Christelijke pers en identiteit
(samenvatting referaat dr. E. Diemer op predikantenvergadering Gereformeerde Bond 1985)
In een aanvankelijk wat 'autobiografisch' betoog zag dr. E. Diemer de uitnodiging om op de predikantenconferentie van de Gereformeerde Bond te komen spreken over 'de media' als betrekking hebbend op een even omvangrijk als belangrijk onderwerp.
De uitnodiging werd ook daarom graag aanvaard, omdat ze gelegenheid bood iets af te doen van een ereschuld. De krant waaraan dr. Diemer, in een inmiddels afgesloten verleden, een aantal jaren in een leidende journalistieke functie verbonden is geweest, had het voorrecht ook voor vele leden van de Bond een vertrouwde huisvriend te zijn.
De banden met de Gereformeerde Bond bleken te dateren sinds het prille begin. De krant werd opgericht in 1903. In 1915 dus het eerste jubileum: het 12,5-jarig bestaan. Het werd met dankbaarheid gevierd, want na wat moeilijke jaren bleek de krant te hebben aangeslagen. Het jubileumnummer bevatte een gewaardeerde bijdrage van een voorman van de Bond: ds. M. van Grieken, toen predikant te Delft. Hij prees zich in zijn gelukwens gelukkig, van het eerste nummer af lezer te zijn geweest en wenste het blad graag een volgend jubileum toe. Dat bleef niet uit: in 1928 opnieuw een jubileum: het zilveren. En ook daarin een al evenzeer gewaardeerde bijdrage van een der voormannen: ds. Severijn, toen nog predikant te Dordrecht.
Aan Severijn had dr. Diemer nog een andere goede herinnering. Het was in 1933 en spreker studeerde aan de Vrije Universiteit. Ds. Severijn was intussen hoogleraar geworden te Utrecht. De heer Diemer kwam op de gedachte dat men aan de VU goed zou doen prof. Severijn eens als spreker uit te nodigen. Voor deze gedachte vond hij steun bij een aardige meisjesstudente - met wie hij spoedig verloofd raakte - en op invitatie van Evert Diemer en Fenna Lindeboom, twee 'afgescheiden' namen weliswaar, kwam de hervormde professor naar Amsterdam. Het is een fijne avond geworden.
Vader H. Diemer kwam in 1912 aan de krant, eerst als directeur, later bovendien als hoofdredacteur. Dr. Diemer was in 1911 geboren, is dus eigenlijk maar één jaar 'zonder' geweest. Herinneringen had hij nog aan het zwerven als jongen door het kerkruim en de gaanderijen van de opgekochte en tot drukkerij omgebouwde kerk van de aanvankelijke Kruisgemeente aan de Goudsesingel te Rotterdam. Het ouderlijk huis liet zich niet denken zonder dagelijkse stapels kranten, waarvan de lezing inzicht in het ook vandaag zo belangrijke begrip 'identiteit' weer moest aanscherpen. Dan een sprong naar 1937. De studie aan de VU loopt ten einde met een proefschrift waarvan het onderwerp voor de hand ligt: 'de juridische kanten van de vrijheid van drukpers'.
Grondwet
De grondwet sluit voorafgaand verlof van de overheid voor publikaties uit. Dat is iets waarom honderden miljoenen overal ter wereld ons kunnen benijden. Om dicht bij huis te blijven: de redacteur van De Waarheidsvriend behoeft zich met de artikelen van zijn blad niet eerst om toestemming te vervoegen bij de autoriteiten te Huizen (N.-H.) of te Maassluis. Hij is in juridische zin alleen achteraf verantwoordelijk voor wat hij heeft geschreven of in het blad opgenomen.
Terzijde: de grondwet verlangt hier van de overheid een 'houding van onthouding'. Intussen is men zich de laatste tijd wel bewust geworden, ook als overheid, dat dit enige aanvulling behoeft, in die zin dat de overheid ook tot financiële steun geroepen kan zijn, wil de concentratie in het perswezen niet al te zeer toenemen en tegelijk de verscheidenheid in het perswezen al te zeer afnemen.
De volgende sprong in dit meer 'autobiografische' deel was naar 1981: het afscheid van de heer Diemer als docent aan de VU, een docentschap als besluit van een reeks van jaren werkzaamheid in de pers. Bij dat afscheid in 1981 werd als onderwerp gekozen een verantwoordelijkheid van wijder strekking dan de juridische, en wel de vakethische. Daarbij gaat het om de vraag, hoe de pers - in het groot en in het klein - in de menselijke samenleving functioneert. Een belangrijke vraag. Gelukkig laat de Nederlandse journalistiek zich aan de ethische kanten van het vak veel gelegen liggen. Zo is een college in het leven geroepen waartoe men zich met klachten kan wenden, en bovendien is er kans op de aanstelling van een 'ombudsman' voor de media.
Waarom ethiek?
Waarom, zo op de ethiek het accent gelegd? Daarvoor behoeft men maar bij twee essentiële zaken stil te staan: 'informatie' en 'medium'.
Waarom neemt men van de media kennis? Alleen uit nieuwsgierigheid? Die kan stellig een prikkel opleveren. Maar het reikt dieper. Dr. Diemer bracht hier in herinnering de foto's van onze aarde zoals die ons vanuit het heelal bereikten. Zo zagen we onze aarde eigenlijk voor het eerst in haar totaliteit, 'de ganse aarde', wervelend in de ruimte en tegelijk eenzaam hangend. Onwillekeurig kwam in gedachten de prachtige tekst uit Job 26 vers 7: 'God hangt de aarde aan een niet'. Niet zonder reden spreekt men van onze aarde al als van een 'global village', een 'werelddorp', waarin we, als in een dorp, alles van elkaar weten. Het verheldert ook het zicht op de aarde als schepping, haar baan makend in het heelal zowel als in de geschiedenis; de aarde waarmee God op bijzondere wijze bemoeienis wilde hebben.
Naast de informatie het mediumbegrip. Dit betekent: we leven 'indirect', we leven 'via', via de media. Ze zijn aanvankelijk slechts tussenschakels, maar zijn intussen wel meer en meer een eigen leven gaan leiden. Er zit in de media ook veel menselijks; het zijn geen robots. In de media informeren mensen medemensen en over medemensen. Maar het aangewezen zijn op media voor zijn informatie houdt wel in, dat men voor een belangrijk deel zijn 'lot' uit handen geeft.
Neutraliteit en identiteit
Bij de media gaat het om levensbeschouwing. Neutraliteit bestaat hier niet, en ook wanneer een medium zich onafhankelijk noemt, roept dat vragen op. In ons land, en met een volk als het onze, heeft het levensbeschouwelijke aspect van de media terecht nogal gestalte gekregen.
Hier zag spreker een bepaalde ontwikkeling van meer dan een eeuw, waarin zich enkele fasen laten onderscheiden.
Bij de eerste mag men met name denken aan de betekenis die iemand als dr. Kuyper voor het perswezen heeft gehad. Hij was ook op dit gebied de leider, die als zodanig erkend werd, ook wenste erkend te worden, en zich dan ook op dat leiderschap liet voorstaan. Vanuit zijn leiderschap 'claimde' hij voor zijn krant, De Standaard, dan ook de aanduiding 'hoofdorgaan'.
Tegelijk echter stimuleerde hij tientallen andere bladen, die overigens zijn aanwijzingen hadden te volgen. Wie schreven erin? Veelal aankomende politici, maar ook opvallend veel onderwijzers. Ons volk heeft zich blijkbaar altijd graag laten onderwijzen. Politici en onderwijzers stempelden lange tijd het beeld van 'de journalist'.
Geloof
Al die kranten en krantjes waren 'zaken van geloof', wat men soms ook in de naam wilde laten uitkomen. Merkwaardig dat voor het blad De Rotterdammer ook gedacht is aan de naam De Waarheidsvriend, tien jaren vóórdat dè Waarheidsvriend verscheen. Echter, wellicht op advies van Kuyper alweer, kreeg de krant toch maar 'een lokale titel'.
Dat was de eerste fase: de bladen sterk het karakter dragend van partijbladen, met een betrekking tussen kranten en lezers die door deze verhouding werd bepaald. Op deze eerste fase is door natuurlijke oorzaken - aanwakkering van de actualiteit en uitbreiding van de belangstellingssfeer - een tweede gevolgd. Daarin gingen de media zich weliswaar zelfstandiger opstellen, met behoud overigens - en heel nadrukkelijk - van dezelfde geestelijke en levensbeschouwelijke instelling.
Identiteitsvervaging
Helaas, zo moet men vaststellen, heeft men de weelde van die verzelfstandiging niet in alle gevallen aangekund, wat tot gevolg had dat men te ver is doorgeschoten en de overgeleverde identiteit ernstige schade heeft opgelopen.
In dit verband stond dr. Diemer ook even stil bij het dagblad Trouw. Dit blad kent een stichtingsbestuur Christelijke Pers, dat bij tijd en wijle annonceert de identiteit van het blad te bewaken. Maar enige verduidelijking van wat daaronder mag worden verstaan lijkt niet overbodig.
Het trekt bijvoorbeeld de aandacht, dat van dat bestuur allerlei leidende figuren uit het christelijke organisatieleven deel uitmaken, terwijl van die organisaties - ook van hetgeen hen drijft en van hetgeen ze vóórstaan - in het blad zelf weinig meer is terug te vinden. Nochtans behoeven zulke organisaties ook vandaag de steunende begeleiding van een gelijkgezinde pers.
Ook daarom valt het te betreuren dat een blad als De Rotterdammer, met zijn ook in dit opzicht constante en stabiele identiteit, tot het verleden behoort.
Aan het slot van zijn betoog bepleitte dr. Diemer steun aan principiële opleiding in de journalistiek, aan bestudering van de geschiedenis der pers, en aan voortgaande bezinning op de waarden die hier in het geding zijn.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 januari 1985
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 januari 1985
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's