Globaal bekeken
'H.M. koningin Beatrix bij de Geref. Gezindte'. Dat is het opschrift van een artikel in Opbouw - orgaan van de Nederlands Gereformeerde Kerken - van de hand van ds. H. J. van der Kwast. Het handelt over het bezoek van onze Koningin aan de tentoonstelling 'Anderhalve eeuw gereformeerden' In het Catharijneconvent in Utrecht. Uit dit artikel de volgende aardige passage:
'De ''Gereformeerden'' hebben bij alle onderlinge verdeeldheid een belangrijke plaats ingenomen in ons volksleven. Hieraan ontleende men de vrijmoedigheid om H.M. koningin Beatrix uit te nodigen voor een bezoek aan de expositie. De Koningin zag kans bij al haar verplichtingen ruimte te maken voor een bezichtiging van de tentoonstelling en sprak daarbij de wens uit een gesprek te hebben met vertegenwoordigers van de kerken, die uit de Afscheiding zijn voortgekomen.
De voorbereidingen moesten in vertrouwelijke sfeer worden getroffen vanwege een embargo op de bekendmaking van koninklijke bezoeken. En zo gebeurde het dat op zaterdag 10 november omstreeks 10 uur in de morgen een bijeenkomst van vertegenwoordigers van gereformeerde kerken bijeenkwam in een samenstelling die uniek was. Gaat u maar na: op de foto's die bij deze gelegenheid zijn gemaakt (alleen het Nederlands Dagblad nam een foto op) staan rondom H.M. de Koningin, zo te zien broederlijk vereend vertegenwoordigers van de Geref Kerken onder leiding van dr. H. J. Kouwenhoven, van de Chr. Geref Kerken met ds. J. H. Velema, van de Geref Kerken vrijgemaakt met ds. C. J. Smelik, de Geref Gemeenten met ds. K. de Gier en uit onze kerken dr. J. Meulink, deputaat H. Overheid, drs. H. de Jong en ondergetekende.
Dit bijeenzijn maakte onder de aanwezigen wel een en ander los, zoals bleek uit de bij tijden bewogen onderlinge gesprekken. Maar eerst nu over het optreden van koningin Beatrix.
Het was voor haar geen eenvoudige zaak om zich op deze ontmoeting voor te bereiden. Na haar binnenkomst via het restaurant groette zij de wat gespannen mannenbroeders vriendelijk en bezocht vergezeld van haar gevolg eerst het museum. Vervolgens kregen wij onze instructies. In het refter van het museum vond de ontmoeting plaats. Eerst gingen we op de foto (zie Nederlands Dagblad). Vervolgens sprak de Koningin met elke delegatie apart, precies naar het tijdschema, waarbij voor allen hetzelfde aantal minuten was uitgetrokken.
Het is ons - Meulink, De Jong, Van der Kwast - niet bekend welke vragen H.M. elders heeft gesteld. Bij ons informeerde ze naar onze plaats in dit geheel, en onze verhouding tot andere kerken. We zagen kans haar een indruk te geven van onze prediking, de opleiding, de zending en verzekerden haar van het meeleven en het gebed binnen de kerken voor het koninklijk gezin. Het was, zoals u begrijpt, zo voorbij, veel te kort zei de Koningin zelf.
Toch was het ingrijpend, niet alleen in die zin dat het niet alle dagen voorkomt dat je in gesprek komt met ons staatshoofd, maar ook omdat we ons wel beschaamd voelden. De aardse majesteit bracht ons bijeen en daar sta je dan vriendelijk naast elkaar en voor anderen is het verschil tussen al die gereformeerden maar heel moeilijk duidelijk te maken. Hoe kleiner het verschil, hoe moeilijker de verhouding. Het was met dit al een enerverende dag. Overigens had men in de media alleen bij uitzondering belangstelling voor deze ontmoeting. Dat laatste moet ons ook te denken geven. Laten we hopen dat bij een volgende herdenking het aantal gereformeerde kerken is teruggebracht. God zegene de Koningin en haar gezin.'
***
Uitgeverij T. Wever gaat 'de autobiografie van Charles Haddon Spurgeon' opnieuw uitgeven, naar een editie van 1900, die In het antiquariaat van Wever in Franeker werd aangetroffen. 'Bij Spurgeon kun je zoiets doen. Zijn taalgebruik is er fris genoeg voor' schrijft de uitgever en voegt een paar kleine citaten uit dit 'grote en grootse boek' toe. Hier volgt de tekst van twee ervan:
• 'Ik herinner mij heel goed mijn vader te hebben horen spreken over een voorval, dat een grote indruk op hem heeft gemaakt. Hij placht dikwijls van huis te zijn om op andere plaatsen te prediken, en toen hij nu eens op weg was om zodanige predikdienst te gaan vervullen, werd hij opeens aangevallen door de gedachte, dat hij zijn eigen gezin veronachtzaamde, terwijl hij aldus voor de zielen van anderen zorgde. Hij keerde dus terug en ging naar huis. Daar aan gekomen, verwonderde het hem niemand in de benedenkamers te vinden; maar de trap opgaande, hoorde hij een stem als van iemand, die bad. Hij luisterde aan de deur der slaapkamer, en ontdekte, dat het mijn moeder was, vurig pleitende in het gebed tot God voor de verlossing van al haar kinderen, en inzonderheid biddende voor Charles, haar eerstgeborene, in wie zich zulk een sterke wil openbaarde. Toen gevoelde mijn vader, dat hij gerust op de dienst zijns Meesters kon uitgaan, terwijl zijn lieve vrouw thuis zo goed voor de geestelijke belangen zijner kinderen zorgde. Hij heeft haar dus niet gestoord, maar ging terstond heen om zijn predikbeurt waar te nemen.'
• 'Eens zei mijn moeder tot mij: "Och, Charles, ik heb de Heere dikwijls gebeden u een Christen te maken, maar ik heb Hem nooit gevraagd, dat gij een Baptist zoudt worden". Ik kon de verzoeking niet weerstaan om te antwoorden: "O moeder! de Heere heeft met Zijn gewone milddadigheid uw gebed verhoord, en u gegeven boven al wat gij gebeden of gedacht hebt".'
***
De laatste tijd hebben wij ook In ons blad enige aandacht gegeven aan Geert Grote, de man van de 'Moderne Devotie', wiens sterfjaar (1384) thans herdacht wordt.
Op 18 augustus hield prof. dr. G. C. de Bruin in de Lebuïnuskerk te Deventer een toespraak, getiteld 'Geert Grote (20 augustus 1384 overleden) als bekeerling en reformist geplaatst in het kader van zijn tijd.' De rede Is uitgegeven door het Geert Grote Genootschap in Deventer. Het was me een vreugde mijn oud-leraar Nederlands, later hoogleraar in Leiden, op deze wijze nog weer eens te 'ontmoeten'. Uit zijn geschrift, geschreven in de hem eigen, gevulde, sprankelende taal, nemen we het volgende over:
'Het enige kind van de schepen Werner Grote en Heylwig van der Basselen, beiden afkomstig uit aanzienlijkegeslachten, was geboren in 1340. Tien jaar later, in 1350, bezweken zijn ouders aan de gevreesde ziekte. De jonge wees werd toevertrouwd aan de zorgen van een aangetrouwde oom. Na zijn vooropleiding aan de kapittelschool van de Lebuïnuskerk, wellicht ook aan kathedrale scholen in Keulen en Aken, ging hij op vijftienjarige leeftijd naar de universiteit van Parijs. De gefortuneerde jongeman kon beschikken over een zeer ruime toelage waarmee hij royaal omsprong en veel vrienden maakte. Niets verzet zich tegen de gedachte dat hij met hen op uitbundige wijze deelnam aan wijnfeesten en studentenliederen zong als het bekende 'Mihi est propositum in taberna mori '(het is mijn voornemen in de kroeg mijn leven te beëindigen), zonder zich precies rekenschap te geven van de betekenis van deze luchthartige woorden. Intussen, een losbandige doordraaier was hij allerminst. Hij had zichzelf in bedwang en volbracht zijn studie aan de faculteit van de zeven vrije kunsten in de kortst mogelijke tijd. Binnen drie jaar behaalde hij de graad van magister. Deze titel opende de toegang tot het verwerven van een doctoraat in de theologie of de rechten of de geneeskunde. Grote heeft om niet geheel verklaarde redenen, van dit recht geen gebruik gemaakt Hij blééf magister en ging voortaan als 'meester Geert' door het leven. In zijn vaderstad stond hij later als zodanig bekend, en niet eenvoudigweg als "Geert van Werner". (...)'
'Het typeert hem overigens dat hij alleen zulke boeken wilde hebben waarvan de tekst onbedorven was. Zijn briefwisseling, die vooreen niet gering deel handelt over het verwerven, kopiëren, lenen en uitlenen van boeken, geeft daarvan treffende bewijzen. Het tekent de geleerde verzamelaar bovenal dat hij met kennelijke voorkeur - behalve de H. Schrift - tractaten van Augustinus en Bernardus van Clairvaux begeert te bezitten, schrijvers die zeer hoge eisen stellen aan de capaciteiten van het hoofd en gaven van het hart van de lezer. Eenmaal reisde Grote, vergezeld van een vriend en voorzien van een wijnkroes met gouden munten, naar Parijs om daar aankopen te doen.
Na de boekenverbranding legde hij zich toe op een leven als arme van Christus, een leven van onthechting en versterving. Hij deed afstand van zijn prebenden en van een groot deel van zijn ander bezit. Zijn fraaie wereldse kleding met de zilveren gordelriem legde hij af en hij verving ze door een oud, vaal gekleurd boetehabijt met daaronder op de blote huid een scherp haren kleed. De wollen muts die bijdroeg, zat vol motgaten. Toen een goede vriend die medelijden met hem kreeg, hem een nieuwe aanbood, weigerde Geert Grote met de woorden: "Wil je mij m'n armoede ontnemen?" In plaats van zoals vroeger heerlijke spijzen en dranken te nuttigen at hij zo sober mogelijk. Niet langer was hij er op uit een glanzende loopbaan in kerk of maatschappij af te leggen. Nu ging zijn hart uit naar het beklimmen van de steile ladder van de innerlijke vervolmaking en zelfheiliging. (...)'
'Er komt nog een factor bij die de quintessens van zijn streven bepaalt er een speciale dimensie aan toevoegt Dat is wat ik met een misschien wat zwaarbeladen term zijn zin voorstudie en wetenschapsbeoefening zou willen noemen. Een voorbeeld ter verduidelijking: het druiste in tegen zijn behoefte aan reinheid manuscripten aan te kopen waarvan de tekst corrupt was. In verband hiermee mag opnieuw zijn boekenliefde die soms overging in boekenhartstocht niet onvermeld blijven.
Geen vraag behoeft het meer te zijn of hij een voorloper van de Kerkhervorming was. Dat was hij niet. Kondigde hij het zestiende-eeuwse spiritualisme of de tolerantie-idee aan? Evenmin. Wel loopt er van hem en van de Moderne Devotie een lijn naar de Katholieke Reformatie van de zestiende eeuw. Een calvinistische theoloog uit de zeventiende eeuw noemde de Navolging van Christus het goddelijkste boek dat hij, naast de Bijbel, kende. Dit wijst evenmin op een doorwerking van de idealen der devoten als de overeenkomsten tussen hen en de bevindelijke gereformeerde piëtisten met hun wereldmijding en consciëntieus zelfonderzoek. Deze gelijkenis berust alleen op analogieën, en vloeit niet voort uit een historisch aantoonbare afhankelijkheid. (...)'
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 december 1984
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 december 1984
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's