De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Geestelijke levensregels (9)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Geestelijke levensregels (9)

13 minuten leestijd

Gods Woord wordt ons door anderen in allerlei vorm doorgegeven.

Geestelijke vorming

Het is een diepe waarheid, die wij bij de Evangelist Mattheüs vinden geschreven: De mens zal bij brood alleen niet leven, maar bij alle Woord dat door de mond Gods uitgaat. Nu is het evenwel zo, dat dit Woord Gods ons niet rechtstreeks meer uit de hemel bereikt, maar door anderen ons wordt doorgegeven. Daar is allereerst de Heilige Schrift zelf, die door een bijzondere goedheid van God in ons midden overal kan worden verkregen en gelezen. Dat zou op zichzelf al een reden tot een bijzondere beschouwing bieden, maar daar kunnen wij in dit bestek nu niet nader op ingaan. Daarnaast is er velerlei lectuur in de vorm van meditatie, stichtelijke werken, bijbelstudies en zoveel meer, die wij om zo te zeggen secundaire geschriften zouden kunnen noemen. Ook laat de Heere in ons midden nog levende christenen, wier woorden en daden ons de Schrift in hoogst eigen ervaring kunnen vertolken. Maar - dat alles tezamen genomen: Gods Woord wordt ons door anderen in allerlei vorm doorgegeven. Dat deze bemiddeling door mensen, dit doorgeven van de ene generatie aan de andere, van de ene ziel aan de andere, mogelijk is, dat behoort tot de grote taken, die door ons allen gezamenlijk en in wederkerige betrekking te vervullen zijn.

Een ieder, die een willekeurige cursus volgt, verheugt zich er op dat hij eens uitgeleerd is. En een ieder doet de ondervinding op, dat 'uitgeleerd zijn' nooit wordt bereikt. Wij willen nu deze algemene ervaring niet maar met ons meenemen bij wijze van oppervlakkige wijsheid, neen, wij willen daaruit bovenal een heilige plicht afleiden. Hoe meer wij in het leven meemaken, hoe meer wij overal arbeiden, werken en onderwijs geven of ontvangen, des te meer is onze levensweg een diepdeemoedig levenslang leren. Daarmee bedoelen wij niet een zaak die zo maar vanzelf gebeurt en ons als het ware aanvliegt - neen, het is een gaan tot de bronnen, een putten en een drinken. Het is een proces, dat bewust onderhouden worden moet. De Spreukendichter zegt ergens: Een horend oor en een ziend oog, heeft de Heere gemaakt, ja, die beide. Een oor te hebben is niet genoeg, dat heeft een dove ook, maar het moet een horend oor zijn. En zo ook een oog te hebben baat u niet, maar het moet een ziend oog zijn. Dit geldt op lichamelijk en geestelijk gebied. Aan Hem moet dus de dank daarvoor worden gebracht. Aan de Heere moet het gebruik van dat horende oor en dat ziende oog worden gewijd. Daarom moeten wij ze ook gebruiken en niet doof en blind door het leven gaan. Het is op dit punt onvoorstelbaar hoe afgestompt vele rpensen door het leven gaan. Sommigen reizen de ganse wereld door, maar hebben klaarblijkelijk niets gezien en niets gehoord. Ze hebben niet nagedacht over hun ervaringen. Terwijl u op een andere keer een mens ontmoet die helemaal niet ver weg is geweest, maar ogen en oren goed heeft gebruikt. Hij heeft opgemerkt de torens en de kerken, de rivieren, de stijl der boederijen, landbouw en veeteelt. Er behoort veel beschaving toe om het eenvoudige te waarderen. Wij hebben ze ontmoet, stille figuren, die betrekkelijk weinig reisden, maar ze doorgrondden met klare blik de toestand van land en volk. Ze keken en hoorden met aandacht. Ze oordeelden scherp door eenvoudig te vergelijken het een met het ander; de wereld met het Woord.

Het behoeft in dit verband geen nadere vermelding dat de voornaamste bron de Heilige Schrift is. Daartoe moeten wij gedurig weer gaan. Laten wij intussen niet vergeten, dat dit leren uit het Woord zo nu en dan ook moet betekenen: uit het hoofd leren. Het goed is het onder het werk de een of andere tekst uit de Schrift door middel van het geheugen paraat te hebben. Het is een tijdlang mode geweest minderwaardig te spreken over het memoriseren, het zou alleen maar verstandswerk zijn, zogenaamd de geest en de fantasie doden. Zulk een spreken straft zichzelf. Het geheugen is een zaak van het hart. Datgene wat wij uit het hoofd leren werkt in de diepste lagen van onze ziel voort. Het zet zich vast in het onbewuste leven en werkt scheppend voort de jaren door. Daarbij vermeerdert het de vastheid en de bewarende kracht van het gemoedsleven.

Eén dezer dagen kwam ons een liederenbundel uit onze schooljaren onder de ogen. Opeens zagen wij ons weer zitten in het schoollokaal met de suizende gaslampen. En opeens kwamen de refreinen van de vaderlandse liederen terug. Hoe gezegend is het een onderwijzer te hebben gehad die op goed geheugenwerk stond. Schatten aan wijsheid bewaren wij daardoor. Bij het bijbelwoord behoort dan ook het leren van een psalmvers, of ander christelijk lied. Wat een troost kunnen wij daarvan hebben. Het is zelfs een goede raad iedere week een vers uit het hoofd te leren, om maar niet te spreken van de een of andere gedachte van een denker. Wij denken daarbij aan het prachtige boek van Gunning, 'De morgenstond nadert'.

Vervolgens moeten wij eens denken aan onze grote dichters en denkers. Uit een goede kerkgeschiedenis kunt u zo de namen putten van de klassieken. Van hen kunnen wij altijd weer leren. Zij hebben woorden te zeggen, die de eeuwen verduren. Het leerproces waardoor wij bij deze klassieken blijven is niet passief. Het is in hoge mate aktief. Er ligt al een bewuste keuze in het aantal boeken dat wij lezen. Het is zelfs goed jarenlang bij één auteur te blijven. Het gaat ook niet om veel achter elkaar te lezen. Het mangelvrouwtje in Hogenbirks Neveldijk leest praktisch alleen Thomas Watzon. Ze wordt er door gestimuleerd in haar gedachtenwereld. Een ieder doet in het geloofsleven de ervaring op dat wij een bepaalde auteur hebben van wie wij veel leren. Wij leven ons in in zijn werk. Wij worden door zijn gedachten bevrucht. Wij laten ons door hem leiden. Wij worden tot denken gebracht. Daar hebben wij ons een leermeester gevonden, die ons jarenlang begeleidt. Het moet altijd iemand zijn, die boven ons staat in geestelijke kracht en die ons de Schriften doet verstaan. Of dat nu een levende is of een reeds heengegane, Brakel, Erskine, of een Luther of een Calvijn - het gaat hier om trouw, in het geheel niet om fanatieke aanhankelijkheid, wij bedoelen levenslang leren, al was het maar van één leermeester. Daar bloeit eerbied op, dankbaarheid, liefde en bestendigheid om steeds meer die éne auteur beter te verstaan. Hoe kunnen wij toch zulk een leermeester liefhebben! Ja, wij doen de ondervinding op dat wij de doden beter leren verstaan dan de levenden. Van die ene uit zal men dan de anderen ook leren kunnen, zoals men van het geboortedorp uit tochten almaar verder maakt in de omgeving. Uitgaande van één auteur al maar verder - zie, dan ontstaat niet een chaos van geestelijk bezit, niet een verzameling van geestelijke trefwoorden, ook niet een last van theoretische kennis, maar een geordend arsenaal van geestelijke wapenen, erkend en beproefd en bruikbaar voor de direkte levensstrijd.

Hoe meer wij nu van één willekeurig punt uit in het geestelijk leven de innerlijke verdieping leren en oefenen, des te meer reiken wij ook in de breedte. Daarbij doen wij een merkwaardige ervaring op. Het vluchtig opgevangen Woord, het artikel in de krant of het tijdschrift kan dan niet als indruk dienstig zijn, maar als wezenlijke verrijking. Uit de diepte gevoed kijken wij dan om ons heen en merken velerlei op, wat ons verbreden kan. Het gaat intussen hier er wel om in het kleine getrouw te zijn. Acht het niet vervelend telkens weer iets op te schrijven. Later kunt u het weer overlezen. Wat wordt zulk een reeks van notities kostbaar bij het vorderen van de levensbaan. Uw innerlijke ontwikkeling leest u er uit af. In de biografie van Gunning Sr. heeft zijn zoon ook allerlei gedachten verzameld van zijn vader. Ontroerende optekeningen staan daarbij: let wel, het waren dagboekaantekeningen, die ons een blik gunnen in de diepste roerselen van deze edele ziel. Wij hebben in de gemeente ook wel eens inzage gehad van aantekeningen bijvoorbeeld door een vader en een moeder gedaan bij hun leven. Later gevonden gaf het een treffend aandenken. Welnu, wanneer wij bijvoorbeeld ook eens van ieder boek, dat wij hebben gelezen of van iedere belangrijke ondervinding eens twee bladzijden in een schrift noteerden - wat zouden wij daarin een bron van wasdom hebben!

Een oude raad tenslotte voegen wij hierbij: Het is, mits wijs gebruikt, bijzonder goed vooral in tijden van opgewekt leven of in perioden van verdriet, een dagboek bij te houden. Ter gelegenheid van een reis doet het deugd, maar ook elders waar nieuwe indrukken op ons afkomen. Wij weten dat er gevaar schuilt in dagboek-schrijven. 't Leidt tot te grote aandacht voor onszelf.

Maar het sluit aan de andere kant niet uit, dat, met mate gehanteerd, hier ook een middel is van grote kracht. Een dagboek is eigenlijk immers ook een verzameling van uittreksels uit het grote boek der werkelijkheid. Bij de veelheid van indrukken uit het moderne leven is het veeleer een gebod van psychische welstand zo nu en dan iets op te schrijven. Wij leven dan niet meer van vluchtige indrukken - neen, wij geven er gestalte aan in het woord. Wij hebben ze duidelijk voor ons. De oude Gunning schrijft ergens: 'wat ik waarlijk vurig begeer, blijft niet in onbepaalde woorden'. Zo is het met ons ook. Helderheid doet beklijven! Daardoor mede wordt het psalmwoord voor ons waar: vergeet geen van Zijn weldaden. Leren op deze manier is aktiviteit, er gaat een scheppende kracht van uit, het is een voorname plicht gedurende ons gehele leven.

Wij spraken in het bovenstaande over het diepdeemoedig levenslang leren. Welnu, wie deze leidraad geheel innerlijk aanvaardt, zal ze verrijken. En nu hgt die verrijking niet alleen daarin dat een schat van kennis ons eigendom wordt, er geschiedt meer. In onze ziel wordt een bekwaamheid gevormd die voor een geheel mensenleven van principiële betekenis is: wij leren luisteren. Wij zullen ons niet ergeren aan de eenvoud van deze uitdrukking. Laten wij maar zien op de realiteit: wie kan in de strijd der meningen in onze tegenwoordige tijd nog luisteren naar de ander? Men luistert alleen naar zichzelf, men heeft alleen kennis van de eigen zaak en die ook dikwijls maar zeer ten dele. De tegenpartij begrijpt men in het geheel niet, voor een deel om principiële redenen niet, voor een deel niet omdat de bekwaamheid verloren is gegaan boven het bereik van het eigen leven uit te luisteren. Vandaar de onbekwaamheid zelfs een politieke tegenstander ernstig te nemen of zelfs de argwaan zijn motieven ernstig te nemen. En wat nu van de politiek geldt, dat geldt ook voor het dagelijks leven. Waar zijn de luisteraars? De Spreukendichter klaagt: elkeen van de menigte der mensen roept zijn weldadigheid uit, maar wie zal een recht trouwe man vinden?

Wanneer wij het moderne leven goed proeven, dan is het beeld eerder in de plaats gekomen van het Woord. In plaats van het woord dat gesproken en gehoord, ja beluisterd worden moet, hebben wij de film, de dia, de televisie gekregen. In plaats van de kunst van het horen overwint de kunst van het zien in de betekenis van lust der ogen, die door reclame en televisie gestild worden - moet. Horen doet de moderne mens nog bijna alleen aan telefoon of radio. Wat is het daarentegen in deze wereld van de overprikkeling van alle uiterlijke zinnen, in deze wereld van lawaai, misverstand, verdachtmaking en haast - wat is het een weldaad wanneer er een mens is die echt luisteren kan. Echt luisteren - dat vraagt tijd. Het veronderstelt de gave van rust te hebben. Het betekent ook dat ons eigen wezen in orde is; er is vrede, innerlijke harmonie en losgeraakt zijn van de wirwar. Nooit vergeten wij die broeder en die zuster daar ergens > in één onzer gemeenten. Ze woonden wat achteraf in de stille polder. Ze zaten des middags meestal onder de grote schouw. Ieder ter zijde van het fornuis in een rieten stoel. De klok tikte langzaam de uren weg. Door het raam zag ik de wijde lucht. Het gewone werk was gedaan. Je was er altijd welkom. Er werd geluisterd. Af en toe was er een woord van genezing. Maar ook de dingen van het dorp en de wereld werden beluisterd op de vraag wat het Woord er van zei. En wanneer wij dan niet meer wisten wat het Woord zei, dan werd de Bijbel boven van de schouwplank gepakt, opgeslagen. 'Krek, wat ik docht', zei de man wanneer hij de plaats vond. O, er zijn huizen waar de eeuwigheidsstilte suizelt door de kamer. Dat was nu een huis, waar het niet ging om de laatste nieuwtjes van de dag. Ook niet om het heimelijk vermaak van een anders levensleed. Evenmin was er een begeren naar een burengerucht om van eigen onrust af te komen. Er was een diep, warm gesprek, waar eigenlijk alleen het Woord sprak. Wat zijn wij er vaak getroost vandaan gekomen. Beiden, zowel broer als zus, rusten reeds lang in het graf. Ons dunkt, hun werken volgen met hen. Want wat hebben die twee vele onrustige zielen getroost door alleen maar... te luisteren

Dat stille koninklijke luisteren vraagt een geheiligde mensenkennis. Wij leren door dat luisteren ook de trekken verstaan van de onrust die niet uitgesproken wordt. Echte hoorders hebben antennen, die ook de fijnste trillingen opvangen. Geloof ons, zulk een echt luisteren is heel wat anders dan passief opnemen. Het dringt door tot in de fijnste vezelen van andermans ziel en verstaat de schreeuw om warmte, om gemeenschap, om leven. Zulk luisteren kan zielzorg schenken van de hoogste graad. Wij mogen in dat luisteren geen verraad plegen aan hem of haar die spreekt. Diep luisteren en zo af en toe iets zeggen, geeft majesteit. Dan kan er ineens een ogenblik komen om het Woord te laten spreken. Wij naderen dan als voor de troon van Hem, die eeuwig spreekt. Zulke mensen ontvangen een geestelijke autoriteit in het midden der gemeente. Niet omdat ze zoveel zeggen, maar omdat hun woorden geladen zijn met eeuwigheidskracht. Gezegend wanneer een gemeente ouderlingen en diakenen heeft met zulk een gezag. Wij worden daar geleid tot voor Gods troon. Alleen wie de stilte der eeuwigheid in het Woord heeft beluisterd, kan met gezag het Woord doorgeven. Daar is wel een proces voor nodig. Ons gebabbel en gepraat moet omkomen in het gericht van God. Wij Ieren daar zwijgen. En door dat zwijgen heen ontvangen wij een nieuwe geestelijke macht. Daaruit blijkt, dat wij geestelijke wasdom bezitten. Want al wat uit de diepte komt, reikt hoog en ver. Het oefent invloed om u heen en het beklijft.

Daarbij is het totaal niet van belang of u dialect spreekt of algemeen beschaafd Nederlands. Neen, uw geestelijke vorming adelt uw spraak met een nieuwe glans. Uw denken is in beslag genomen door Gods gedachten. Dat vormt u het allerdiepste. Wij gewennen dan aan het Woord. 'Krek, wat ik docht!'

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 december 1984

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Geestelijke levensregels (9)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 december 1984

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's