Geestelijke levensregels (8)
Gevaren
De apostel Paulus schrijft aan de Romeinen: Wordt van het kwade niet overwonnen, maar overwin het kwade door het goede. Meer nog dan iedere epidemie, die duizenden ten grave sleept, heeft het kwade als wezenlijk bestanddeel in zichzelf zich uit te breiden en anderen te besmetten. Dit besmettingsgevaar lopen menselijkerwijs juist alle helpers en allen, die tot helpen geroepen worden. En zoals nu de geneesheer zich beschermt tegen besmetting en de moderne gezondheidszorg in preventieve maatregelen de beste hulp ziet, zo hebben wij ook allen een bescherming van ons zieleleven nodig voor geestelijk besmetting. Het is wel duidelijk, dat deze bescherming niet in uiterlijke afzondering kan bestaan, want daaruit volgt farizeese hoogmoed en dat is nu juist een bijzonder ernstige vorm van zielkundige besmetting. Dan heeft het kwade ons werkelij k overwonnen. Daartegenover echter is wel een telkens vernieuwde innerlijke afzondering nodig. Een zekere geestelijke eenzaamheid om zo te zeggen.
Alleen hij, die dagelijks de kracht van vergiffenis en heiliging ontvangt, kan helper zijn. Anders overkomt ons het verschrikkelijk gericht, dat ons in de vorm van een volkomen vreemd menselijk lot juist als nood datgene tegemoet komt, waarin wij zelf nog gebonden zijn. Er is een dagelijkse gemeenschap met de hemelse hogepriester nodig, want ook de kleinste gelovige onderkent in zichzelf hoe zwak hij is. ledere geest uit de afgrond stelt aan hem, die hem bezwerend ontmoet, luidop of langzaam de vreselijke vraag, die de boze geest aan de zonen van de overpriester Sceva stelde: Jezus ken ik, en Paulus weet ik, maar gijlieden, wie zijt gij? Ja, wie zijt gij? Niet overeenkomstig menselijke mening, niet in uw eigen ogen, maar voor het gericht van de eeuwigheid? Bent u alleen maar iemand, die van verlossing en evangelie wetenschap draagt of bent u metterdaad verlost en leeft u wezenlijk in de kracht van het evangelie? Bent u door mensen geleerd of van God geleerd? Een beeld in de spiegel of een echt mens? Voorts is nodig innerlijke onomkoopbaarheid en onvoorwaardelijke oprechtheid. Heb geen gemeenschap aan anderen zonden. Bewaar uzelf rein. Hoe spoedig wordt menigmaal het heilige verraden en de kracht van de ziel om een schotel linzenmoes verkocht, wanneer met een kleine goede bedoeling een noodleugen wordt gebruikt, soms een kleinmenselijke solidariteit wordt gezocht. Lichtelijk zwakken wij met een klein accent de ernstige boodschap van het goddelijke Woord af. Dat is roof aan de eer van God, dat is verwisseling van het kruis van Christus voor het eigen ik. Dat betekent niet, dat wij dus plaatsgeven aan menselijke hardheid en onwrikbaarheid. Integendeel: alleen de onomkoopbare mens kan op de duur en in der waarheid barmhartig zijn. Alleen hij, die een vaste gang gaat, kan omgaan met het heilige om te zorgen en te helpen. Voor hem wordt het boze niet aanlokkelijk en besmettelijk. Hij kan de leeuwen en de beren in het gezicht zien. Ja, alleen de oprechten weten onwrikbaar in de verzoeking te staan.
Een verdere noodzakelijkheid ten opzichte van het gevaar van geestelijke besmetting is de heiliging van het medelijden. Er is een ontzenuwend medelijden, dat evenzeer hem schaadt, die het betoont, als degene voor wie het geldt. Er is een medelijden, dat alleen maar lijdesschuwheid is en gebrek aan innerlijke grootheid of uit nog troebeler bron voortkomt. Voor hoevelen werd het 'wenen met de wenenden' tot een valstrik. Ook onze beste tranen zijn alleen maar gezegend, wanneer wij ze voor de Heere vergieten. Juist het hart dat in leed en medelijden leeft, behoeft om de wille van zijn eeuwigheid en om de de wille van zijn naaste aangedaan te worden met de wapenrusting Gods. Wij moeten telkens weer opnieuw strijden, dat ons zwak versagend medelijden tot sterke barmhartigheid wordt om zo te kunnen troosten met de troost die wijzelf van God ontvangen. Alleen op deze manier zinken wij niet weg in de weemoed. Wanneer wij gewillig en getrouw blijven op de weg der gehoorzaamheid wordt de besmetting van de wereld des bozen vermeden. Tot datgene, wat God bevolen heeft, geeft Hij ook de kracht. Waar wij gaan helpen puur op eigen initiatief daar worden wij spoedig bedrogen en zal de Boze overwinnaar zijn.
Intussen heeft onze ziel nog een mogelijkheid zich tegen het gevaar te beschermen doordat hij zich daaraan gewent. Men went aan alles pleegt men wel te zeggen. Daarmee raken wij aan de onbetaalbare afweer van de ziel. De aanpassingsmogelijkheid van de ziel aan de gegeven omstandigheden is inderdaad fabelachtig. Soldaten in de oorlog kunnen daarvan spreken. Zij leren leven met bominslag en ontploffing, met dood en verderf zaaiende projektielen. In zekere zin gaan ze met hun eigen leven voort als in een bomvrije kelder, trekken een pantser aan en voeren oorlog met gesloten vizier. Er zijn merkwaardige voorvallen daaromtrent bekend hoe in de grootste ellenden iemand ongestoord voortleefde als bestond de verschrikking eenvoudig niet. Maar deze levenshouding heeft ook zijn gevaarlijke kant. Hoe gemakkelijk wordt die bomvrije bunker tot een kerker en het vizier tot een masker. Dan richten wij tussen de naaste en ons onzichtbare muren en afscheidingen op. Dan kan niemand meer de hartslag van de andere mens voelen, ternauwernood ook die van zichzelf. Men kent elkaar niet meer op het griezelige slagveld van het leven en kent zichzelf evenmin onder de voortdurenden dwang zich aan iedere situatie te moeten aanpassen. Dan dreigt het gevaar acuut van de uitbrekende hartstocht, alle regels te doorbreken. Wij staan allen bloot aan het gevaar van de gewoonte, want dat behoort tot een kenmerk van onze tijd. Hoe meer wij krachtens de taak van ons leven met anderen in aanraking komen, des te groter is dit gevaar. Want wanneer wij een weinig zielzorg aan anderen hebben gegeven, dan zien wij als door een kier opeens in alle nood van de tegenwoordige tijd, ja, dan grijnst ons ineens de ware daemonie van onze tijd aan. Wij blikken in infernale afgronden van het zieleleven. Dan komt de gewoonte en ommuurt de ziel en reikt haar het pantser aan. Dan wordt datgene wat voor anderen het grootste leed vertegenwoordigt voor ons tot een val. Wij gaan ordenen, rubriceren, schematiseren — alleen om zelf ons psychisch maar te kunnen handhaven. Maar vaker nog geraken wij zo verstard op dit punt, dat wij in het geheel niet meer zien dat zich in onze allernaaste omgeving tragedies afspelen. Wij verstaan niet meer de oogopslag van iemand te zien, wij horen de toon van zijn stem niet meer. Wij horen niet meer het hulpgeroep uit de ziel van onze naaste.
De grote-stadsdominee, maar ook de dorpspredikant kan dit risico lopen. Ja, zelfs vader en moeder bedreigt dit gevaar in de verhouding tot hun kinderen. Het kan wel eens diep treffen dat ineens iemand uit uw familie sterft, die u na stond. En toch — u realiseert u schrijnend: wij zijn jarenlang met elkaar omgegaan. Maar kennen, doorgronden, dat was er niet bij. Wij waren schepen die elkaar passeerden in de nacht! Een diepe snede betekent dit in uw leven. Zo onaandoenlijk kan zelfs de intiemste omgang worden! Dat wordt vooral duidelijk wanneer wij keer op keer bemerken dat huwelijken van twintig, dertig jaar ineens ontbonden worden. Laten wij daarom in heilige ernst er voor zorgdragen, dat wij niet aan alles gewennen, want zulk gewennen is de dood voor de ziel en de omgang. Wij erkennen heus wel dat een zekere gewoontevorming ons nodig is. Juist met het oog op het gebabbel van de dag, met het oog op de giftige damp rondom ons is een zekere harding wel nodig. Wij hebben inderdaad afweerwapenen nodig. Spurgeon spreekt ergens zo geestig van het blinde oog en het dove oor. Wees doof en blind voor de oude veten, die in de gemeente kunnen voortleven. Het blinde oog en het dove oor zal u bijzonder goed te pas komen in verband met geboren roddelaars. Er is zoveel 'geleut' in de wereld. Ten opzichte daarvan is een bewapening het beste instrument. Harding, discipline behoeven wij tegen de tuimelgeest en de praatgeest.
Maar — laat ons deze wapenen toch niet in de hand nemen in de rosmolengang van de gewoonte. De Heilige Geest behoede ons en scherme ons af tegen alle gevaar. In dat opzicht is het goed menigmaal ons te oefenen in het zesde hoofdstuk van Efeze. Laten wij ons leven vormen door de slaafse gewoonte, dan worden wij een ogenblik geestelijke marionetten. En in dat opzicht verliezen wij zeker alle leven. Geven wij ons leven over aan de werking des Woords door de Geest, dan bewaren wij toch in alles een persoonlijke toon en tint. Natuurlijk kunnen wij nog proberen het gevaar der alledaagsheid en der huisbakkenheid te weerstaan door middel van zelfopgeklopte geestdrift of hartstocht. Maar wij zullen in die kracht zeker falen. Het is met onze macht niets gedaan. Het komt er op aan onszelf door de Heere te geven. Geen woord, geen daad, geen gedachte, geen levensordening is waardevol wanneer daarin niet iets vloeit van ons hartebloed. Het gaat om de inzet van ons leven. Juist dat eigene, dat persoonlijke geeft aan alles smaak en geur en kracht. Het is met name het geheim van geniaal aangelegde mensen, maar óók van diep eenvoudige mensen. Wie er oog voor ontvangt ziet ze voor zich en in dat punt bewaren wij onvergankelijk de herinnering aan gemeenteleden die in wonderlijke originaliteit de hoop van hun leven vertolkten. Het Evangelie schept persoonlijkheden. Hildebrand in zijn 'Camera obscura' heeft deze typen getekend, maar niet minder ds. De Groot in zijn 'Schaap en bok in één hok'.
Hoe kan soms de gemeente een enkele persoon onnavolgbaar preciseren. Wat is er soms een weergaloos doorzien van toestanden en ingewikkeldheden in de gemeente. Eigenlijk zouden zulke personen meer bevoegdheden moeten hebben. Onder de moderne schrijvers is er eigenlijk alleen Thomas Mann, die zulke typen weet neer te zetten. Neen, echte zielszorg vraagt hartebloed. Door pure organisatie en papier bereikt u toch niets.
De strijd om op de smalle weg te blijven gaan vraagt voortdurend waakzaamheid tegen passie en de macht der alledaagsheid. Een ouderling uit een Veluwse gemeente verklaarde ons eens jaren geleden: 'de weg achter Christus aan kun je vergelijken met wandelen over de vlijmscherpe sneden van een gilette-mesje. Het kost voortdurend bloed en je valt zeer spoedig af naar de ene of naar de andere zijde'. Wij zijn dat woord nooit meer vergeten, want het was een uiting van een diepe geloofswijsheid. Wij leven steeds temidden van scherpe tegenstellingen. Dikwijls gaat het een in het ander over. De poort is eng en de weg is nauw. Wij moeten immer opnieuw de weg terugvinden van de dwaalweg naar de nauwe weg. Wij moeten zelfs met onszelf leren leven. Er komen ogenblikken dat wij te weinig liefde oefenen. Er zijn ook momenten, dat wij teveel liefde betonen. Wij vergeten dan dat wij ook de rechtvaardigheid dienen te beoefenen. Er is zelfs een liefde die toegeeflijkheid wordt. Te weinig liefde valt ten offer aan het gevaar van de alledaagsheid; te veel liefde loopt wel degelijk het gevaar van de hartstochtelijkheid. In de oefenschool des Heeren ontlopen wij beide. Daar leren wij het geheim van flinkheid zonder hardheid; van teerheid zonder wekelijkheid, van goedheid zonder goedmoedigheid, van ernstig zijn zonder krampachtigheid, van stil zijn zonder gesloten zijn. Daar bestaat de overgave in het bewust zijn van dienstbetoon en dienstbetoon waarvan het geheim overgave is. Zijn wij op deze weg gekomen, wij zullen zeker afdwalen. Wij zullen daarvoor ook geslagen worden. Maar toch zullen wij de hand van Hem die ons kastijdt kussen. Ze kastijdt alleen, om ons uit onwankelbare trouw dé trouw te leren. Wie eenmaal op deze weg is, o, hij wil nimmer terug. Die liefdedienst heeft ons nog nooit verdroten. Wij versagen wel, het is waar, maar wij leven toch weer op. Want telkens weer opnieuw ervaren wij: 'k Vertrouwd' op u, en 't blijft nog staag mijn zucht, om op Uw woord mijn vaste hoop te zetten.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 december 1984
De Waarheidsvriend | 15 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 december 1984
De Waarheidsvriend | 15 Pagina's