De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Studeren in de pastorie (1)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Studeren in de pastorie (1)

11 minuten leestijd

Voor menig jonge predikant is het onderwerp 'Studeren in de pastorie' nog al pijnlijk van aard. Het herinnert aan een ideaal dat moeilijk, zo al niet geheel niet realiseerbaar bleek te zijn.

Studenten in de theologie hebben hier nog maar hoogstens een flauw vermoeden van. Zij kunnen het zich niet voorstellen, dat predikanten het inderdaad zó druk hebben dat zij aan studie niet meer toekomen.

De tijd van de studie aan de Universiteit is - wat gewoonlijk later pas beseft wordt - een gouden tijd. Althans wanneer men enige studiezin heeft, en dat is, dunkt mij, toch wel het minste wat van een aanstaande theoloog mag worden verwacht. Het is de tijd waarin men het zich veroorloven kan om dagenlang achter één en hetzelfde boek te zitten, waarin men niets doet dan kennis vergaderen.

De meeste studenten zijn dan ook gewoonlijk nog al kritisch ingesteld. Zitten zij onder de preken van oudere predikanten dan hebben zij nogal wat kritische opmerkingen. Overigens: niet altijd ten onrechte! Het lijkt soms wel, of een aantal predikanten in de loop der jaren in hun theologische kennis (en die komt in de prediking tot uiting) afgedaald is tot het niveau van 'De Waarheidsvriend' of het 'Gereformeerd , Weekblad', twee zeer te waarderen bladen, maar, zoals algemeen bekend is, bestemd voor een 'breed publiek'.

In de studententijd is studeren een beroep. Het ene boek na het andere rukt aan, en zó dik kan het niet zijn, of het wordt overmeesterd, is het niet door eigen krachten dan met behulp van een excerpt van een ander.

De hele wereld wordt in de studententijd bekeken door de bril van studieboeken. Er lijken alleen maar theologen ooit te hebben geleefd. Theologische ideeën en opvattingen schijnen van oude tijden af heel het leven der mensen beheerst te hebben. Menig student kent de namen van diverse theologische auteurs beter dan die van zijn buren in de straat waar hij woont. En de student kan het zich onmogelijk voorstellen dat er in deze wijze van leven ooit verandering zal optreden.

Slechts twee dingen brengen hem tijdens zijn studietijd wat dichter bij de werkelijkheid van het alledaagse leven. In de eerste plaats zijn trouwdag, want de meeste studenten (zeker theologische studenten) trouwen in hun studententijd. En in de tweede plaats, wanneer, als gevolg daarvan, een baby in zijn gezin geboren wordt. Toch, dat zijn uiteindelijk maar kleine golfjes in het overigens zo effen bestaan van de student temidden van zijn boeken, een bestaan waarin hij van tentamen tot tentamen steeds voortgaat.

De wérkelijk grote verandering in zijn leven komt pas, als hij het voorrecht heeft dat er een 'beroepje' op hem wordt uitgebracht, en hij, na het aanvaard te hebben, zich opmaakt om een pastorie te gaan bewonen.

Zeker, de boeken gaan mee, en zij krijgen, misschien nu pas voor het eerst, een collectieve standplaats, op mooie planken, keurig in de rij, in een speciaal daarvoor bestemde studeerkamer. En toch: hoe mooi zij daar ook staan, van hun eigenlijke plaats zijn zij inmiddels verdrongen. De bezitter kijkt anders tegen hen aan dan een paar maanden eerder. Immers, hij heeft nu heel andere dingen aan zijn hoofd. De kleur van de vloerbedekking moet worden bepaald, gordijnenstof moet worden uitgekozen, en zo is er nog veel meer. Zijn vrouw - tot dusver bescheiden in haar wensen - komt nu pas recht op dreef. Haar tijd is gekomen, lang verwacht. Zij spreekt, wat begrijpelijk is, een woordje mee. Kortom, ettelijke problemen, waarvan ik niet kan inzien, dat zij ook maar iets met de theologie te maken hebben, moeten worden opgelost.

In de pastorie

En dan de drukte van bevestiging en intrede. De vroegere student is ineens een heel ander mens geworden. Hij wordt niet meer aangesproken als 'meneer' maar als 'dominee', en daarin zit nog steeds iets van eerbied en ontzag. Want zo zijn onze gemeenten gelukkig nog wel!

Na een maand, een hele drukke maand, vanwege de kennismakingsbezoeken, wordt voor het eerst het tractement ontvangen. Ook een hele belevenis. Eindelijk is men bevrijd van dat leven van toelagen en subsidies, van het Rijk of van de Bond. De jonge man voelt zich nu, vooral tegenover zijn vrouw, volwaardig,

Zo slokt al spoedig de gemeente alle tijd van de jonge predikant op. Het lijkt of de zondagen aan elkaar vastgeknoopt zitten en alsof er zogoed als niets tussenzit. Men móet een preek klaar hebben, soms twee, rond de feestdagen nog meer. Soms brengt men en halve dag door met het zoeken van een tekst; dan het exegetiseren, en tenslotte nog het maken. Al gauw komt men met dat alles in de knel. Er is immers nog zoveel meer te doen. De jeugd rukt aan. En de oude mensen eisen dat de dominee aanrukt. Er moeten meditaties worden gehouden, bejaardenmiddagen worden geleid, zieken bezocht, huwelijken worden bevestigd, begrafenissen worden geleid, het kerkblad moet worden verzorgd; allerlei vergaderingen moeten worden geleid; ettelijke keren gaat de telefoon; men wordt vaak van het ene naar het andere opgejaagd. Uren- en dagenlang is men bezig met allerlei werk waarvan de gemeente nauwelijks enige notie heeft.

Ik vraag u: waar blijft dan de tijd voor studie? Ja, voor de preken doet men wat. Laten wij dat tenminste aannemen. Maar voor de rest...

Je kunt het weldra aan de studeerkamer zien. Die krijgt een heel ander aanzien. Er hangt de toga van de dominee, soms ook een paar van zijn pakken. Het bureau is een chaos. Als ik eens zou gaan vertellen wat ik allemaal in diverse studeerkamers van predikanten ben tegengekomen. Fototoestellen, projectors, zelfs auto-onderdelen.

Boeken

En de boeken in de kast zien dat allemaal rustig aan. Zij verroeren zich niet. Zij leiden een troosteloos bestaan. Velen van hen 'verbleken' op de duur van verveling. Niemand kijkt meer naar hen om. Nooit strijkt er meer een liefkozende hand over hun rug of aangezicht. Alleen, één keer per jaar, de ruwe borstel van de schoonmaakster. In vele gevallen vereenzamen zij ook, er komt nauwelijks nog een metgezel bij. En als het al zo is, dan vaak nog maar een klein en mager Hollands vriendinnetje, niet meer een statige Duitser of Zwitser of een slanke maar pittige Engelsman. De Fransen hebben in onze bibliotheken nooit veel kans gehad, om over de oude Latijnen maar te zwijgen.

Geen studie dus. Dat is in talloze gevallen gewoon de werkelijkheid. Maar kan dat eigenlijk wel? Is dat voor de predikant zelf en voor de gemeente wel verantwoord? Gaat het zo wel werkelijk goed?

Zeker, het uiterlijk van de (jonge) predikant lijdt er niet onder. Dat is hem ook wel aan te zien. Na enige tijd in de pastorie te hebben geleefd wordt zijn postuur aanzienlijk zwaarder, althans in de meeste gevallen. Maar hoe zit het met zijn kennis, zijn inzicht, zijn theologische en geestelijke ontwikkeling, zijn bij-de-tijd-zijn? Hij leert het om te drijven op zijn routine, maar u weet: wat drijft heeft niet veel gewicht!

Ik denk hierbij ook aan die predikanten, die hoe jong ook, al spoedig veel uit 'preken' of uit 'spreken' gaan. Gedreven naar het lijkt door een geweldige zendingsdrift, alleen: zij zetten de sikkel meer in de oogst van anderen dan dat zij het moeizame werk verrichten van de pioniersarbeid. Zij doen precies datgene wat onze Gereformeerde vaderen in hun Dordtse kerkorde zo onverbiddelijk veroordeeld hebben. Maar ja, 'gereformeerd' is blijkbaar een zeer rekbaar begrip.

Adverteren

Zij lijken hun eigen kwaliteiten af te meten naar het aantal keren dat zij per week of per maand in de rubriek Vergader-varia van het Reformatorisch Dagblad voorkomen (aan welk blad in deze geen schuld toekomt, want het moet wel zulke advertenties opnemen) al was het alleen maar voor het houden van een 'bijbellezing'. Tussen haakjes: honderden dominees houden bijbellezingen, maar 'adverteren' niet. Alweer: men wil oogsten wat men niet geplant heeft en maaien wat men niet gezaaid heeft. Ik vraag mij ook af, wat kunnen zulke jonge collega's nog wel aan studie doen? Of achten zij studie soms niet nodig? Denken zij misschien net als die oude dopers, die alle studie verachtten? Laten zij dan eens lezen wat onze Gereformeerde vaderen die dopers geantwoord hebben.

Studeren in de pastorie - behoort het eigenlijk wel tot de mogelijkheden?

Ik weet: menig (jong) predikant worstelt met dit probleem. Ik zeg: ménig predikant, ik zeg niet: álle predikanten.

Ik ken er ook, die, toen zij geslaagd waren voor hun laatste examen, zeiden: ziezo, nu is het gebeurd, weg met die rommel!

Op de scrupuleuzen hebben dezen in elk geval één ding voor: zij hebben geen knagend geweten. Onbezorgd genieten zij van het pastorieleven - of hun hoorders ook genieten van hun preken, dat is een andere zaak. Gaan zij met vacantie, dan ligt hun auto minder zwaar op de weg dan die van die andere collega's, die nog steeds hun ideaal niet hebben begraven, want een doos of koffer met boeken ontbreekt.

Serieus

Wij komen tot de serieuzen. Wat moeten wij met hen aanvangen? Ze stimuleren, prikkelen tot studie? Ik heb het vaak, ik mag wel zeggen: héél vaak geprobeerd. Het had menigmaal de uitwerking van een injectie: na een paar uur is zij uitgewerkt. Ik vroeg weleens: wat doe je in de 'eerste uren' van de dag? Maar dan keek men mij verwonderd aan, men wist namelijk niet dat een dag ook éérste uren heeft. Men had de 'morgen' nog niet ontdekt. Dan informeerde ik naar de laatste uren van de dag. Het bleek dat dat de gezelligste waren: koffie en de krant, de vrouw een beetje bijpraten, nog een laat radioprogramma, niet: Theologische Verkenningen, maar wat anders. Dan vroeg ik, heel schuchter of men ook wist wat een calvinistische levensstijl is. Het antwoord was: Jazeker, daar ben ik vóór. Waar men in dat geval tégen was, werd mij niet duidelijk.

Maar: waarom zou studie dan zo nodig zijn? Het kan toch ook wel zónder, denkt deze of gene. Zeker, professoren dringen er altijd erg op aan, maar, daar zijn het nu eenmaal professoren voor! Zij doen het beroepshalve. Maar kan men wel, terwille van een of andere professor (overigens met alle achting voor de persoon in kwestie) zijn leven lang zuchten onder een juk? Ik heb wel jonge predikanten ontmoet die er gewoon tegen opzagen om een of andere hoogleraar onder ogen te komen, uit vrees dat hij weer zou beginnen over de doctoraalstudie en zou vragen: hoe ver ben je?

Is het dan soms zó, dat een predikant alleen maar slagen kan, als hij op z'n minst de doctorandus-titel heeft behaald? Is het soms zó, dat men zeggen moet: gaven of geen gaven, aanleg of geen aanleg, studeren maar, promoveren maar! Vele arme predikanten hebben er bijna een trauma van overgehouden. Ik meen: elke predikant leeft men een slecht geweten, dat heeft hij te danken aan zijn gemeente, want die kan hij nooit helemaal voldoen; maar déze predikanten hebben een dubbel slecht geweten, en dat hebben zij dan te danken aan een of andere hoogleraar (nogmaals: hoog gewaardeerd), die evenmin over hen tevreden is.

Zelf heb ik hier bepaalde gedachten over. Studie, ook in de pastorie, houd ik voor noodzakelijk. Maar ik zie niet in dat zij altijd op een doctoraal-examen of zelfs een promotie moet aankoersen. De dominee die hard werkt in zijn gemeente, wel studeert, maar geen enkele ambitie heeft voor een examen of promotie, kan in de kerk even waardevol zijn, of zelfs waardevoller, dan een ander die jaar en dag tegen heug en meug aan een proefschrift zwoegt. En bovendien: niet elk proefschrift heeft waarde. De titel doctorandus of doctor zegt in de kerk ook niet alles!

Ieder heeft zijn eigen gaven en talenten. En de Heere God heeft ze rijkelijk verdeeld. Zij vullen elkaar ook prachtig aan.

Calvijn schreef eens aan koning Sigismund van Polen: Als er 10 of meer predikanten bijeen zijn, dan is er allicht één die er uitspringt, maak hem dan voorzitter! Ganoczy, een rooms-katholiek schrijver, heeft hieruit afgeleid dat Calvijn voor de 'bisschop' was - wat een onzin, Calvijn had alleen maar oog voor de gaven!

Er zijn onder de predikanten ook echte studiehoofden. Ook zij hebben weleens een prikkel nodig, maar niet veel. Het is hun ingeschapen. Al zouden 25 ouderlingen zeuren over een paar bezoeken die niet gedaan zijn, zij zetten toch door. Maar, gelukkig, wij hebben ook wijze ouderlingen. De kerk heeft ook doctores nodig. Calvijn gaf hen een aparte plaats onder de 'herders en leraars'. Wee de kerk, waarin de bezinning gaat ontbreken!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 februari 1985

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Studeren in de pastorie (1)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 februari 1985

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's