De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

10 minuten leestijd

Het wonder in onze kultuur

Hoe langer hoe meer mensen blijken moeite te hebben met de wonderen in de Bijbel. Deze constatering was voor de redactie van Credo aanleiding een themanummer aan dit onderwerp te wijden. In de introduktie wijst dr. B. v. Oeveren er op dat het geloof in Jezus als de Zoon van God en geloof in de wonderen van God nauw samenhangen.

Wij belijden immers die God die de doden opwekt en de dingen die niet zijn in het aanzijn roept. Ds. M. P. v. Dijk schrijft onder de titel 'de alternatieve wereld van Jezus' over de wonderen van Christus als tekenen van hoop, belofte van de nieuwe wereld van Gods Rijk die ophanden is. Drs. P. Blokhuis gaat in op de houding in onze westerse kultuur. De gedachte dat de geschapen werkelijkheid een gesloten geheel van oorzaken en effekten is, beheerst door vaste wetten verdringt het handelen van God uit de wereldwerkelijkheid.

'Dat men in onze kultuur weinig belangstelling heeft voor het wonder, kan men met een zeker recht wijten aan het feit dat velen geen christen meer zijn. Wie niet in God gelooft kan Hem moeilijk als oorzaak zien. Maar deze verklaring schiet toch te kort. In de eerste plaats is ook onder christenen het geloof in wonderen sterk afgenomen. Men verwacht ze niet meer en is er ook niet meer zo zeker van of de wonderen waarvan in de Bijbel gesproken wordt wel hebben plaatsgevonden. In de tweede plaats gaat het hier niet om het al dan niet geloven in het bestaan van bovennatuurlijke wonderen, maar om de aandacht die er is voor het wonder in het algemeen. Zoals ik reeds opmerkte heeft men met het woord 'wonder' het oog op een uitzonderlijke gebeurtenis waarvoor men geen gewone verklaring heeft. Dat wonderlijke kan op verschillende manieren gewaardeerd worden. De westerse mens laat zich in sterke mate leiden door wetenschap en techniek. Daardoor zijn wonderen in het leven naar de achtergrond geschoven. Alles wordt bezien vanuit de kaders van wetenschap en techniek. Wat daar niet in past, heeft niet veel betekenis. Het wonderlijke is een afwijking, een onregelmatigheid, niet iets dat juist in zijn uitzonderlijkheid zijn grootste waarde heeft. Men vat het op als het resultaat van een toevallige samenloop van omstandigheden of van een onbekende natuurlijk oorzaak die later wellicht nog eens ontdekt zal worden. Het wonder wordt eigenlijk pas interessant wanneer men er een verklaring voor weet te vinden. Van de Duitse theoloog Bultmann is de bekende uitspraak: "Men kan niet radio en elektrisch licht gebruiken, bij ziekte zich tot de moderne medische middelen wenden, en tegelijk geloven in de wereld van geesten en wonderen van het Nieuwe Testament". Wetenschap en techniek worden tegenover het wonder gesteld, zeker tegenover het wonder in bovennatuurlijke zin. Maar ook tegenover het wonder in niet-bovennatuurlijke zin, want de wetenschap richt zich op het algemene, niet op het uitzonderlijke; de techniek richt zich op het beheersbare, niet op wat onze beheersing ontglipt. Hoe meer wetenschap en techniek op een voetstuk geplaatst worden, des te minder ruimte is er voor het wonder. Hoezeer zij in onze kultuur op de eerste plaats komen kwam nog niet zo lang geleden naar voren in een interview met de beroemde duitse fysicus en filosoof Carl Friedrich von Weizsacker (De Tijd, 4 mei 1984). De wetenschap, aldus von Weizsacker, is de enige religie waarin bijna alle mensen geloven en zijn invloed neemt nog steeds toe. Leven en denken worden door de wetenschap gericht. Vandaaruit wordt alles beoordeeld. Dan worden verhalen al snel te wonderlijk.'

Hoe kan men in deze wereldwerkelijkheid nog spreken van het wonder. Dat is niet alleen maar 'voer' voor geleerden. Nee, prediking en pastoraat hebben er alles mee te maken. Ten diepste gaat het om de vraag: Hoe spreken wij tot de mens van nu over God. Blokhuis verzet zich tegen de scheiding van het natuurlijke en het bovennatuurlijke. De Bijbel spreekt anders over het wonder.

'De Bijbel geeft weinig aanleiding tot de opvatting dat wonderen bovennatuurlijk van aard zijn. God breekt niet zo nu en dan als extra oorzaak door de natuurlijke orde heen. Voorop staat dat God in alles present is. Hij reikt de dieren hun voedsel (Ps. 104) en beheerst storm en regen ((Job 37). Hij leidt de bewegingen van de volken, hun strijd, hun opgang en hun neergang. Door wat wij geneigd zijn een wonder te noemen, bepaalt hij mensen bij Zijn macht: Hij waarschuwt en Hij verhoort gebeden. Daarbij komt echter niet zomaar iets uit de hemel vallen, alsof God iets biedt wat de natuur niet biedt. Hij gaat voort met de werkelijkheid, de schepping, en sluit aan bij wat er is. Hij neemt bestaande mogelijkheden op. Van Hagar lezen we dat God haar ogen opende, niet dat Hij een put zond. In het boek Esther, het verhaal van de wonderlijke redding van de joden, wordt geen melding gemaakt van bovennatuurlijke gebeurtenissen. De plagen die God de Egyptenaren zond, waren zeer natuurlijk van aard. Bestaande mogelijkheden werden opgenomen.

Het is duidelijk dat God soms ongedachte dingen bewerkt. Maar dat ongedachte is niet zonder relatie met wat er al was. De natuurlijke aardse werkelijkheid staat niet op zichzelf, als iets waar God doorheen zou moeten breken. In de Bijbel lezen we over gebeurtenissen die we veel moeilijker dan de hiervoor genoemde kunnen verbinden met de wereld zoals wij die kennen. Daarbij valt in de eerste plaats te denken aan wonderen verricht door personen: Jezus, profeten, apostelen. Ook die zijn niet bovennatuurlijk, alsof ze in strijd zouden zijn met de menselijke natuur. Mensen blijken tot ongedachte dingen in staat te zijn, ook buiten Israël. Het verhaal over de tovenaars aan het hof van de farao staat niet op zichzelf als een vreemde uitzondering. Ook uit andere kulturen zijn dergelijke dingen bekend. In het Nieuwe Testament lezen we dat sommigen de gave der genezing hebben. Die gave tref je ook nu nog aan. Dit alles is gewoon natuurlijk, want er is niets natuurlijks dat zijn bestaan niet aan God dankt.

Wonderen worden dan niet slechts beter naar waarde geschat, maar ook beter gezien. Men verwacht het wonder. Niets kan dan te wonderlijk zijn; ons kennen, onze ervaring is de maatstaf niet. Tegelijk voert de eerbied tot oog hebben voor het nieuwe dat niet spectaculair is. Er zijn ook kleine wonderen.'

Het zal duidelijk zijn dat in de bezinning op de prediking van het wonder het belijdenis van de kerk aangaande God, Schepper en Onderhouder, in het geding is. Nog altijd zeer lezenswaard is m.i. het hoofdstuk 'Voorzienigheid en wonder' van dr. G. C. Berkouwer in zijn boek over de voorzienigheid Gods. Tegenover het wetenschapsideaal van de gesloten werkelijkheid, het denken in termen van oorzaak en gevolg stelt hij de Schriftuurlijke benadering van het wonder, namelijk het handelen van God in de werkelijkheid. Er kan voor het geloof geen concurrentie zijn tussen de in de natuur werkende krachten en het werken van God. De wonderen als tekenen van het Rijk van God verwijzen naar de overmacht van God in zijn heilshandelen. Zij zijn geen bewijzen, maken het geloof niet overbodig, maar roepen juist tot geloof in Hem, in wiens hand heel ons leven rust.

***

Verzakelijking in het onderwijs?

De bezuinigingen in het onderwijs blijven niet zonder effect. Ook voor het christelijk onderwijs niet. Drs. K. de Jong signaleert in Evangelisch Commentaar de tendens dat t.g.v. de daling van het beschikbare aantal lesuren en het gelijk blijven van de eindexameneisen de vrije ruimte erg klein geworden is en de niet-examenvakken (godsdienst, expressie, muziek, hebreeuws etc.) de dupe dreigen te worden.

'Voor zover mij bekend hebben de meeste christelijke scholen het godsdienstonderwijs vrij onaangetast gelaten, maar ze hebben het er toch wel moeilijk mee gehad. In het algemeen kan nl., met name op het vwo-havo, worden geconstateerd dat het onderwijs steeds meer dreigt te verzakelijken, zo in de trant van: alleen examenvakken tellen, nu er (weer!) prestaties moeten worden geleverd. We leven toch in een tijd waarin de "zachte sector" op de terugtocht is, en waarin de "harde" vakken hun rechten gaan hernemen? No nonsense!

Voeg daarbij de verhalen over arbeiderskinderen die beter zouden gedijen op strengere scholen, alsook de stijgende voorkeur die er schijnt te zijn voor strenge scholen, waarop nog iets gepresteerd moet worden.

Ik heb hier ernstige bedenkingen, want we moeten ook in het christelijk onderwijs oppassen, dat de slinger niet teveel in de tegenovergestelde richting doorslaat. Op een christelijke school is het toch begonnen om "heel de mens"? Dat betekent dat het verstandelijke, het cognitieve er nooit eenzijdig de boventoon mag hebben. En een christelijke school behoort toch in de eerste plaats een leefgemeenschap te zijn, waarin niet het presteren van het ik, maar het solidair zijn met de ander (ook de minder begaafde) voorrang zou moeten hebben? Ik hoop vurig, dat de schoolcultuur van de christelijke scholen bestand zal zijn tegen de verzakelijking van deze ikkerige tijd.

Uit een enquête onder plm. 5000 scholieren uit hogere klassen van het voortgezet onderwijs kwam onlangs de volgende conclusie naar voren: "het gaat slecht met onze maatschappij, haar leden maken het uitstekend''! Men heeft zich teruggetrokken in zijn eigen kleine wereldje, probeert het zich daar zo goed mogelijk naar de zin te maken, en laat de maatschappij, de gemeenschap, voor wat zij is. Men is eigenlijk niet meer "in" voor die gemeenschap,

't Is in de geschiedenis altijd zo geweest dat achtereenvolgende generaties tegen elkaar in reactie kwamen. Zo schijnt er nu nogal een tegenstelling te zijn op vele scholen en ook op de universiteiten, tussen docenten vervuld van idealen uit de jaren zestig en zeventig, en hun leerlingen. Docenten in trui, leerlingen in colbertjas plus stropdas. Docenten die de discussie trachten aan te moedigen, leerlingen die gewoon wat willen leren...

Vrij veel onderwijsgevenden zijn gewend nogal horizontaal te denken, ook in het kader van acties.

Ik geloof dat in de reacties van de leerlingen daarop een goede mogelijkheid ligt, om in het christelijk onderwijs in de praktijk opnieuw te beklemtonen dat het in de eerste plaats om een zijnswijze gaat, en pas daarna om een zienswijze. Men beoordeelt een docent in de eerste plaats om wat, wie hij is, m.n. in zijn of haar relatie tot God, en pas daarna in wat hij/zij doet of vindt.

Eventuele verzakelijking in het onderwijs, ten gevolge van bezuinigingen, verdraagt zich heel slecht met bovenstaande gedachte. Want, als het om dat "zijn" gaat, komen toch de prestaties op de tweede plaats? Laten we daarom ons niet alleen hoeden voor die verzakelijking, maar ons in het christelijk onderwijs opnieuw bezinnen op onze zijnswijze.'

Met wat hier gezegd wordt zijn belangrijke zaken aangegeven met betrekking tot de identiteit van christelijk onderwijs. Wel signaleer ik een spanning tussen ideaal en werkelijkheid. Men kan nl. wel kritiek hebben op het tellen van prestaties als voornaamste factor en op de dreigende verzakelijking. Maar zij die verantwoordelijkheid dragen voor het dagelijkse schoolgebeuren inclusief de examens, hebben te rekenen met eisen die gesteld worden en ervaren vaak aan de lijve, hoe werkelijkheid en ideaal op elkaar botsen kunnen. Ook de school staat immers niet los van de trend van de maatschappij. En in die maatschappij zie je steeds weer de pendelbeweging: Tegenover tendenzen waarbij prestaties een vies woord werd, zie je nu weer het ijveren voor prestaties, resultaten etc. We zijn steeds op zoek naar het rechte evenwicht waarbij de mens niet gewaardeerd wordt naar zijn prestatie en niettemin geroepen is gaven en mogelijkheid optimaal te gebruiken. De waarschuwing van De Jong deel ik, maar teken daarbij wel aan dat dat niet alleen gelanceerd moet worden naar docenten en directies maar elkeen raakt, die bij het onderwijs betrokken is: overheid, ouders, ja de maatschappij in zijn geheel. Dat het voor het christelijk onderwijs in het bijzonder een aangelegen zaak moet zijn, spreekt bijna vanzelf. Het zou geweldig zijn als juist de christelijke school in de strijd tegen de moderne verzakelijking een voortrekkersrol zou kunnen vervullen. Adeldom verplicht immers.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 december 1984

De Waarheidsvriend | 15 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 december 1984

De Waarheidsvriend | 15 Pagina's