De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Globaal bekeken

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Globaal bekeken

13 minuten leestijd

'Wie was toch die ds. Houtzagers?  Dat vroeg de heer A. E. van Eeden, vanaf 1978 werkzaam in de onderwijsinspectie Barneveld, zich af.

Deze predikant, die vanaf 1886 tot 1919 als gereformeerd predikant van Kootwijk zijn kerkdiensten leidde in de Oude Hervormde Kerk op de Kootwijkse Brink, stichtte honderd jaar geleden drie scholen met de Bijbel in Kootwijkerbroek, Kootwijk en Harskamp en twee militaire tehuizen in Milligen en Harskamp. Hij werd als dolerend predikant (de eerste VU-candidaat) 'overhaast' bevestigd door 'IJzeren Frits', oftewel ds. F. Ph. L. C. van Lingen, emeritus hervormd predikant en direkteur van het christelijk gymnasium te Zetten. Deze stoorde zich niet aan de bezwaren van het hervormde classicaal bestuur. Hij werd overigens later christelijk gereformeerd en hoogleraar aan de Christelijke Gereformeerde Theologische Hogeschool in Den Haag.

Welnu, de heer Van Eeden stelde een boeiend boekje samen, getiteld 'Ds. J. H. Houtzagers zijn school en zijn Kootwijkers - twee kerken maar geen school' (uitgave BDU, Barneveld, 56 pag., ƒ 14, 90). Uit deze publicatie twee passages.

• Eerst over ds. Van Lingen.

'Ds. Van Lingen vond ik in Zetten bereid mij op 7 februari 1886 te komen bevestigen. De Doleantie was een feit geworden en het werd een explosie In de Hervormde Kerk. Het devies werd "Christus Koning der Kerk en geen reglementenbundels van 1816". Men noemde zich Dolerende Kerk, d.w.z. klagende, treurende Kerk. Van Lingen werkte vurig mee en werd van de Hervormde predikantenlijst afgevoerd omdat hij mij toch in Kootwijk bevestigd had! Toch was Van Lingen het met vele zaken ook in de Gereformeerde Kerken niet eens, ook niet met Kuypers's leerstellingen; hij sloot zich in 1891 bij de Christelijke Gereformeerde Kerken aan die voortgekomen waren uit de Afscheiding van 1834 van ds. H. de Cock in Ulrum. Van Lingen werd daar als predikant aanvaard. Hij was toen nog steeds directeur van het Zettens gymnasium, totdat hij daar in 1893 ontslag moest nemen om zijn afwijkend Kerkelijk standpunt en Christelijk Gereformeerdpredikant in Rotterdam werd en ook daar weer begon met een privé-opleiding voor a.s. predikanten. In 1894 werd hij zelfs hoogleraar aan de Christelijke Gereformeerde Theologische Hogeschool te Den Haag. Tot 1909 was hij professor. Van Lingen stierf op 81-jarige leeftijd in 1913 te Velp, waar zijn schoonzoon, ds. G. Boekenoogen, op de begraafplaats het volgende gedicht uitsprak:

Frederik - vrederijk, trots 't aards gewemel
Philip - raslievend, reed 't woord u ten hemel
Louis - volkwinnend, door Kruisliefde 't meest
Constant - standvastig, alleen met Gods geest.

Vader van Lingen - kind Gods klaar herboren
Al kon het dogma u minder bekoren
Nochtans zeer Bijbelvast waart gij te horen

Liep ook 't verstand in het gareel van 't gevoel
In vast van wil trof uw ziel 's harten doel
Naamloos getrouw. 't Evangelie van 't kruis
Grondig te preken voor hart en voor huis
En, lag vooral in 't docent-zijn uw kracht
Niet dan aan God hebt g'er de Eer van gebracht.'

• Vervolgens iets over 'Vreemde schapen in Kootwijk', een ontboezeming van ds. Houtzagers zelf.

'Je hebt er geen idee van wat hier in Kootwijk vroeger voor toestanden heersten! Dominees die tevens landbouwer waren om in het onderhoud van hun gezin te kunnen voorzien. Ik heb nog ergens een "armboekje" gevonden uit de 18e eeuw, dat de predikant zelf heeft bijgehouden. Daarin staat te lezen hoe "gemoedelijk" het in die dagen toeging! Daarin wordt ook de reden opgegeven waarom kerkdiensten zo nu en dan niet konden doorgaan: wegens kermissen in Barneveld, Garderen en Kootwijk, of om redenen dat dominee "geen gehoor en had". Ook wel viel de kerkdienst uit vanwege zwaar weer of door ziekte van de predikant die aan loop, jicht, dikke benen of roos leed of door ziekte van zijn "vette veerse" of omdat zijn vrouw in de "craem quam".

"U bent dus behalve dominee eigenlijk ook een verkapte dokter," merkte Willem op die verder informeerde: "Heeft u wel eens meer met zulke vreemde gemeenteleden te maken gehad in uw pastorale werk?" "Jawel, " antwoordde ds. Houtzagers, "en niet altijd ben ik daarin erg taktisch opgetreden! Daarom vertel ik het je maar, misschien kun jij er je nut mee doen in jouw pastorale werk!

Er kwam op een avond een jonge vrouw aanbellen aan de Pastorie. Het bleek dat zij een ongehuwde moeder was, die om de bediening van de Doop kwam vragen voor haar kind. Hoewel ik in strijd handelde met de wettelijke bepalingen, ging ik een onderzoek instellen naar het vaderschap. Door deze jonge moeder werd namelijk iemand genoemd en aangewezen als de natuurlijke vader. Hij woonde buiten Kootwijk. Namens de Kerkeraad schreef ik hem een brief en ik wees hem op zijn plicht om voor het kind te zorgen en deze ongehuwde moeder zo spoedig mogelijk tot zijn wettige huisvrouw te nemen en het kind volledig als zijn kind te erkennen. Ook schreef ik hem dat het kind gedoopt zou worden en dat hij opgeroepen werd bij die gelegenheid te verschijnen om voor de Gemeente op te treden als vader van het kind en als doopgetuige.

Ook de Kerkeraad van de gemeente waartoe de man behoorde, schreef ik over deze zaak, maar noch van de man, noch van de Kerkeraad kwam ooit enige reactie! Tijdens de doopdienst zag ik een vreemdeling in de kerk zitten. Ik had zo 'n vermoeden dat hij wel eens de vader van de dopeling kon zijn.

Ik heb toen - eigenlijk heel onvoorzichtig - vanaf de preekstoel gezegd: Als hier aanwezig is de heer X, de natuurlijke vader van het kind wonende te IJ dan verzoek ik hem hier voor de preekstoel te komen en te antwoorden op de vragen die ik hem zal stellen! Maar de vreemdeling verscheen niet voor de preekstoel om de eenvoudige reden dat hij niet de natuurlijke vader van het kind was. Deze was namelijk niet gekomen!

Het was wel een eigenaardig optreden voor een pastor, dat geef ik toe, maar het heeft wèl geholpen want daarna kwamen er in Kootwijk gelukkig veel minder gedwongen huwelijken voor. Collega Van den Bergh vond mijn handelwijze prima, maar was er wel bezorgd over dat ik misschien eens aan den lijve zou ervaren dat men in Kootwijk van zo'n kras pastoraal optreden niet gediend was. Maar die vrees is ongegrond gebleken!

Een gemeentelid kwam eens bij mij aan de pastorie vragen of hij wat geld van mij kon lenen. Hij zat wat in financiële moeilijkheden en zou mij de volgende dag het geld komen terugbrengen "op zijn erewoord!" Ik heb hem het geld geleend maar wie er ook daags er na kwam - hij niet! En lang er na ook niet! Hij liet niets meer van zich horen en ik zag hem ook niet meer in de kerk verschijnen. Na verloop van tijd ging ik hem eens thuis bezoeken en ik vroeg hem waarom hij uit de kerk wegbleef. Ik kreeg toen het volgende verhaal opgedist: Hij was daags nadat hij bij mij had geleend met het geld op weg geweest naar de pastorie. Het was erg donker en toen was hij de duivel tegengekomen en die had hem in de sloot geworpen. Toen was hij met veel moeite de sloot uitgekropen - en kletsnat was hij niet verder gegaan naar de Kootwijkse Brink maar naar huis. Onderweg naar huis was de Here Jezus aan hem verschenen met een kroon op het Hoofd en omstraald door licht Deze verschijning van Jezus was hem voorgegaan naar zijn huis. Welnu! Dat was voor hem het bewijs geweest dat hij het geleende geld niet aan de dominee mocht teruggeven. Want als hij dat toch had willen doen dan was hij natuurlijk de duivel weer tegengekomen en dan was hij dus weer op de verkeerde weg. Als hij doorliep naar huis dan wist hij zeker dat Jezus met hem was. Hij hield dus het geld maar en daarom kwam hij niet bij de dominee!'"

***

In de Dordtenaar schreef Herman Kersbergen in een rubriek 'Kerk in de Wereld' een stukje getiteld 'Eens luisteren bij de bonders'. Eén van onze lezers stuurde liet ons toe. Hier volgt het.

"t Is gek, maar als vertegenwoordigers van de Gereformeerde Bond in de Nederlandse Hervormde Kerk ergens vergaderen is 't net alsof je 'thuis' komt De sfeer is meestal ontspannen. Trouwe kerkleden. Geen weglopers. Wèl kritische meedenkers of mensen die ronduit zeggen het met iets niet eens te zijn. Dat is dan ook de reden dat veel (goed) gelovigen dit soort christenen niet aardig vindt. Deze week was het weer even raak schieten, want in Zeist hielden de dominees van de rechterflank hun predikantsvergadering en dan is het goed om even mee te luisteren. Wat dat betreft hebben ze aan dominee Geluk uit Woerden een prima voorzitter.

Hij merkte fijntjes op, dat de "gereformeerde" hervormden (dat zijn gelovigen die zich gebonden weten aan de drie belijdenisgeschriften) op tal van terreinen geen eigen publiciteitsorganen hebben. Vervolgens leverde hij kritiek op de theologische opleidingen in Nederland en veegde in één adem de christelijke media (van rechts tot links) de hoek in. Maar heel wat synodaal gereformeerden in ons land zullen met heimwee naar de taal van de bonders luisteren en zich er in herkennen, want de bonders voelen heel goed aan wat duizenden mensen van de kerk doet vervreemden. Met dominee Geluk vinden ook zij dat de gereformeerde leer wordt belaagd, het christelijk onderwijs geteisterd door verval en duizenden gelovigen zich niet meer thuis voelen bij welke confessionele politieke partij dan ook.

Allerwege dus onzekerheid, terwijl het praktische pastoraat (het doodgewone bezoek aan gemeenteleden) door heel wat predikanten in de ijskast is gezet. Niet voor niets riep dominee Geluk zijn collega 's op, die fout niet te maken en zelf ook het contact met de jeugd te bewaren en zijn collega Exalto waarschuwde voor allerlei doperse dwalingen.

Je hoeft het natuurlijk op tal van punten niet met de bonders eens te zijn, maar eens naar ze luisteren zou geen kwaad kunnen. Wat dat betreft heeft de gereformeerde hoogleraar prof. dr Runia recentelijk eenzelfde waarschuwing doen uitgaan:

"Luister weer eens naar de gemeenteleden zelf!" In veel plaatselijke wijkgemeenten is dat een grote boosdoener geworden en de gevolgen zijn zichtbaar: geen interesse, geen financiële bijdrage, kerkbezoek bij vlagen en het zoeken naar gemeenschapsbanden elders.

In de komende jaren zal deze ontwikkeling wel doorgaan en het proces van Samen op Weg zal dat niet keren. De bonders hebben wat dat betreft gelijk: terug naar de bijbel èn de mensen!'

***

Al eerder gaf ik in deze rubriek iets weer uit een rede van prof. dr. C. C. de Bruin, jarenlang hoogleraar in Leiden. Het betrof een passage uit een rede ter gelegenheid van de Geert Grote herdenking in Enschede.

Eenmaal in de vijftien jaar draagt de commissie voor taal- en letterkunde van de Maatschappij der Nederlandse letterkunde een kandidaat voor de meesterprijs. Dit voorrecht viel nu prof. De Bruin - niet zonder dankbaarheid zeg ik: mijn oud-leraar Nederlands; evenals van menig predikant in 'onze kring' waaronder een niet onvermaard Urker pastor - ten deel. Bij de uitreiking van die prijs op 17 november 1984 gaf prof. De Bruin 'een terugblik in dankbaarheid'.

We willen de lezers uit deze fraaie toespraak het volgende niet onthouden.

'Het kost mij geen moeite nauwkeurig verslag te doen van de momenten die van beslissende betekenis geweest zijn voor de richting die ik koos. Het zijn indrukken uit mijn vroegste jeugd die mijn levensgang hebben bepaald. In het nederveluwse landstadje waar ik vandaan kom, hadden mijn ouders de zorg voor een alleen-wonende bejaarde dame, een bloedverwante die haar echtgenoot al vroeg door de dood had verloren en die ik als knaap van tien, elf jaar in het weekeinde gezelschap mocht houden. Tegen deze taak zag ik allerminst op, omdat ik me bij haar naar hartelust kon vermeien met exemplaren uit haar voorraad oude boeken. Mijn oudoom was blijkbaar een letterlievend man van een meer dan gewone leeslust geweest. Pas later realiseerde ik mij dat zijn geestelijke "ligging" verwant geweest moest zijn met die van de 18de-eeuwse piëtisten.

Ik genoot van de emblemataboeken en de plaatjes bij de gedichten van Jan Luiken uit de verzameling, keek naar de prenten in Alle de Wercken van Jacob Cats en de Joodsche Geschiedenissen van Flavius Josephus, snuffelde wat in geschriften als de Redelijke Godsdienst van Wilhelmus a Brakel, die indruk maakten door het fraaie perkament waarin zij gebonden waren. Een apart rubriekje werd gevormd door enkele geschiedenisboeken waarvan ik de tekst verslond en waarvan de illustraties mij steeds weer boeiden.

In haar kleine huisbibliotheek was één boek dat mij meer nog dan alle andere interesseerde: een Statenbijbel in fors folioformaat, met koperen krappen en hoekbeslag. Als het spelen van kinderen niets anders is dan het hanteren van voorstellingen, dan gaat dat op voor de wijze waarop ik met dat boek omging. Het waren allereerst uiterlijkheden die mijn aandacht trokken, zoals het aantal boeken die in de bijbel waren samengevoegd; ik telde er 66, de Apocryphen meegerekend zelfs 81. Wanneer de oude dame na de maaltijd uit een handexemplaar een kapittel voorlas, bespeurde ik dat voor haar besef niet de brede verscheidenheid een essentieel kenmerk was van het boek dat zij voor zich had. Voor haar was het een homogeen, door de H. Geest geïnspireerd geheel. Haar gedragen voordracht van de gewijde tekst, met licht vibrerende stem hoorbaar gemaakt, versterkte die indruk nog.

Wat mij bovenal verbaasde, was het feit dat zij dan het dialekt dat zij placht te spreken, ineens verving door een zorgvuldig uitgesproken boekentaal alsof deze de taal van de H. Geest zelf was. Een enkele maal kreeg ik de opdracht het daarop volgend hoofdstuk voor te lezen. Zij zat dan met gevouwen handen devoot en schijnbaar onbewogen te luisteren naar het kind dat weinig moeite had met de lezing van de narratieve bijbelgedeelten maar alleen hakkelend en stamelend moeilijke passages uit de oudtestamentische Profeten en de Brieven van Paulus ten gehore vermocht te brengen. Even onbewogen bleef zij wanneer de knaap met zijn nog beperkte kennis van de Nederlandse woordenschat en onvolledige beheersing van de "black letter" die hem belette een h van een b te onderscheiden, in het 17de kapittel van de Openbaring van Johannes in kinderlijke argeloosheid meende te moeten lezen "het grote Babylon... de moeder van alle boeren"!

Schilder ik nu, dames en heren, een knus, klein-burgerlijk hollands binnenhuistafereeltje? Maar is niet het motief van de lezende vrouw en het lezende kind een inspiratiebron geweest voor genreschilders? Waarom geringschattend te spreken over het een, en met respect het ander te bejegenen?

Hoe het zij als u mij vraagt waar de kiem ligt van mijn tweevoudige wetenschappelijke werkzaamheid, dan weet u dan nu het antwoord.

Enerzijds was daar die foliobijbel, dat weergaloze taalmonument, samengesteld uit allerlei heterogene bestanddelen, dat leek te vragen om een bestudering langs de weg van historisch-literair-taalkundig onderzoek; het kon immers niet uit de lucht gevallen zijn. Aan de andere kant die eerbied voor een gefixeerde, van omslag tot omslag Gods eigen Woord bevattende tekst, de vaste grond voor religieuze ervaring.'

Reeds in 1937 verscheen van prof. De Bruin 'De Statenbijbel en zijn voorgangers'. De liefde voor de Statenvertaling is in het bovenstaande verklaard. Prof. De Bruin, we zien gaarne nog wat publicaties van u tegemoet!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 januari 1985

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Globaal bekeken

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 januari 1985

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's