De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Globaal bekeken

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Globaal bekeken

7 minuten leestijd

Dat niet alleen het menselijk lichaam, maar ook de menselijke geest ziek kan zijn is duidelijk. Hoeveel mensen zijn er met name in onze tijd niet, die gebukt gaan onder zware psychische pijnen en noden, waar een ander mens niet kan inkomen. Het verschijnsel is overigens niet van vandaag of gister. In een 'Gedenkboek van de vereniging tot christelijke verzorging van geestes- en zenuwzieken, 1884-1984' (Kok, Kampen), is een bijlage opgenomen, bevattende enkele gedeelten uit een boek van 499 bladzijden van een ex-patiënte van de inrichting Veldwijk, dat in 1898 werd uitgegeven, nadat enkele predikanten geadviseerd hadden dit niet te doen. Zes jaar na haar vertrek uit Veldwijk deed ze het toch. Uit enkele passages, die hier volgen wordt duidelijk hoe de psychische patient door dikke duisternissen gaat.

'Gesprek met dr. Vermeulen

Den volgende dag, ook weer in den hoek staande, zag ik den ouden heer op eens voor mij. Hij vroeg mij: "Hoe is het nu, mevrouwtje, is u nu niet wat beter, nu u uwe kinderen heeft gezien?" "O", zeide ik, "ik ben zoo ongelukkig". "Kom u eens met mij mede", zeide toen de oude heer en bracht mij naar het kamertje waar ik den vorige dag was geweest. Na het een en ander gesproken te hebben, vroeg hij mij of ik vroeger wel naar de kerk ging, en bij wien, en of ik thuis ook een Bijbel had, en of daarin werd gelezen. Op deze vragen begon ik te weenen en van alles door elkander te praten, van ds. Pauli, nooit naar de kerk, van de comedie en concerten, ik had geen Bijbel, van bals en biefstukwals. Ik sprak van mijne zonden in mijn binnenste en dat ik nu in het eeuwige vuur ging, enz. De oude heer sprak van God en van den Heere Jezus: maar neen, daarvan wilde ik niets weten, en riep: "Voor mij te laat, voor mij te laat. Ik heb de vlammen gezien, ja, mijne kinderen waren er ook in", en snikkende liep ik toen maar heen en weer, waarna de oude heer mij bij den arm nam en naar de kamer terugbracht, waar ik op mijne oude plaats in den hoek ging staan. Toen de oude heer daarna met de Moeder sprak, en ik hem hoorde zeggen: "Zij moet Zondag naar de kerk", kreeg ik eene vreeselijk grove stem in mij, die zeide: "Dat kan je begrijpen. Zij krijgen jou niet mee naar de kerk. Je moet immers toch naar de hel. Wat geeft je dan de kerk? Er is geen God." En dat klonk zóó hard, dat ik omzag of de oude heer het had gehoord; maar hij ging heen en riep tegen mij: "Dag mevrouw!", maar ik zeide niets terug.

In de kerk

Eindelijk brak de Zondag aan. Dit wist ik daaraan, omdat dan na het ontbijt de hoeden en mantels van de kranken werden binnengebracht, en ik hen dan met boekjes in de hand met de juffrouwen-verpleegsters zag uitgaan. Ik dacht dan: nu gaan zij zeker naar de kerk. Op dien bewusten Zondag dan werd ik ook aangekleed en moest mede naar de kerk. Moeder nam mij in den arm en wij gingen langs paden die geheel met mos begroeid waren. Toen wij daarlangs liepen kreeg ik weer harde geluiden, die in mij zongen: "In het zachte donzen mos", en "Ik wou dat ik van was was, en dat mij de zon bescheen". Dat waren stukjes van liederen, die wij thuis ook zongen, en die ijdele woorden moest ik nu in mijn binnenste hooren zingen door schrikkelijke stemmen. Ik beefde zóó, dat ik de Moeder losliet, omdat ik bang was dat zij het hoorde. De andere kranken liepen vrij, de een liep hier en de ander daar, doch zij werden door de Moeder en de juffrouwen-verpleegsters goed in het oog gehouden. (...)

Gesprek met ds. Notten

Enige oogenblikken en daarna nam de Moeder mijn kopje weg en ging naast mij op den stoel zitten. Zij vroeg mij wat dominé had gezegd, maar ik keek haar eens aan en zeide niets. Doch Moeder zeide: "Maar mevrouw, foei, u mag niet zoo vijandig wezen. U moet goed naar den dominé luisteren, en ook hooren als er in den Bijbel wordt gelezen. Dat is goed voor u." Ik sprak geen woord, maar dacht: Mensch, loop heen, dat is niet voor mij. Daar ben ik veel te zondig voor. Dat is goed voor jou. Toch gevoelde ik mij veel kalmer, toen Moeder dat zeide, en toen zij wegging, sprak ik in mij zelve: "Was nog maar wat blijven zitten praten over God". Helaas, ik verviel daarop weer in de hevigste aanvallen, die mij werden ingegeven en die ik hoorde en zag, zoodat ik aan niets anders kon denken, dan aan wat er in mij omging. Ik werd er met kracht toe gedrongen, of ik wilde of niet. En zoo ging het den eenen dag na den anderen, en altijd met den schrikkelijksten angst.

Eenigen tijd later stond ik weer in den hoek en hoorde op eens eene stem achter mij. Toen ik omzag stond de heer met den witten baard achter mij, ds. Notten. Z. Ew. ging bij mij zitten en vroeg mij: "Hoe gaat het met u? " Ik antwoordde: "Goed", want ik kreeg in mij: "Dat gaat dien man niets aan". Dominé vroeg verder hoe ik heette, en waar ik vandaan kwam, en tot welke kerk ik behoorde. En daar begon ik weer van ds. Pauli, en "ik ben nooit naar de kerk gegaan, wel naar de comedies en bals", en toen sprak ik weer van alles door elkander, waar ds. Notten niet uit wijs kon worden. Bij het heengaan van Z. Ew. zeide ik: "Mijnheer, bidt u voor mij", waarop dominé antwoordde: "Zeker, dat doe ik altijd, maar dat moet u ook doen", en vertrok toen.

In de cel

Voor straf werd ik naar de cel gebracht en daar op eene matras gelegd, goed toegedelt en met eenige woorden vermaand, die ik wel hoorde maar niet verstond, omdat ik geheel versuft was. De grootste angst benauwde mij, dat ik nu in het eeuwige vuur ging, en dit gepaard met de vreeselijkste gezichten, die mij aangrijnsden als brieschende leeuwen, die dan op mij aankwamen en dan weer werden teurggetrokken; wat niet in een droom was, omdat ik klaar wakker was. Daar mij werd ingeblazen dat zij mijne matras in brand zouden steken, kroop ik er af en ging op den grond liggen, na eerst eenigen tijd aan afschuwelijke gewaarwordingen en afgrijselijke gezichten, erger dan men ooit den duivel met zijne engelen zou kunnen voorstellen, ten prooi te zijn geweest. Daarna sliep ik in en droomde dat de matras in brand stond en dat ik al verder en verder wegkroop opdat de vlammen mij niet zouden kunnen bereiken. Bij mijn ontwaken zag ik om mijn heen en dacht: Ben ik er nog? Dat is een wonder. Ik keek naar de matras en toen ik zag dat die er ook nog was, begreep ik er niets meer van. (...)

Vastgebonden

Op zekeren avond werd ik weer boven gebracht, uitgekleed, in bed gelegd en aan armen en beenen vastgebonden. Toen juffrouw Lucie weg wilde gaan (de Moeder, die meestal meekwam om mij vast te binden, was reeds weg), kreeg ik door de benauwdheden en schrikkelijke ingevingen zulk eene macht in mij, dat ik mijne beenen in eens losrukte en weer half voor het ledikant stond, de beenen er voor en het lichaam erin. De juffrouw kwam dadelijk naar mij toe, en zeide: "Heb je van je leven zoo iets bijgewoond!" Toen ik weer in bed was gelegd, werd Moeder Kassies geroepen en werden mijne beenen opnieuw gebonden. Evenwel niet gemakkelijk, daar ik van angst zóó tegenspartelde, dat juffrouw Vos er bij te pas moest komen. Maar nauwelijks gebonden, rukte ik mij met al de macht die ik in mij kreeg weer los; doch eindelijk bleef ik liggen, ofschoon juffrouw Lucie nog een poosje bleef om te zien of ik er ook uit zou komen.'

Wie kan hier inkomen, anders dan wie het meemaakte!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 december 1984

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Globaal bekeken

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 december 1984

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's