De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Herman Bavinck over de Kerk (5)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Herman Bavinck over de Kerk (5)

7 minuten leestijd

Voor Bavinck is de overgang van de strijdende kerk in de triomferende kerk een stukje wordingsgeschiedenis van de kerk.

Strijdende en triomferende kerk

De onderscheiding tussens strijdende en triomferende kerk schijnt zo voor de hand te liggen, en dusdanig onproblematisch te zijn, dat ze haast geen uitleg nodig heeft. Het spreekt toch vanzelf, dat er een onderscheid is tussen de kerk op aarde en die in de heerlijkheid? De vraag blijft echter hoe men dit onderscheid uitwerkt, en bij nader toezien blijken er dan fundamentele beslissingen te vallen.

Voor Bavinck is de overgang van de strijdende kerk in de triomferende kerk een stukje wordingsgeschiedenis van de kerk. Men mag de kerk niet beperken tot die op aarde alleen, maar zelfs al zou men dit doen, dan nóg is de kerk niet een stilstaand gegeven maar een gebeuren dat voortdurend aan wording en verandering onderhevig is. Het onderscheid tussen de strijdende en de triomferende kerk markeert zo een moment in de heilsgeschiedenis, en deze zet zich ook in de heerlijkheid door, ook al kunnen wij ons niets voorstellen bij de wijze waarop dit geschiedt.

Nu gaat het er maar om, hoe men deze grondgedachte dat de kerk altijd een wordende kerk is, uitwerkt. Bavinck heeft er best oog voor, dat de grenzen van het Koninkrijk van God - Bavinck spreekt liever over Gods Zelfopenbaring aan allen - ruimer zijn dan die van de kerk, en dat men deze beide niet mag laten samenvallen. Als gereformeerd man denkt hij echter bij het Koninkrijk van God wèl het eerst aan de kerk: zij immers staat in het centrum van het krachtenveld van het koninkrijk.

Door zijn sterke nadruk op de kerk als wordende kerk, en niet als een statisch gegeven, verschaft hij zichzelf tevens de ruimte om ook grote nadruk op de eenheid van de kerk te leggen. Wanneef de kerk als geheel wordend is, zijn daarmee vanzelfde onderlinge grenzen tussen de kerken gerelativeerd en voor tijdelijk verklaard. Daarom kan Bavinck niet anders zijn dan oecumenisch zijn, een zoeker van de kerkelijke gemeenschap die er is, en die niet hoeft te worden opgebouwd door de elkaar zoekende kerken. Oecumene maak je niet, maar je maakt operabel wat kerken gemeenschappelijk hebben aan fundamenteel belijden.

Bij dit zoeken zal dan onvermijdelijk ook een portie ketterij meekomen. Bij onze behandeling van het onderscheid tussen ware en valse kerk wezen we al aan, hoezeer Bavinck weet dat de kerk altijd ook onzuiverheid zal moeten meedragen, en dat niemand nauwkeurig kan zeggen waar nu precies de grenzen van de ketterij liggen.

Het zicht op de kerk als wordende kerk, met als keerzijde de oecumenische instelling, bepaalt ten diepste heel Bavincks kerkbegrip: de kerk is er allereerst als wereldkerk, de ene kerk die zij is in de ver­ deeldheid, zichtbaar aanwezig al zweven haar grenzen en ligt zij er versplinterd bij; vanuit dit uitgangspunt voert de denkweg vervolgens naar de nationale kerken toe, en tenslotte naar de particuliere. Eerst lidmaat van de kerk van Christus, daarna van die van het land en het volk, tenslotte van de eigen kerk... men denkt wel eens: als Bavinck hervormd zou zijn gebleven, wat zou hij een moeite hebben gehad met de Doleantie.

Toch veroorloven we ons een kanttekening. De nadruk op de kerk als wordende kerk dankt Bavinck dus aan zijn erkenning van het uiteindelijk doel der kerk in Gods toekomst, namelijk Hem in volkomenheid te dienen. Toch was er ons inziens ook een andere mogelijkheid geweest om het toekomstaspect in de kerkleer theologisch te verwerken. Is de kerk niet óók de eersteling-gave van de Geest, een voorschot op de toekomst en daarom in deze wereld altijd een vreemd en aangevochten element? En bloeit uit de ervaring van het vreemdelingschap niet altijd weer de hoop op, als de dochter van het geloof? Moet zo aan het aspect van de wording dat van de verwachting niet worden toegevoegd?

Bavinck is, als kind van zijn tijd, meer geïnteresseerd in wording vanuit het verleden en naar de toekomst toe, dan in datgene wat aan uithoudingsvermogen, aan verzet tegen verwereldlijking, en een dienst aan de wereld in nood, moet worden opgebracht. Daarin blijkt hoezeer ook Bavinck door het vooruitgangsgeloof van zijn tijd is aangestoken. Zijn gereformeerd-oecumenische instelling heeft dit echter niet in het minst aangetast.

Theocratie

Ditzelfde, toch wat optimistische klimaat van denken speelt, naar onze mening, Bavinck parten wanneer hij moet gaan invullen op welke wijze de kerk gericht staat op de wereld. Kuyper deed dit via de tussenschakel van de wedergeboren mensen die zichzelf organiseren, zowel als kerkmensen als als mensen in de wereld. Wij zagen dat Bavinck dit afwees.

Nochtans is Bavinck in dezen te zwevend gebleven. Hij is té gevoelig voor Kuyper om nu de opdracht tot theocratisch spreken en handelen direct aan de kerk zelf te koppelen, laat staan aan de overheid. Dit immers was het streven van Hoedemaker, Kuypers gedurige tegenvoeter.

Deze tweeslachtigheid kan geïllustreerd worden aan hetgeen Bavinck over Hoedemaker schrijft. Leest men dit na dan valt op hoe Bavinck, heel voorzichtig maar inhoudelijk-zakelijk toch onmiskenbaar duidelijk, Hoedemaker in het gelijk stelt. De overheid hééft een eigen taak om de wil Gods tot gelding te brengen in een volksleven. Het Oude Testament hééft betekenis voor de inrichting van het volksleven vandaag. De Schrift is duidelijk voor een ieder, ook voor de overheid, die de moeite wil nemen de wil Gods te leren kennen, en de overheid hééft een eigen ambt in onderscheiding van dat van de kerk, en zo een eigen verantwoordelijkheid ten opzicht van de God van de bijbel. Zelfs beroept Bavinck zich hier op Calvijn, en ziet hij dus de lijn uit Calvijn naar Hoedemaker lopen. (IV305, 308, 372, 392, 420).

Helaas is deze verkapte bemiddelingspoging tussen Kuyper en Hoedemaker genegeerd, en Bavinck was er de man niet naar om tegenover het Kuyperse organisatorische geweld zijn eigen bezonken overwegingen in het geweer te brengen. Hij noemt Kuyper in dit verband zelfs niet eens. In 1905 geeft Bavinck - helaas - zijn medewerking aan de terzijdestelling van een deel van artikel 36 van de Belgische Geloofsbelijdenis, de onze dus.

Dat Bavinck de overheid zo los durfde maken van het geheel van de wet Gods hangt nauw samen met de tijd waarin hij leefde: de vloedgolf van de saecularisatie was nog niet komen aanrollen, hoewel men wel kon weten dat iets in die geest ophanden was, en daarom is Bavinck te optimistisch geweest inzake een overheid die het roer van het christelijk fatsoen wel goed in handen zou houden, en inzake hetgeen christenen nog cultureel voor elkaar konden brengen ter wille van het Koninkrijk Gods.

Actualiteit

Bavinck leert ons dat men nooit theologie bedrijven mag of hoeft in een leegte, in een vacuum, maar altijd in de eigen tijd, en dat deze niet alleen de volgorde van wat er te zeggen valt bepaalt, maar tevens de inhoud stempelt van wat men vanuit het Woord Gods te zeggen heeft. Daarbij bewijst hij, dat men voluit eigentijds kan zijn en nochtans aansluiten aan het hart van het gereformeerd belijden.

Voor ons houdt dit een waarschuwing in. Wie volstaat met herhalen van wat altijd gezegd is, herhaalt niet echt: de (cultuur)situatie is immers veranderd, zodat de dingen anders overkomen, en bovendien is het zo dat als twee hetzelfde zeggen dat dit dan nog niet automatisch insluit dat beiden bezig zijn hetzelfde te zeggen. De kans bestaat dat repeteren geen meerder geestelijk gehalte heeft dan dat van een repeteerwekker, en dat er nog minder mensen van wakker worden. De Schrift spreekt, in volgorde, van de nieuwe èn de oude dingen die uit haar geput kunnen worden: de oude dingen gaan dus in het nieuw-zeggen open, en daarin kunnen we zelfs nieuwe ontdekkingen uit de Schrift verwachten.

Aan ons de verantwoordelijkheid opnieuw te zeggen, in nieuwe taal, wat het wezen van de kerk is, en haar taak in deze tijd, in aansluiting aan de reformatie. Een aansluiting die tevens een zuiveringsproces betekent. Dat de dingen zo liggen, daarvoor staat Bavinck model.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 januari 1985

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Herman Bavinck over de Kerk (5)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 januari 1985

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's