De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Herman Bavinck over de kerk (4)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Herman Bavinck over de kerk (4)

6 minuten leestijd

Het instituut dient er toe dat de kerk zich als organisme in de wereld kan openbaren, terwijl het organisme van zijn kant de kerk levend houdt als instituut.

De kerk als instituut en de kerk als organisme

Op de klank en op ons gevoel af ligt de onderscheiding tussen de kerk als instituut en als organisme dicht bij die tussen de zichtbare en de ontzichtbare kerk. Tenslotte is een instituut per definitie zichtbaar, maar datgene wat het doet functioneren en bijeen houdt is dit niet.

Zou men deze beide onderscheidingen echter gaan laten samenvallen, iets wat de hele traditie door telkens gebeurd is, dan wordt, onontwijkbaar, het ontzichtbare, het organisme, het eigenlijke. Het institutionaire, het georganiseerde verbondsvolk, komt dan op het tweede plan. Er is spiritualisme ontstaan. De 'eigenlijke kerk' zou dan gevormd worden door bijvoorbeeld wedergeborenen, in ieder geval door mensen die een 'inwendig licht' hebben ontvangen, iets waarvoor Bavinck overigens best een beetje gevoelig is, al zal blijken dat hij uiteindelijk deze weg niet inslaat.

Niet alleen wil Bavinck op dit punt deze weg niet op, maar, sterker nog, hij polemiseert fel tegen die mensen die de uitglijder maken dat ze de onderscheiding van de kerk als instituut en als organisme laten samenvallen met die tussen zichtbare en onzichtbare kerk. Zelfs in zijn boekje 'Roeping en Belofte', waarin Bavinck voor spiritualisme bepaald niet ongevoelig blijkt, en voortdurend uitspraken doet die de indruk wekken dat hij bezig is het geloof op de wedergeboorte te funderen in plaats van op de beloften van God, houdt hij zich aan de grondstelling dat beide onderscheidingen niet samenvallen.

Heel nadrukkelijk stelt Bavinck: de onderscheiding tussen instituut en organisme heeft uitsluitend betrekking op de zichtbare, voorhanden kerk. Deze openbaart zich als instituut, namelijk in haar kerkinrichting, eri als organisme, namelijk in haar gehoorzaamheid en leven, zowel binnen de kerk als daarbuiten.

Vanuit dit vertrekpunt keert hij zich dan tegen de gedachte dat de kerk als organisme een vage ongeorganiseerde groep van wedergeborenen zou zijn, die voorafgaat aan het instituut, als vooraf-wedergeborenen zich, vervolgens, zouden organiseren in een instituut. Dan worden de Geest (het organisme) en het Woord (de prediking van het ambt, terwille waarvan het instituut er dient te zijn) uiteengelegd (IV 311). Zonder de naam van Kuyper te noemen is Bavinck terug op dit punt Kuyper heel evenwichtig en in aansluiting aan zowel Calvijn als Luther te corrigeren (IV 289 v, 298). Het instituut dient er toe dat de kerk zich als organisme in de wereld kan openbaren, terwijl het organisme van zijn kant de kerk levend houdt als instituut.

Wanneer instituut en organisme twee aspecten zijn van de ene zichtbare kerk, moet men deze ook invullen. Bij de institutionele zijde kan men dan denken aan de vormgeving aan het kerkelijk leven via de kerkorde, en bij het organisme denkt Bavinck vooral aan het onderling dienstbetoon en de beoefening van de broederliefde. Men kan het wat spijtig vinden dat Bavinck hier de dienst aan de wereld niet noemt.

Actualiteit

De scheiding instituut-organisme is voor het kerkelijk gereformeerd kerkmodel op voetspoor van Kuyper bepalend geworden. De gedachtengang is dan deze: er is één organisme, door de Geest in het leven geroepen, waarbinnen zowel de kerkelijke als de wereldlijke gehoorzaamheid gewekt wordt. De eerste verwerkelijkt zich in het instituut der kerk, de tweede in de christelijke groepsvorming.

Er vallen twee schaduwen over deze con­structie. De eerste is dat de wedergeboorte, het geestelijk gebeuren, van de kerk als instituut wordt losgemaakt: het geloof komt niet meer vóór alles uit de prediking óp, maar gelovige mensen gaan met elkaar het instituut van de kerk organiseren, waarbinnen vervolgens gepredikt gaat worden om het geloof te onderhouden. Zo wordt het instituut bijzaak.

De tweede schaduw is dan, dat op deze wijze het insituut alle trekken dreigt te gaan vertonen van een religieuze vereniging, door mensen opgericht en dus ook door hen in het leven te houden.

Hiertegenover staat dan het klassiek-hervormde model. De onderscheiding tussen instituut en organisme wordt verworpen op grond van het argument dat het insituut óók het organisme is, en vice versa, omdat de kerk geen instelling is van mensen. Daarmee staat men dan heel dicht bij Bavinck: het is aan het instituut om zich als organisme, naar buiten en naar binnen, te gedragen.

Ook over dit model valt echter een schaduw. Wil de kerk immers in haar geheel op de maatschappij inwerken, en verwaarloost men dat de prediking van Gods geboden en beloften voor de samenleving daarbij in het centrum hebben te staan, dan ontaardt de kerk in een schaduw-maatschappij. Ze haalt dan alles wat in de maatschappij aan deskundigheid voorhanden is, binnen, om vervolgens op precies hetzelfde punt uit te komen waar het gereformeerd kerkmodel de kerk bracht: de kerk wordt tot een religieus gemotiveerde maatschappelijke groepering.

Het enig onderscheid met de Gereformeerde Kerken kan dan nog zijn, dat bij hen de distantie tussen staat en overheid groter is dan bij de hervormden, maar beide zijn ze via eenzijdige doorvoering van een 'model' een stuk eigenheid van het kerk-zijn kwijtgeraakt.

Het is daarom ons inziens mogelijk het gereformeerd kerkmodel niet nodeloos in gebreke te stellen, maar te erkennen dat het niet allemaal onzin is, en deze erkenning dan niet over Kuyper maar over Bavinck te laten lopen. De inzet mag dan, met Bavinck, zijn dat instituut en organisme de twee te onderscheiden zijden zijn van dezelfde zaak, namelijk van de: zichtbare kerk. Vervolgens mogen we, op de theocratische lijn - we komen op het theacratisch denken van Bavinck te zijner tijd nog terug - de gehoorzaamheid van het organisme allereerst betrekken op het getuigenis en de dienst van de kerk in de wereld, met name naar de overheid toe, iets wat bij Kuyper geheel ontbreekt.

Tot slot leren we dan, dat het onderscheid tussen instituut en organisme ook daarom geen onzin is, omdat het ons verwijst naar het geestelijk gehalte van het instituut: juist de erkenning van dit geestelijk gehalte kan het instituut bewaren voor verwereldlijking, zowel voor formalisme zoals we dit in onze zusterkerken vaak hebben aangetroffen, als voor verwatering zoals we die in een volkskerk als de onze zien gebeuren die zichzelf dreigt te verlagen tot een soort geestelijke schaduwmaatschappij. In beide gevallen is het dan goed om nog eens héél duidelijk, met Bavinck, te zeggen dat de kerk een geestelijk instituut is.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 december 1984

De Waarheidsvriend | 15 Pagina's

Herman Bavinck over de kerk (4)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 december 1984

De Waarheidsvriend | 15 Pagina's