Kerkelijke discipline en ambtelijke praktijk (2)
We willen nu enkele saillante punten van Calvijns opvatting in deze aangelegenheid onderstrepen.
In zijn Institutie (IV-I-5) stelt hij n.a.v. Efeze 4 : 11: 'maar wij moeten vasthouden wat we uit Paulus aanhaalden, dat de kerk op geen andere wijze gebouwd wordt dan door de uiterlijke prediking, en dat de heiligen door geen andere band onderling verbonden zijn, dan wanneer ze eendrachtig lerend en vorderingen makend, onderhouden de orde der kerk, die door God is voorgeschreven'. In IV-VI-9, het hoofdstuk over het primaat van de paus, zegt hij van de kerk: 'Want zij heeft Christus tot haar enig hoofd, onder wiens heerschappij wij allen met elkaar verenigd zijn, naar die orde en die gestalte der regeringsinrichting, die Hij zelf heeft voorgeschreven'.
Tenslotte toont hij op grond van Efeze 4 : 4 e.v. aan, dat de 'dienst der mensen van welke God gebruik maakt bij het besturen van de kerk, de voornaamste zenuw is, waardoor de gelovigen in één lichaam verbonden zijn'. Ja hij gaat zelfs zover dat hij op diezelfde grond stelt 'dat de kerk op geen andere wijze ongedeerd bewaard kan worden, dan wanneer ze gesteund wordt door deze hulpmiddelen, in welke het de Heere behaagd heeft de zaligheid te leggen'. Orde, deemoed, gehoorzaamheid, band, samenhang, eerbied en waardigheid zijn trefwoorden die Calvijn in dit verband veelvuldig gebruikt.
In wezen is er dus geen verschil tussen Luthers en Calvijns visie, met dien verstande, aldus Polman, dat Luther zijn stelling meer soteriologisch onderbouwt en Calvijn meer theologisch. Het is niet de bedoeling om nu inhoudelijk op concretiseringen in te gaan.
Gereformeerde traditie
Om dit onderdeel van ons onderwerp enigszins af te ronden, nog een vluchtige blik op de verwerking van dit reformatorisch standpunt in de traditie van het gereformeerd protestantisme, met name ten onzent.
Ik verwijs hiervoor naar het 'Historisch gedeelte' van Haitjema's 'Nederlands Hervormd Kerkrecht', waarin u een bron van informatie aantreft. Hij begint met drie grondslagen van het Convent van Wezel (1568) te noemen waarmee onze Gereformeerde vaderen een zuivere fundering gaven van het kerkrecht. Die normatieve lijnen zijn: Het Woord Gods, het gebruik en voorbeeld der apostelen, en de ononderbroken gewoonte in de kerk.
Daarbij gelden de eerste twee natuurlijk als de voornaamste. In de voorrede op de Acta van Wezel doet men een beroep op 1 Cor. 14 : 40, waar gezegd wordt dat in de kerk alle dingen 'ordenlick' en 'eerbaarlick' moeten toegaan.
Als voorbeeld voor de Wezelse artikelen hebben ongetwijfeld gediend de 'Ordonnances Ecclesiastiques' (1541) uit Geneve, met name wat de grondlijnen der kerkinrichting betreft, met dien verstande dat de gehoorzaamheid en onderworpenheid aan de burgerlijke overheid, waarvan in Genève sprak was, geheel komt te vervallen.
Ik herinner in dit verband aan de kerkorde van Emden (1571) waar het presbyteriale anti-hiërarchische beginsel in haar gulden regel als volgt omschreven is: 'Gheen kercke sal over een andere kercke, gheen Dienaar des Woords, gheen ouderlinck, noch diaken sal d'een over de d'ander heerschappie voeren'. Immers Christus voert door Zijn woord heerschappij in de kerk. In deze linie beweegt zich het gereformeerd kerkrecht en vindt haar consolidatie in de Dordtse Kerkorde. Ook de Confessio Belgica steunt op dit beginsel met de uitspraak: 'Wij geloven dat deze ware kerk geregeerd moet worden, naar de geestelijke politie (inrichting) die ons de Heere heeft geleerd in Zijn Woord' (art. 30). 'Kerkorde moet er zijn, omdat wij mensen zijn. Niet al het volk des Heeren zijn profeten (Num 11 : 29). Het Woord heeft geen wet nodig, en de Geest behoeft geen reglement. Maar wij zijn mensen, en wij kunnen niet helemaal buiten wet en reglement. Pogingen om het in de kerk zonder orde te stellen hebben altijd geleid tot verwarring. Aan de andere kant verschillen wet en regel in de kerk sterk van de burgerlijke wet. Wanneer de kerkorde op een staatsinrichting gaat gelijken, voert zij tot verstarring. Tussen verwarring en verstarring zal de kerk haar weg kunnen vinden, als zij alle menselijke autoriteit verwerpt en alleen het Woord laat regeren.' Aldus en terecht dr. J. Koopmans (de Ned. Gel. Bel., pag. 147). Natuurlijk is er geen kerkorde die als copie geldt van de bijbelse ordeningen.
Maar het gaat om de erkenning dat het ius divinum niet verdoezeld mag worden, en dat is duidelijk niet gebeurd in het Gereformeerd protestantisme met het oog op het kerkrecht. Laten we hieruit lessen trekken als we zeggen bijbels en gereformeerd te willen leven en handelen in de ambtelijke praxis met het oog op de kerkelijke discipline.
De huidige praktijk
Ik wil nu de overgang maken naar ons derde aspect en wel: 3. Enkele kritische kanttekeningen plaatsen bij de huidige kerkelijke praktijk in verband met de kerkelijke discipline.
Nu wij gevonden hebben dat ieder in zijn ambt naar de regel der Schrift, en in overeenstemming met het gereformeerd belijden zich op geestelijke wijze heeft te gedragen, en van hem geestelijke gehoorzaamheid gevraagd wordt, zullen we ons van ongeestelijk denken en handelen af moeten keren, of op zijn minst ons ervan hebben te bekeren. Want niemand zal ontkennen dat, hoe geestelijk het in onze eigen ogen ook mag schijnen, de ambtelijke praktijk haar geestelijk karakter, naar eis van de Schrift steeds meer verliest. We zijn in een ontstellende verwarring terecht gekomen en die wordt er niet beter op als iedere ambtsdrager gaat doen wat goed is in zijn ogen.
Om te beginnen mogen we elkaar er op wijzen dat bij de toelating tot de evangeliebediening, en het staan naar het ambt van Dienaar des Woords de volgende belofte is (of wordt) afgelegd; terwijl men bevestigend beantwoordt; en met ondertekening bekrachtigt de volgende vragen: Belooft gij in geheel uw ambtelijk werk Christus Jezus te verkondigen naar uitwijzen van het Heilige Evangelie, daarmee blijvend in de weg van het belijden der kerk? Zij gij van harte bereid, ijverig en getrouw te arbeiden in de Nederlands Hervormde Kerk, als openbaring der enige heilige katholieke of algemene christelijke kerk? Zij gij bereid u te onderwerpen aan de regelen in de orde der Kerk voor haar apostolaat en belijden, haar leven en werken gesteld? (O. 7-18-3).
Met de mond bevestigd, met handtekening bekrachtigd. Mag, kan zo'n belofte iets minder zijn dan Coram Deo? Dat is geestelijke gehoorzaamheid zich aan die belofte met hart en ziel in prediking en ambtelijke praktijk te houden. Gaat het aan om dan in het vervolg van de ambtelijke loopbaan deze m.i. schriftuurlijke regels aan de laars te lappen, of de belofte af te leggen met de gedachte: als ik eenmaal maar op het ambtelijke paard zit, dan neem ik alles wat mijn eigenzinnige opvattingen in de weg staat zoals het paard een hindernis neemt, daarbij aangemoedigd door het over het paard getild worden, door lieden van 'elck wat wils'?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 januari 1985
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 januari 1985
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's