De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Verslag Combi-synode (3)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Verslag Combi-synode (3)

18 minuten leestijd

Verkiezing van ambtsdragers in een Sow-gemeente

Op de eerste dag is een onderwerp behandeld dat weliswaar iedereen in de kerk aangaat, maar dat slechts zeer weinigen in vervoering zal brengen: de kerkordelijke regeling voor de verkiezing en bevestiging van ambtsdragers in gefedereerde gemeenten, waar de beide afzonderlijke kerkeraden fungeren als één kerkeraad. De Werkgroep kerkordelijke aangelegenheden van de Raad van deputaten Samen op weg had een zestal voorstellen gedaan, betrekking hebbend op het samenwerkingsproces zoals dat reeds gaande is of op gang gebracht zal worden. Het voorstel betreffende de verkiezing van ambtsdragers is er één van.

De vijf andere voorstellen, die dus nog niet besproken zijn, hebben, kort aangeduid, betrekking op: (1) Regels voor samenwerking op plaatselijk vlak; (2) de provinciale synode; (3) de samenwerking op 'centraal' gemeenteniveau tussen de centrale kerkeraad (hervormd) en de kerkeraad algemene zaken (gereformeerd); (4) het toezicht op het plaatselijk beheer door de gefedereerde classicale vergadering; (5) hoger beroep en arbitrage in andere zaken dan opzicht en beheer.

Alleen het voorstel over verkiezing van ambtsdragers was zó ver uitgewerkt dat hierover besloten kon worden, al gebeurde dat niet op deze zitting; besluitvorming zal D.V. plaatsvinden op de decemberzitting. De bedoeling is dat het voorstel conform de procedure van ord. 20-13 (Hervormde Kerkorde) de status van een zg. Generale regeling krijgt. Om die reden waren in de Hervormde Kerk de classicale vergaderingen en indirect de kerkeraden gehoord. Vervolgens heeft de Hervormde Commissie voor Kerkordelijke Aangelegenheden - niet te verwarren met de eerder genoemde Werkgroep voor Kerkordelijke Aangelegenheden van de Raad van Deputaten - een advies over het voorstel uitgebracht, de antwoorden op vragen aan de classicale vergaderingen daarbij in ogenschouw nemend.

Ds. P. van de Heuvel (hervormd. Harmelen; lid van de Werkgroep) gaf namens de Werkgroep een toelichting op een nader voorstel, zoals dat was geformuleerd n.a.v. het advies van de (hervormde) Commissie Kerkordelijke Aangelegenheden. Van gereformeerde zijde was geen advies over de voorstellen van de Werkgroep aangeboden. Ds. Van de Heuvel sprak de hoop uit dat dit in het vervolg wél zou gebeuren, zodat de voorbereiding parallel zou kunnen verlopen.

Uit het advies van de Commissie Kerkordelijke Aangelegenheden waren o.a. overgenomen:

- dat de roeping tot het ambt geschiedt door de stemgerechtigde leden van de gemeente (stemgerechtigd zijn allen die openbare belijdenis des geloofs hebben afgelegd en t.a.v. wie geen tuchtmaatregel is genomen; de financiële voorwaarde is vervallen);

- dat wanneer er slechts één kandidaat is gesteld per vacature geen stemming no­dig is;

- dat verkiezing van een predikant kan geschieden door de wijkkerkeraad plus de centrale kerkeraad/kerkeraad algemene zaken (dus niet uitsluitend door de gemeente);

- dat de verkiezing wordt gehouden volgens een door de kerkeraad vast te stellen plaatselijke regeling, die alleen vastgesteld of gewijzigd kan worden indien de gemeente inzage in het voorstel heeft kunnen nemen en als het goedgekeurd is door classis of centrale kerkeraad;

- dat ambtsdragers, die twee termijnen van elk vier jaar achtereen vervuld hebben, eerst na elf maanden opnieuw verkiesbaar zijn;

- dat terwille van de continuïteit, ambtsdragers zo mogelijk zitting houden in de kerkeraad tot hun opvolgers zijn bevestigd (doch niet langer dan zes maanden);

- dat een termijn van twee weken zal gelden voor het indienen van bezwaren tegen een verkiezing;

- dat de frequentie van de verkiezingen wordt teruggebracht van één keer per jaar naar één keer per twee jaar.

Niet overgenomen werden o.a. voorstellen om:

- wat betreft het systeem van ambtsdragersverkiezingen de keuzemogelijkheid te openen tussen verkiezing rechtstreeks door de gemeente óf deze te delegeren aan de kerkeraad;

- wat betreft het opnemen van een maximum-leeftijd (plus daaraan gekoppeld een dispensatiemogelijkheid).

Kerkvoogd C. Vonk (hervormd, Olst) nam het op voor het behoud van de combinatie ouderling-kerkvoogd, die niet in de regeling voorkomt. Hij diende reeds een amendement in om een leeftijdsgrens van 70 jaar op te nemen.

Mevr. ds. J. van de Velden (hervormd, Metslawier) wilde weer terug naar éénjaarlijkse verkiezingen.

Ds. W. M. de Bakker (gereformeerd, Middelburg) stelde een vraag n.a.v. artikel 1, waarin gezegd wordt dat 'de roeping tot het ambt geschiedt van Christuswege door de gemeente bij monde van de kerkeraad'. De woorden 'van Christuswege' vond hij een belijdende uitspraak die past bij de aanvaarding van het ambt, maar waaraan geen kerkordelijke betekenis toekomt. De roeping geschiedt door de kerkeraad, als mond van de gemeente, zo zei hij.

Bij de bepaling, die bevestiging van ambtsdragers 'met gebruikmaking van een daarvoor vastgesteld formulier' voorschrijft, stelde hij de vraag welk formulier men bedoelt en wie zo'n formulier vaststelt.

(Hoger) beroep tegen besluiten van de kerkeraad t.a.v. verkiezingen en bevestiging van ambtsdragers staat open bij het provinciaal college voor de behandeling van bezwaren en geschillen. Ds. Bakker wilde weten of de provinciale instanties alleen oordelen over bezwaren van procedurele aard of ook bezwaren tegen belijdenis en wandel. Tevens vond hij de in de regeling opgenomen escape-clausule te ruim geformuleerd. Ook de Hervormde Commissie Kerkordelijke Aangelegenheden had hierop gewezen.

Ds. W. L. Dekker (hervormd, Roosendaal) wilde benadrukt zien dat het hier om een tussen-regeling gaat. Hij wilde afwachten of het ook zonder leeftijdsgrenzen zou kunnen. Verder toonde hij zich een tegenstander van een 6-jaarlijkse stemming.

Drs. W. H. Duker (gereformeerd, Delft) wilde sterker de verantwoordelijkheid van de kerkeraad geaccentueerd zien. Is het niet de kerkeraad die tenslotte benoemt? zo vroeg hij.

Ds. B. Wallet (hervormd, Utrecht) wilde gewaarborgd zien dat minderheden in de wijken toegang zouden kunnen krijgen tot de organen van de centrale kerkeraad.

Ouderling mevr. J. Douma-Burgersdijk (gereformeerd, Wageningen) vroeg naar de status van de provinciale colleges voor de bezwaren en geschillen.

Ds. J. van Lokhorst (hervormd, Gouda) stelde de vraag of het wel echt noodzakelijk is om een complete 'tussenorde' - die reeds in beginsel bestaat, G.H. - te creëren. Ook wilde hij voorkomen dat de gefedereerde gemeenten zouden worden overstelpt met voorschriften. Ten slotte uitte hij de wens dat het advies van de (hervormde) Commissie Kerkordelijke Zaken ruimhartiger gehonoreerd zou worden.

Dr. W. W. Verhoef (hervormd, Vlaardingen) accentueerde wat in het stuk van de Raad van Deputaten staat, nl. dat de kerk een christocratische gemeenschap is: Christus regeert Zijn kerk door Zijn Woord en Zijn Geest. Hij signaleerde voorts een gebrek in het stuk, nl. het 'tegenover-karakter' van het ambt. Het is allemaal te plat, zo zei hij. Bijvoorbeeld van een predikant geldt toch niet het gezegde: Wiens brood men eet, diens woord men spreekt? zo vroeg hij aan de vergadering.

Diaken D. G. van Vliet (hervormd, Wilnis), die de sprekersronde in eerste termijn sloot, signaleerde nog eens het gevaar dat er gemeenten ontstaan met een geheel eigen kerkorde, die los staat van beide bestaande kerkorden. Veel punten van kritiek uit het advies van de Commissie Kerkordelijke Aangelegenheden onderschreef hij.

Reactie Raad van Deputaten

De opmerkingen van de synodeleden werden vervolgens beantwoord door de voorzitter van de werkgroep, ds. Van den Heuvel.

Over de figuur van de ouderling-kerkvoogd merkte hij op dat deze eerst aan de orde komt als de beheersregeling voor de gefedereerde gemeenten besproken wordt.

Wat betreft het hoger beroep in zaken aangaande de verkiezing en/of bevestiging als ambtsdrager door provinciaal college voor de behandeling en bezwaren en geschillen, wees ds. Van den Heuvel erop dat een college beoogd wordt, dat ook andere klachten dan die welke betrekking hebben op de verkiezing van ambtsdragers, bijvoorbeeld die betreffende het beheer, behandelt. Het pleidooi van sommigen vóór het stelsel van de 6-jaarlijkse stemming kon hij niet ondersteunen en wat betreft de maximum-leeftijdsgrens verwees hij naar de dispensatiemogelijkheid.

Wat betreft de verdere gang van zaken omtrent de in bespreking zijnde regeling merkte hij op, dat na verwerking van het advies van het breed moderamen de zaak naar de classes gaat.

Hij ging ook nog in op de opmerkingen over het 'tussenorde-karakter' van de voorgestelde regeling. Hij gaf als zijn mening dat van de tussenorde-regeling onvermijdelijk een pre-judiciërende werking op het toekomstige kerkrecht zou uitgaan.

Ds. L. C. van Drimmelen (Muiden), die part-time aan de Raad van Deputaten verbonden is speciaal ten dienste van de Werkgroep Kerkordelijke aangelegenheden, vulde de opmerkingen van ds. Van den Heuvel nog aan.

Hij wees op de noodzaak om een zorgvuldige regeling te ontwerpen voor de gefedereerde gemeenten. Dat kan de vraag oproepen of de 'tussenorde' niet te hard groeit. De omstandigheden noodzaakten er zijns inziens echter toe om een overgangsregeling te treffen. De samenstelling van die regeling is vaak een kwestie van geven en nemen, zonder dat de regeling puur een compromis is van beide bestaande kerkorden. De Nederlands Hervormde Kerkorde noemde hij voluit gereformeerd, waar wij niet achter terug moeten gaan.

Wat het door ds. Bakker aangesneden punt van het eerste artikel (roeping tot het ambt van Christuswege), betreft, erkende ds. Van Drimmelen dat dit een belijdenis-uitspraak in de kerkorde is. Bij de gereformeerden staat dit in de confessie, voor de hervormden is ook het belijdend karakter van de kerkordelijke regeling van belang: de kerk is een christocratie.

Hij was van mening dat een uitspraak als in artikel 1 verwoord geenszins misstaat in een regeling van gereformeerd karakter. Er komt ook goed het 'tegenover' van de ambtsdragers tegenover de gemeente in tot uitdrukking.

Met deze reactie van de zijde van de Raad van Deputaten werd de beraadslaging gesloten; de besluitvorming wordt zoals vermeld, naar de decembervergadering verschoven.

DE TWEEDE DAG

De toekomstige vormgeving der herenigde kerk

Op de ochtend van de tweede dag werd, na de dagopening, begonnen met de behandeling van het vijfde belangrijke stuk dat op deze vergadering diende: de 'Voorlopige schets van de toekomstige vormgeving der herenigde kerk'. De Raad van Deputaten heeft een aparte werkgroep ad hoc ingesteld voor deze zaak. Voorzitter is mevr. ds. A. E. J. van Blommestein, die als eerste het woord voerde over het stuk.

Zij begon met op te merken dat er een belangrijk verschil bestaat tussen enerzijds de 'Verklaring van overeenstemming' en anderzijds het stuk betreffende de toekomstige vormgeving. Het laatsbedoelde stuk is een eerste schets van de werkgroep ad hoc. Het gaat dus nog niet naar de kerken. Het stuk is onderscheiden in kerkordelijke uitgangspunten en organisatorische hoofdlijnen. De werkgroep heeft gekozen voor het presbyteriaal-synodale model, dat thans reeds in beide kerken geldt. Als hoofdlijn werd de opzet van de Hervormde Kerkorde overgenomen. De kerkorden van de Gereformeerde Kerken kunnen ingebracht worden bij de uitvoeringsregelingen.

Wat het fundamentele uitgangspunt betreft, is uitgegaan van de koinonia-gedachte: de eenheid op grond van vergeving van zonden en de navolging van Jezus Christus. De koinonia is - tot onze schade - in de geschiedenis van de reformatorische kerken verbroken. Mevrouw Blommestein meende dat men de koinonia niet vindt in de belijdenis, maar dat roept de vraag op waar zij dan wél in gevonden moet worden. We zouden volgens haar niet bang moeten zijn om de geografische grenzen van de gemeente los te laten. In het stuk is gekozen voor de classis, alwaar de koinonia geoefend zou moeten worden.

De organisatorische hoofdlijnen hebben een voorlopig karakter. De voorzitter verzocht om reacties van de synodeleden, maar verzocht hen zich daarbij niet te verliezen in organisatorische details.

Dr. H. B. Weijland, lid van de werkgroep ad hoc, maakte een wijziging in het stuk bekend, nl. daar waar, terwille van de band aan het belijden, gesproken wordt over de beloften die gedaan worden bij het ondertekenen van een formulier door ten minste een predikant wanneer hij aan een gemeente verbonden wordt. In dat formulier zou volgens de oorspronkelijke tekst gevraagd worden:

- 'de belofte van gehoorzaamheid aan de Schrift als enige norm voor leer en leven;

- de belofte van trouw aan de koinonia van de kerk in een dynamische binding aan de belijdenis'.

De velerlei bedenkingen tegen de formulering van de tweede belofte, hadden de werkgroep tot een wijzigingsvoorstel gebracht, luidende: 'de verbintenis tot trouw aan de koinonia van de kerk in gemeenschap met de belijdenis van het voorgeslacht'.

Drs. H. C. Endedijk, als woordvoerder van de Commissie van Rapport, wees erop dat dit stuk tegen het eind van de regionale vergaderingen aan de orde was geweest, toen een zekere vergadermoeheid was ingetreden.

Hoofdpunten van beraad waren geweest: (1) de spanning tussen de koinonia en de deelgemeenten, de functie en de classis, etc. en (2) het loslaten van de geografische structuur, hetgeen naar men meende de eenwording zou remmen (men ontmoet elkaar niet meer). Voorts had men onduidelijkheid over de visitatie gesignaleerd. De vraag was hoe dit bij de gereformeerden geregeld is en of men deze taak aan de classis-nieuwe-stijl kan toevertrouwen. Brabant en Limburg wilden de visitatie vanuit provinciaal vlak opzetten.

Mevr. drs. F. Smit-Kruize (gereformeerd part-time predikant te Breezand) toonde zich beducht voor een kerkmodel van wat zij noemde 'het christelijk verzorgingstehuis'. Niet het zich thuisvoelen maar het integreren van de verschillende geloofskeuzen en maatschappelijke posities bin­nen de plaatselijke gemeenschap moet doelwit zijn. Zij oefende kritiek op het uitgangspunt voor de toekomstige vormgeving en legde die neer in een amendement. 'Wij constateren verschillen in geloofsbeleving, die vaak heel diepgaand zijn, en ten nauwste samenhangen met persoonlijke ervaringen en maatschappelijke posities, het moeten maken van keuzes in de vragen van vrede en gerechtigheid e.d. Deze verschillen mogen niet gaan heersen over de koinonia van de gemeente van Christus. In de praktijk betekent deze koinonia dat de plaatselijke gemeenten pluraal van samenstelling dienen te zijn, waarbij men de eigenlijke vragen blijft stellen, elkaar uitdaagt en bemoedigt, in het voortdurende proces van een wordende gemeente van Christus'. Zowel gereformeerde als hervormde synodeleden behoorden tot de mede-ondertekenaars .

De Raad van Deputaten verklaarde bij monde van drs. E. Hazelaar (lid van de werkgroep en adviserend lid van het moderamen van de gereformeerde synode) geen grote moeite te hebben met een zekere aanpassing van het stuk overeenkomstig het accent dat het amendement aanbracht. Wél diende het woord 'dienen' in het amendement geschrapt te worden, hetgeen de instemming van de indienster kreeg. De fungerend praeses van de vergadering, ds. Roos, wees erop dat het nog te vroeg was voor besluitvorming en dat de uitspraak in het amendement hoogstens het karakter van een motie kon hebben. Daarop trok ds. Kruize haar amendement in, wat niet betekent - integendeel - dat de uitspraak in de definitieve tekst van de Raad van Deputaten niet dóór zou kunnen werken.

Ds. K. Blei (hervormd, Haarlem) wilde liever een modaliteitenkerk dan een kerkscheuring. De classis als ontmoetingspunt noemde hij een noodoplossing - als het echt niet anders kan. Hij stelde zich en de vergadering de vraag of de polarisatie niet verplaatst wordt van de gemeente naar de classis. Tevens roept het loslaten van de geografische grenzen van de gemeente de vraag op waarom de geografische grenzen van de classis dan wel 'heilig' zouden (moeten) zijn.

De kernvraag is: Wat is gemeente? Berust die op een aaneensluiting van gelijkgezinden of berust ze op iets anders? Hij verwees naar de tekst van de Schets: 'ledere plaatselijke gemeente is - ieder op zijn eigen wijze - een volledige openbaring van het lichaam van Christus'. Ten slotte stelde hij vragen over de afvaardiging van de classis naar de generale en particuliere synode. Hij meende een centraliserende tendens te bespeuren.

Mevr. F. A. Lammers-Lokerse (gereformeerd diaken te Deurne) voerde als manco in de gang van zaken met betrekking tot de Schets aan, dat de gewone gemeenteleden er nog zo weinig van op de hoogte zijn. Wie betrekt ze erbij, zo vroeg ze. Ze onderschreef de eis dat de herenigde kerk een belijdende kerk moet zijn, maar zij was vooral geïnteresseerd of het ook een medelijdende kerk zou zijn. Zij vroeg aandacht voor de taak van de hogere organen om de Kerk te stimuleren bij de vervulling van haar diakonale opdracht.

Mevr. J. Salverda (hervormd ouderling te Zutphen) nam het op voor de handhaving van de geografisch begrensde gemeente en wilde geen modaliteitengemeenten. Tevens pleitte zij voor het instituut van de kerkvoogd.

Dr. W. J. Wielenga (gereformeerd ouderling te Breda) had kritiek op een passage in de inleiding van de Schets, waar staat: 'Het geheim en de kracht van de door Christus gewilde eenheid ligt in de ontvangen vergeving door het geloof. Hij merkte op dat men er met geloof alléén niet komt; ook het helpen van de medemens noemde dr. Wielenga een eis van Christus en hij zou dit graag in de Schets verwoord zien.

Dr. H. Vreekamp, voorzitter van de hervormde Raad voor Kerk en Israël, inhakend op de verwijzing in de Schets naar Romeinen 15 : 7, vroeg aandacht voor de aanvaarding door elkaar van jood en niet-jood.

Ds. A. Romein, het woord voerend namens de Generale Diakonale Raad, wees erop dat koinonia ook een missionaire en diakonale gemeenschap insluit. De Schets zou onvoldoende het gevaar onderkennen van de vorming van belangengemeenschappen, die als gesloten groepen kunnen gaan optreden.

Ouderling M. Vis (gereformeerd, Stiens) kon twee zaken in de Schets niet goed rijmen. Enerzijds wil men de classis twee ambtsdragers naar de generale synode doen afvaardigen, anderzijds stelt men dat de afvaardiging van predikanten, ouderlingen en diakenen geschiedt in de verhouding 1 : 1 : 1.

Ds. H. J. Hasper (gereformeerd, Almere Stad) vroeg of bij de 'horizontale lijn' in de koinonia ook gedacht mag worden aan samenwerking met de R.K. Kerk. De stelling in de Schets dat een Christus belijdende kerk een zegen voor (in) het Nederlandse volk zou zijn, wilde hij op zeer gedempte toon uitspreken. In zijn algemeenheid wilde hij de betekenis van Samen op weg-gebeuren sterk relativeren, omdat het zich slechts afspeelt tussen enkele reformatorische kerken.

Onderlinge mevr. H. Paulusma-van der Waals (gereformeerd, 's-Gravenhage) vond de in de Schets genoemde maximale zittingsduur voor het moderamen van de classis van 4 jaar aan de korte kant. Zij wilde een herbenoemingsmogelijkheid introduceren.

Ds. P. H. van Trigt (hervormd, Aalst) wees ook op het gevaar van de modaliteitengemeente. Hij sloot zich aan bij de brief van de Confessionele Vereniging. Hij wilde niet meer dan één plaatselijke gemeente. In elke andere oplossing zag hij een verbreking van de koinonia. Hij onderstreepte dat de plaatselijke gemeente de volle openbaring van het lichaam van Christus is. Kan Christus gedeeld zijn? , zo vroeg hij.

Drs. A. Borman (gereformeerd. Assen) achtte de kern van de koinonia dat afstand genomen wordt van elk groepsdenken. Hij vroeg zich af of het kerkgevoel daardoor tevens zonder betekenis zou worden. Fundamenteel onderscheidde hij tussen de akkoord-gedachte en de plantingsgedachte. De vraag is gewettigd, zo meende hij, of wat op plaatselijk vlak niet lukt, in classicaal verband wél zal lukken. Gewaakt moet worden voor een kerk van gelijkgezinden. Hij wees ten slotte op het gevaar dat een noodmaatregel een definitief karakter kan krijgen.

Ds. W. L. Dekker (hervormd, Roosendaal) memoreerde dat van de in 1951 van kracht geworden Hervormde Kerkorde ho­ge verwachtingen voor het leven der kerk werden gekoesterd, doch dat deze lang niet alle zijn bevestigd. De praktijk zal ook nu weer te weerbarstig blijken om de problemen via de keus voor een bepaald kerkordelijk model op te lossen. Niettemin verwachtte hij veel van de vondst van de classis als het centrale ontmoetingspunt. Er is bovendien geen alternatief, zo was zijn mening.

Ds. H. Dijkstra (gereformeerd, Opeinde) vroeg om verduidelijking van enkele passages in de Schets. Zo kon men daar lezen: 'Een belangrijk verschil in "zijn" van beide kerken ligt m.n. in een andere visie op de functie van de synode en op de relatie met de staat en de maatschappij'. Ds. Dijkstra wilde weten of er een visie op kerk en staat aanwezig is.

Elders in de Schets wordt weliswaar het ideaal van de eenheid van de geografische gemeente gesteld, maar wordt tegelijkertijd ruimte geboden aan minderheden. De eenheid zou dan beleefd moeten worden in classis. Ds. Dijkstra vroeg naar de betekenis van het woord 'moeten'. Ook vroeg hij duidelijkheid omtrent het aantal afgevaardigden naar de classis en de regeling van het appèl-recht.

Ds. J. Monteban (hervormd, Zelhem) vertolkte het gevoelen dat de bezinning wordt afgeknepen. De synodes zouden meer voeling moeten houden met het hele kerkelijk erf. Hij achtte bekering en vernieuwing van kerkelijke organisatievormen nodig. In dat verband wees hij op het verplaatsen van het probleem van de pluriformiteit van de plaatselijke gemeente naar de classis. Voorts sloot hij zich aan bij het amendement-Smit-Kruize.

Diaken mevr. G. A. Postema-van der Laan (gereformeerd. Grootebroek) vond de status van de Schets te vaag.

Ds. W. M. de Bakker (gereformeerd, Middelburg) onderschreef de keuze voor de hoofdlijn van de hervormde kerkstructuur. Een gevolg is dat de landelijke kerk meer aandacht zal krijgen dan thans bij de gereformeerden het geval is. Overigens plaatste hij wel kritische kanttekeningen bij de mixture van de hervormde en gereformeerde kerken-ordening. Is de Hervormde Kerkorde ook niet gedateerd? zo vroeg hij. Hij sprak voorts de vrees uit dat het typisch gereformeerde geen plaats meer zou kunnen krijgen doordat de hoofdstructuur afkomstig is uit de eerste 30 artikelen van de Hervormde Kerkorde. Waarom niet samen een nieuw gebouw optrekken? zo vroeg hij. Het geografische principe is niet heilig, zo stelde ds. Bakker, en het loslaten ervan is dus aanvaardbaar. Het amendement-Smit-Kruize ondersteunde hij.

Hij was er niet gelukkig mee dat de centrale kerkeraad weg zou vallen. Ook op plaatselijk vlak zou de eenheid der kerk tot uitdrukking moeten komen, zo meende hij. Tot besluit sprak hij de wens uit dat in 1991 de Schets in een bindende regeling zou zijn omgezet.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 december 1984

De Waarheidsvriend | 15 Pagina's

Verslag Combi-synode (3)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 december 1984

De Waarheidsvriend | 15 Pagina's