De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Consideraties Classicale Vergaderingen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Consideraties Classicale Vergaderingen

8 minuten leestijd

I. Voorstel 3 van de consideraties op grond van Ord. 20-13 (in te zenden door de Class. Vergaderingen voor 15 maart 1985).

II. Consideraties in te zenden voor 15 februari 1985.

a. Aanvulling overgangsbepaling 277 (21. OVBI 38).

b. Wijziging Ord. 2-lOa (21.0.2/39)

c. Aanvulling Ord. 7-10 (21.0.7/40)

d. Wijzing Ord. 11 en 19 op punt 'Raadsman' (21.0.11 plus 19/41)

I. Voorstel 3 van de consideraties rond Ord. 20-13

Dit voorstel is indertijd gelicht uit het gehele pakket voorstellen rond 20-13.

Het gaat bij dit voorstel, eveneens als bij de andere voorstellen rond Ord. 20-13 om regelingen voor gemeenten waar al samenwerking tussen de Ned. Herv. Kerk en de Ger. Kerken is.

In voorstel 3 gaat het om de regeling van de stoffelijke aangelegenheden. Er is over dit voorstel in de Synode en daarbuiten al het nodige te doen geweest (denk o.a. de vergadering van de kerkvoogdijen van de classis Harderwijk en de brief van de Bond van Nederl. Predikanten).

Het 'beheersvraagstuk' (zoals de zaak rond de kerkvoogdijen genoemd wordt) is dan ook een complex geheel. Vergelijk voor een korte voorgeschiedenis o.a. het artikel van ds. P. van den Heuvel in 'Woord en Dienst' van 10 november 1984. In de Ned. Herv. Kerk bestaan drie soorten van beheer: vrij beheer, oud toezicht en nieuw toezicht (de aanpassing aan de regels van de Kerkorde met de ouderling-kerkvoogd).

In de Ger. Kerken draagt de kerkeraad verantwoordelijkheid voor de stoffelijke aangelegenheden, die deze kan delegeren aan een commissie van beheer, maar de kerkeraad blijft verantwoordelijk.

In voorstel 3 is de leidende gedachte dat de kerkeraad de verantwoordelijke is. De kerkeraad heeft dan ook rechtspersoonlijkheid. De kerkeraad benoemt de commissie van beheer, zoals de kerkvoogdij gaat heten. Drie leden minstens (gekozen door de gemeente) moeten kerkeraadslid zijn. Dit voorstel gaat minder ver dan de nu bestaande Kerkorde van de Ned. Herv. Kerk en verder dan de Kerkorde van de Ger. Kerken.

Voor toezicht op de plaatselijke commissies wordt gekozen voor een provinciaal college van advies, wat evenwel niet alleen adviserend blijkt te zijn.

De grote vrees bij dit voorstel bleek de afgelopen maanden steeds te zijn: gaat dit alles straks model staan voor de komende 'Samen-op-Weg-Kerk'? De geuite verontrusting kwam grotendeels uit deze gedachte voort.

De beheersregeling wordt in het voorstel opgesteld na overleg met de kerkvoogdij. Is dat niet veel te zwak. Er moet toch minstens volledige overeenstemming zijn in zo'n belangrijke zaak. Een vraag die zal gaan spelen straks bij de eventuele SOW-kerk; is de rechtspersoonlijkheid van 'vrij-beheer-kerkvoogdijen' zo maar (dat is: na overleg) ongedaan te maken?

In het voorstel is ook nauwelijks ruimte voor een eigen beleid van de commissie van beheer. De kerkeraad bepaalt alles. Gaat zo in een kerkeraad niet te veel het zakelijke overheersen en is er voldoende deskundigheid? Tenslotte geeft ik weer het verslag van het Hervormd persbureau over deze materie zoals die behandeld werd ter Synode:

'Bestuur en beheer in één hand

De dragende gedachte van de gehele opzet is dat bestuur en beheer in één hand behoren te zijn, en wel in de hand van de kerkeraad. De taak van college van beheer en college van diakenen is in dit kader beleidsvoorbereidend en beleidsuitvoerend, binnen het kader van de gezamenlijke begroting. Uit de meningspeiling werd in ieder geval duidelijk dat een aantal zaken nog nader uitgediept dient te worden. Wanneer er sprake is van aanzienlijke vermogens (men denke alleen al aan historische kerkgebouwen en andere bezittingen) zullen voorlopig nog de bestaande organen in de verschillende kerken en gemeenten hiervoor verantwoordelijk blijven. Daarbij is ook ruimte voor de constructie dat bepaalde vermogensbestanddelen door elk van de partners bij het sluiten van een overeenkomst tot gezamenlijk beheer wordt ingebracht en als zodanig worden geregistreerd opdat het vanouds hervormde bezit niet zonder meer aan het hervormde toezicht onttrokken wordt.'

Ila. Voorstel tot aanvulling van Overgangsbepaling 277 (kwestie hulppredikers)

In 1978 kregen alle hulppredikers die in de bediening stonden de bevoegdheden van predikant. Studie voor het hulppredikersdiploma (incl. de daaraan verbonden preekbevoegdheid) was nog mogelijk tot 31 december 1980. Maar men kon met dat diploma geen hulpprediker meer worden, omdat het hulppredikerschap sinds 31 december 1977 was afgeschaft.

Bij hen die het diploma alsnog behaalden en bij hen die voor 31 december 1977 het diploma behaald hadden maar niet in de bediening waren gesteld, leefde een gevoel van rechtsongelijkheid. Zij kunnen werkzaam zijn in de gemeente als katecheet/pastoraal medewerker. Maar hun positie is betrekkelijk onzeker, omdat elke drie jaar opnieuw er toestemming voor gegeven moet worden.

Om dit alles nu dit voorstel tot wijziging van Overgangsbepaling 277. Voorgesteld wordt voor deze categorie een bijzonder kerkelijk examen mogelijk te maken, zodat zij predikant kunnen worden. Vereist zal dan zijn 3 jaar full-time werk in de bediening of 3000 uur in deeltijdarbeid. Daarnaast zal een aanvullende studie nodig zijn van 800 uur begeleid door de kerkelijke hoogleraren.

Bij de beoordeling van dit voorstel spelen twee overwegingen mee.

1. Het is in deze materie in de kerk gegaan van het ene gevoel van rechtsongelijkheid naar het andere. De jaren 1977/78 die genoemd worden in de toelichting zijn namelijk niet het beginpunt. De hele kwestie speelde ook al in de beginjaren zeventig rond het toen bestaande predikantentekort. Vrij gemakkelijk kon toen een hulpprediker (na enige tijd wat moeilijker) predikant worden. Later zijn toen i.v.m. rechtsongelijkheid de regels van 1977/78 gekomen.

Het is terecht en de kerk waardig i.v.m. de veel genoemde rechtsgelijkheid achter de hele materie nu definitief een punt te zetten.

2. Met des te meer klem mag de Synode evenals bij de vorige keren onder de aandacht gebracht worden de predikanten-opleiding niet te gaan devalueren. Studie van de grondtalen van de Heilige Schrift alsmede een degelijke opleiding in de exegese blijven een eerste vereiste.

lIb. Voorstel tot wijziging van Ordinantie 2-10a

Het gaat hier om de procedure van het beroepen van een predikant in een buitengewone wijkgemeente. In 21-10a gaat het om het opstellen van een nominatie van tenminste drie beroepbare predikanten, opgemaakt in overleg tussen de centrale kerkeraad en de kerkeraad van de buitengewone wijkgemeente.

Deze formulering werd als discriminerend ervaren. (Tussen haakjes: wat wordt tegenwoordig al niet als discriminerend ervaren? !) En het overwicht tot handelen zou te veel bij de centrale kerkeraad liggen.

Nu wordt voorgesteld te lezen: 'uit een nominatie van ten minste twee beroepbare predikanten, opgemaakt door de kerkeraad van de buitengewone wijkgemeente in overleg met de centrale kerkeraad'.

Als argumenten worden aangevoerd: het is gemakkelijker over twee personen tot overeenstemming te komen dan over drie, en: de kerkeraad van de buitengewone wijkgemeente neemt nu het voortouw.

Bij beoordeling van deze wijziging vraag je je af of het veel uitmaakt. Het blijft er immers om gaan hoe in een bepaalde gemeente de verhoudingen liggen en hoe men omgaat met de modaliteitsproblematiek.

lIc. Aanvulling van Ord. 7-10 met een nieuw lid.

(Overkomst van predikanten uit andere kerken) Het gaat hierbij om predikanten uit kerken waarmee de Ned. Herv. Kerk geen bijzondere betrekkingen onderhoudt. Deze . predikanten kunnen overkomen en in de Ned. Herv. Kerk predikant willen worden.

Voor predikanten in en buiten Nedeeland van kerken waarmee wel betrekkingen worden onderhouden is dit geregeld in Ord. 20-3. Daarbij gaat het dan om toestemming van het Breed Moderamen van de Gen. Synode.

Dat laatste is bij de categorie waar Ord. 7-10 over spreekt niet vereist. Bij hen wordt door de Commissie voor het Theologische Wetenschappelijk Onderwijs de waarde van de wetenschappelijke opleiding beoordeeld en wordt er minder gevraagd of de betrokkene wel past in de Ned. Herv. Kerk.

Dit laatste wordt nu voorgesteld toe te voegen, zoals dat er ook geen verschil meer is tussen het bepaalde in Ord. 20-3 en Ord. 7-10.

lId. Wijzigingen in Ord. 11 en 19 t.a.v. 'de raadsman'

Het gaat bij deze wijzigingen om een aantal plaatsen in de kerkorde, waar staat dat men zich bij een bepaalde procedure voor een beroepsinstantie kan laten bijstaan. (Genoemd worden hier 11-7; 11-16; 19-10; 19-14).

In deze artikelen worden verschillende formuleringen gebruikt voor dit laten bijstaan. Het gemeenschappelijke is echter dat hij die bijstaat een lidmaat van de kerk behoort te zijn. Men koos daar indertijd voor omdat het ging om 'zeer interne aangelegenheden van de kerk'. In 1972 is echter bij de discussie rond 13-30 het vereiste van lidmaat-zijn vervallen. Als argument werd aangevoerd: het zo weinig mogelijk beperkt zijn in keuze van een raadsman.

Nu wordt voorgesteld dit ook te laten gelden bij alle kerkelijke procedures. In de toelichting staat dat 'de gedachte dat sprake zou zijn van interne kerkelijke aangelegenheden onvoldoende reden geacht wordt voor beperking van de keuze van een raadsman'. Een uitzondering wordt alleen gemaakt voor 11-16-5, waar het gaat om een leertuchtprocedure.

Dit beoordelend is het m.i. niet terecht. Het gaat wel om interne kerkelijke aangelegenheden (vgl. 1 Cor. 6). Bovendien dringt zich de vraag op - en daarbij gaan wij terug zelfs achter de huidige formulering in de Kerkorde - : is het terecht een raadsman bij zich te hebben in kerkelijke procedures? In de kerk mag het toch niet op een wereldse manier toe gaan. Daar mag toch voor Gods aangezicht eerlijk weergegeven worden door beide partijen wat er aan de hand is? Dat siert de gemeente van Christus!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 januari 1985

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Consideraties Classicale Vergaderingen

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 januari 1985

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's