De theologische Areopagus
Op de Areopagus in Athene kwam men in de dagen van Paulus bijeen om wat nieuws te horen en te zeggen. Zo lijkt het ook te zijn op de theologische Areopagus van onze dagen.
Op de Areopagus in Athene kwam men in de dagen van Paulus bijeen om wat nieuws te horen en te zeggen. Zo lijkt het ook te zijn op de theologische Areopagus van onze dagen. Van tijd tot tijd duikt er weer een theoloog op, die de kranten haalt door een geruchtmakende uitspraak. Opeens is er een brede discussie over een theologische teerling, die geworpen wordt. Wie er dan samen komen om het nieuws te horen, is een tweede. Zijn het de theologen of is het de gemeente? Niet zelden worden de theologen gekieteld en de gemeenteleden geschokt.
Ooit zei prof. dr. F. Smits dat wat de verzoening door voldoening betreft men 'zijn portie maar aan fikkie moest geven'. Het was zijn eer te na dat een ander in zijn plaats betaalde.
Later schreef de Engelse bisschop Robinson dat we God in de nááste ontmoeten en niet in de hemel boven ons aan roepen moeten: 'God is dood'.
Dan weer was er een uitspraak van dr. M. A. Krop in Groningen 'dood is dood'. Brede discussies over deze themata. En in al deze gevallen werd het mes gezet in het geloof der gemeente.
De joodse theoloog Pinchas Lapide heeft gezegd dat de theorieën, die men heden ten dage ontvouwt omtrent de opstanding van Jezus uit de dood, door de twaalf discipelen ten tijde van Jezus niet zouden zijn begrepen. Hij gaat nog een stap verder en zegt dat als mensen ten tijde van Jezus' verrijzenis ook zoveel moeite hadden gehad met dit feit de kerk nooit ontstaan zou zijn. Een onthullende uitspraak!
Dezer dagen nu komt een nieuwe discussie op. Ook nu over de dood en de christelijke waardering daarvan. En opnieuw is er sprake van een theologische slagzin: 'de dood is nog niet overwonnen'. Aldus dr. Okke Jager, die daarover in discussie is met dr. K. Blei (N.H., Haarlem) in 'Woord en Dienst'.
Aanleiding
De aanleiding voor de discussie is het boek van Okke Jager, getiteld 'De dood in zijn ware gedaante'. Het gaat me hier nu niet om een beoordeling van dat boek. Dat heeft dr. J. Hoek reeds in ons blad gedaan. Hoek zegt ervan: 'het is daarbij uiterst betreurenswaardig dat hij (Jager, v. d. G.) niet erkent dat de dood als bezoldiging van de zonde een gevolg is van de historische zondeval. Daarmee heeft hij zichzelf de mogelijkheid ontnomen om werkelijk te slagen in zijn ontmaskering van de dood'.
Wat intussen namelijk het belangrijkst is, is dat christelijke waardering van de dood en het geloof in de Opstanding alles met elkaar te maken hebben. Nu heeft dr. K. Blei in Woord en Dienst, het orgaan voor hervormde ambtsdragers, het boek van Jager besproken. Maar - zo zegt Jager in een reactie - Blei heeft eigenlijk van het boek niets begrepen. En gedetailleerd kritiseert Jager de kritische noties van Blei over zijn boek. Dit is wél gezegd en dat is al aangekondigd voor een nog te schrijven tweede déél van het boek, en wéér iets anders is gewoon verkeerd begrepen.
Maar intussen schrijft Jager dan de volgende zin neer: 'Blei suggereert dat volgens mij bij een open graf niet gezegd zou mogen worden dat de dood (vanuit de beloofde opstanding) het laatste woord niet meer heeft'. Dat heeft Blei verkeerd begrepen, vindt hij. Maar - zo mag een 'gewoon' gemeentelid vragen - als de theoloog het niet begrijpt, hoe zal de gemiddelde lezer van Jagers boek het dan verstaan.
Maar er is natuurlijk wel degelijk iets meer aan de hand dan dat dr. Blei Jager verkeerd verstaat. De zinsnede uit de bespreking van het boek door dr. Hoek spreekt voor zich. Maar de discussie - die ook mondeling voor de N.C.R.V. tussen Blei en Jager is gevoerd - spitst zich toe op de vraag of er bij een graf ook nog troostwoorden vanuit de Opstanding gezegd mogen worden. En dan zegt Jager: 'het triomfalisme (Christus hééft de dood overwonnen) fungeert mét het fatalisme (we gaan nu eenmaal dood) als een kalmeringsmiddel dat de strijdbaarheid tegen de doodsoorzaken verlamt'. Vandaar kennelijk de titel van het artikel van Jagers artikel in Woord en Dienst: 'De dood is nog niet overwonnen'. Ik besef best dat het woordje nòg er staat. Maar spreken van het overwonnen zijn van de dood door Christus is 'triomfalisme'. En als Jager dan ook nog het woord 'kalmeringsmiddel' gebruikt dan komt hij gevaarlijk dicht bij het verwijt van Marx dat godsdienst opium van het volk is en dat christenen altijd een wissel trekken op de eeuwigheid.
Mond vol tanden
Intussen - en daar gaat het me in dit artikel om - staat naar mijn diepste overtuiging de dominee bij een graf - als hij tenminste bij Jager te rade gaat - met de mond vol tanden. In de discussie met Jager neemt Blei het gelukkig frank en vrij op voor de boodschap van Kruis en Opstanding, waardoor aan het graf van hen, die Christus toebehoorden, woorden van troost en hoop te spreken zijn. Maar Jager komt niet verder dan opstand tegen de dood. In bepaalde hedendaagse rouwadvertenties wordt dat protest tegen de dood ook openlijk verwoord. Opstand tegen de dood wordt uitgesproken en niet meer verwachting vanuit de Opstanding. De gedachtengang van Okke Jager geeft daar duidelijk voet aan.
Men kan zich overigens afvragen of nog wel gesproken kan worden van de opstanding tot rechtvaardiging als de dood als bezoldiging der zonde wordt ontkend.
De vraag van Lapide is terecht. Zouden de apostelen, de twaalf discipelen de hedendaagse gedachten over dood en opstanding begrepen hebben? Zou het christendom dan wel zijn ontstaan? Zou 1 Corinthe 15, het lied der opstanding, dan wel ooit geschreven zijn?
Laatste ernst
Bij de dood valt alle menselijk triomfalisme weg. En als Okke Jager met het woordje 'nog' - nòg niet overwonnen - bedoelt dat de dood dagelijks rondgaat en er daardoor nameloos leed over mensen komt dan is dat diepe levensrealiteit. De levensklacht over de dood zal en mag ook worden geuit. Zoals Job op een bepaald moment zegt dat de Almachtige Hem heeft beroerd, Hem bitterheid heeft aangedaan. Bij elk graf staan we verstomd, juist als we bedenken dat de bezoldiging der zonde de dood is. Maar bij het graf bepaalt niet de dood het einde. Ik las ergens: 'wie gelooft in de opstanding van Jezus Christus kan nooit meer doodernstig zijn, zelfs niet op een begrafenis'. Vanuit de Opstanding mag getuigd worden van de opstanding der rechtvaardigen, mag gezegd worden dat het kerkhof toch een leugen is. De dood is verslonden tot overwinning (1 Cor. 15 : 54). En dat geldt wanneer dit sterfelijke onsterfelijkheid zal hebben aangedaan. Als de discipelen dat, uiteindelijk, door alle diepten van ongeloof heen, niet hadden geloofd, ze zouden nimmer apostelen zijn geworden. Het christendom zou inderdaad niet zijn ontstaan. En wanneer dat vandaag niet meer geloofd en beleden wordt, dan zal de prediking niets meer waard zijn, een lege huls. Als Christus niet is opgewekt is ons geloof vergeefs, ijdel (1 Cor. 15 : 17). Dit geloof is geen triumfalisme maar bijbelse triumf. Heeft dit geloof de tijden door echter de levende gemeente, ook bij de smartelijkste verliezen, niet op de been gehouden, geen uitzicht geboden over dood en graf heen?
We leven in een tijd van geestelijke malaise. Méér en méér worden de fundamenten van het christelijk geloof ondermijnd. Hèt fundament Kruis en Opstanding, kan echter niet worden weggeslagen. Maar het gaat er wel om dat de gemeente erop wordt gebouwd, opdat ze nochtans leert vertrouwen, verwachten en hopen door de diepste levensraadselen heen.
Ik zou willen zeggen: dominee Jager, u bemoedigt de gemeente niet, welke nuanceringen u ook wil aanbrengen hoezeer u ook optornt tegen het fatalisme inzake de dood, dat ook immer weer leeft.
Maar wat de gemeente vandaag nodig heeft is niet een halve waarheid, niet een theologische slagzin, die meer misverstanden oproept dan wegneemt, maar een woord van bemoediging in de diepten van het leven. Wie ervan weet dat alles op het kerkhof verstilde onder de klanken van het getuige-
nis van de Opstanding - 'Ik ben de Opstanding en het Leven' - kan innerlijk in opstand komen bij een doodarme boodschap, die de gemeente de grond onder de voeten weg haalt.
Dr. Blei houdt - blijkens de discussie met Jager - de boodschap bij het open graf Hoop-vol. Jager staat met de mond vol tanden. En dat wil hij ook.
Het moet
Er staat in de Schrift een merkwaardig woord. Ook geschreven door Paulus in de brief aan de Corinthiërs. 'Want er moeten ook ketterijen onder u zijn, opdat degenen, die oprecht zijn, openbaar mogen worden onder u' (1 Cor. 11 : 19). Calvijn zegt dat de Heere door zulke verzoekingen 'de standvastigheid der zijnen beproeft'. Calvijn spreekt zelfs over 'voorzienigheid', 'omdat hij de zijnen onderzoeken wil als goud in de oven'.
Daar houden we het maar op. Ook als theologen weer wat nieuws op tafel leggen. De gemeente is gediend, in leven en sterven, met het horen van de oude Boodschap.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 februari 1985
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 februari 1985
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's