***
Elke pastor heeft zijn pastorale ervaringen. Soms, als ze heel specifiek, gedenkwaardig, merkwaardig of aardig zijn, wordt er wel eens wat aan het papier van een kerkbode toevertrouwd. Zó deed ds. W. H. de Jong (Vlaardingen) in de Zondagsbode, hervormd kerkblad voor het Westland. Hij schrijft over het klokje:
'In de jaren, dat ik ook een heel groot bejaardentehuis pastoraal had te dienen, kwam ik bij een mevrouw op de kamer. Tijdens het gesprek viel mijn oog op een mooi houten klokje, dat op een muurplank stond. Maar het stond op z'n zijde. Ik kon niet nalaten te zeggen: "Mevrouw, uw klokje staat verkeerd". Het antwoord was: "Neen, het staat zo goed, anders tikt het niet, ik ben erg op dat klokje gesteld, ik kreeg het van mijn man op mijn trouwdag. Ik ben maar één week getrouwd geweest. Op de éne zaterdag trouwden we op het stadshuis en in de kerk en op de volgende zaterdag is mijn man begraven; en ook mijn vader en een zwager; de dominee zei, dat hij zoiets nog nooit had meegemaakt." U als lezer begrijpt, dat ik stil van schrik was. Stel je voor, na één week weduwe! Ze vertelde verder: "Het was in de tijd van de Spaanse griep (1918-1919, die meer slachtoffers heeft gemaakt dan wereldoorlog I) en daaraan is ook mijn vader, schoonvader en zwager ten offer gevallen. Daarna ben ik huishoudster geworden, dan hier dan daar en toen ik 65 werd, ben ik dank zij de A.O.W. bij een mevrouw op kamer gekomen. En toen we beiden 75 werden, zijn we hier in dit bejaardentehuis gekomen. U begrijpt nu wel, hoe dierbaar me dit klokje is!" Ik zei: "Ja, maar ik weet wel iemand voor u, die het klokje eens kan schoonmaken en oliën, dan kan het weer rechtop staan. Het binnenwerk zal wel vuil zijn". Maar fel kwam het antwoord: "Het kan niet vuil zijn, want ik begiet het binnenwerk elke drie maanden met kokend water. Nee, hoor, het hoeft niet schoongemaakt te worden''. Maanden later kwam ik op de ziekenafdeling en trof aldaar een mevrouw, die ik niet direct herkende: in nachtpon en met het haar los in een ziekenhuisbed wordt een mens een ander persoon. Maar we kwamen aan de praat en ineens herkende ik haar: "U bent die mevrouw, waar het klokje op z'n kant staat!" Ze zei: "Ja precies, maar het staat niet meer op zijn kant; na de laatste afgietbeurt bleef het stil staan. Maar het loopt nu weer best: Het staat nu op z'n kop en ik hoef mijn hoofd niet meer scheef te houden, om te kijken hoe laat het is".'
***
Te Grand Rapids overleed op tachtigjarige leeftijd ds. W. O. Lamain, predikant bij de Gereformeerde Gemeenten in Nederland en Noord Amerika. Als ds. Lamain in Nederland was volgde hem op zijn 'preektoernee' een grote schare mensen. Ongetwijfeld had dat iets te maken met zijn persoonlijkheid, die gekenmerkt was door hartelijkheid ('innemendheid') en ongekunsteldheid. Hij was iemand van een onherhaalbare generatie; onherhaalbaar omdat de generatie van nu, in alle lagen van de bevolking, meer door onderwijs en studie gevormd is. Hij was - zo kunnen we het best zeggen - een man van authenthiek oud-gereformeerde snit binnen zijn gemeenten. Alle imitatie ervan is surrogaat.
Ds. Lamain diende in Grand Rapids een grote gemeente maar trok verder per vliegtuig her en der heen om gemeenteleden op grote afstand van Grand Rapids te bezoeken. Enkele jaren geleden ontmoette ik hem in zijn huis. Een gastvrij onthaal, vervoer met zijn auto van en naar het Calvin College, waar ik een congres bijwoonde. De dag ervoor bezocht ik een kerkdienst. Me dunkt dat de taal van de preek, zoals hij die in Nederland gewend was te hanteren, moeilijk in de Engelse taal over te dragen was. Vandaar dat af en toe een Nederlands woord de engelstalige preek opsierde.
Tijdens het bezoek aan zijn huis lag op de tafel het boek over (van) ds. J. T. Doornenbal, 'Ds. Doornenbal op reis'. Doornenbal was een van de 'oecumenische' vrienden van ds. Lamain. Ik denk dat ze een orgaan voor gezonde humor - bij alle nadruk op de ernst van het leven - gemeenschappelijk hadden. Lamain zei met spanning uit te zien naar de volgende, reeds aangekondigde bundel van Doornenbal. In het boek 'Ds. Doornenbal op reis' komt de volgende passage voor over een bezoek, dat Doornenbal aan hem bracht:
'Enkele mooie dagen heb ik doorgebracht in de pastorie van ds. Lamain in Grand Rapids. Ik heb er werkelijk goede herinneringen aan. Het is een prachtig, stijlvol en smaakvol ingericht huis, tegenover een groot park, en ik heb er alle gastvrijheid genoten die een mens op reis maar wensen kan. Ik weet niet of ik ooit de moed zou kunnen opbrengen om bij een geacht, geëerd en geweldig prediker als ds. Lamain in huis te komen, als niet alles waarvoor ik sidder en beef aan zijn kant werd gecompenseerd door zijn wederhelft. Voor haar ben ik minder bang dan voor hem, want in zijn tegenwoordigheid word ik altijd mijn ambtelijke en geestelijke tekortkomingen bewust en ik voel mij een klein kind bij deze geweldenaar in het geestelijk koninkrijk. Toch moet ik zeggen, dat het in huis wel meevalt, en dat hij in tegenwoordigheid van vrouw en kroost niet zo schrikwekkend is als je zou denken. De sfeer in huis is dan ook in alle opzichten prima, het is een echt domineesgezin in de beste zin van het woord, en ik voelde mij er thuis. De kinderen die er nog zijn, zijn natuurlijk geheel Amerikaans, maar verder is er geheel de oude stijl, zondags en in de week; de sfeer is aangenaam en van een christelijke geest doortrokken. Vader zal wel baas zijn, maar moeder heeft de leiding in zijn naam en het is haar toevertrouwd, want zij is een vrouw met een heldere kijk op de dingen, zakelijk en kritisch op zijn tijd, zelfs tegenover haar gemaal, en hij wordt in geen enkel opzicht ontzien, maar het maakt niet altijd de gewenste indruk, want als zijn persoonlijke en ambtelijke feiten hem onder het oog gebracht worden, kan hij lachen, dat zijn buik ervan schudt. Wij hebben reeds die eerste avond heel wat kunnen praten en als ik er vatbaar voor was zou ik heel wat van deze man kunnen leren. Ik heb zeer veel achting voor zijn inzicht en gaven, maar heb tegelijk steeds de neiging om hem tegen te spreken en met hem te kibbelen. Zo is ook onze kennismaking tot stand gekomen. Ik had nl. een preek van hem gelezen over Jacob, rustend op zijn sterfbed in het welbehagen Gods, en ik had er op mijn manier heel veel aan gehad. Maar op een enkel punt was ik het niet met hem eens, en wat ik anders nooit doe, ik schreef hem een lange, eigenwijze brief, om hem aan het verstand te brengen, dat hij het mis had, en dat mijn inzichten veel beter waren dan de zijne. Er kwam - hoe bestaat het? - nog antwoord ook, en we zijn elkaar blijven schrijven. Ik heb hem 5 jaar geleden opgezocht, en hij mij twee jaar geleden, en ik was blij hem en zijn vrouw weer te mogen ontmoeten...'
V. d. G.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 december 1984
De Waarheidsvriend | 15 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 december 1984
De Waarheidsvriend | 15 Pagina's