Weergaloos lijden
'Gaat het ulieden niet aan, gij allen, die over weg gaat? Schouwt het aan en ziet of er een smart zij gelijk mijn smart, die mij aangedaan is, waarmede de Heere mij bedroefd heeft ten dage der hittigheid Zijns toorns.' Klaagliederen 1 : 12
'Hé, u daar, raakt het u niet? En jij daar, je wilde toch niet zomaar doorlopen? Het gaat jou toch ook aan?'
Zo staat een vrouw te schreeuwen tegen voorbijgangers. Niemand kan ongemerkt passeren. Zij vraagt en trekt ieders aandacht. Ook de uwe. Wie is zij toch? Het is Jeruzalem, de dochter Sions. Ze klaagt voorbijgangers haar nood. Diepe smart doorklieft haar hart. De tranen lopen haar over de wangen. Haar gezicht is gegroefd door het leed. Zij kreeg slag op slag. Weergaloos is haar lijden.
De eens zo schone Godsstad is verworden tot een ruïne. Platgewalst door het tomeloze leger van Nebucadnezar. Wie verzet bood werd meedogenloos gedood. Het merendeel van de bevolking is gedeporteerd naar Babel. De achtergeblevenen rest niet anders dan klaagliederen zingen op de puinhopen. Het och en ach stijgt vanuit de rokende puinhopen omhoog naar de hemel. De nood wordt de Heere geklaagd. Zie Heere en aanschouw wie en wat ik geworden ben.
Het is echter niet alleen een verticale klacht, ook een horizontale. Voorbijgangers klampt zij erover aan. Reizigers van Hebron naar Sichem passeren de stad. Echter niet zonder dat ze die klagende vrouw hebben aangehoord. Ach ja haar lot moet toch elke rechtgeaarde jood ter harte gaan. Die kan toch niet onbewogen voorbijgaan aan het gruis van Sion. De troosteloze aanblik van de verwoeste stad moet een ieder toch in tranen doen uitbarsten. Zeg, eens raakt het u niet, zo vraagt zij. Had iemand ooit groter smart dan ik? Is er ooit erger ramp gebeurd?
U voelt wel; dit is een uiting van diep doorleefde smart over aangrijpend leed. Dat is wat anders als de nagebootste klaagliederen. Er zijn er wat in het kerkelijk Jeruzalem die het och en ach in de mond nemen zonder hartelijke doorleving. Veel wordt er in onze dagen gesproken over de nood van kerk en volk en ziel. Weeklachten zijn er genoeg, maar vaak zonder hart. Dat is het ontzettende. Er is nog klaagvorm, maar zonder leven, zonder liefde, zonder smart. Bepaald ontdekkend is te weten dat men onder Israël ook beroepsklagers had. Dat waren de mensen die verstand van kermen hadden (Amos 5 : 16). Ze deden het wel met verstand, maar zonder hart. Zie riepen och en ach tegen betaling. Ze traden op tijdens begrafenissen. Ze hadden een voorraad liederen waaruit ze een keuze deden, al naar gelang de situatie vereiste. In de sterfhuizen wisten ze op handige wijze herinneringen aan de overledene naar voren te halen, om zo in te spelen op het gemoed van de rouwdragenden.
Arme predikers die daaraan meedoen. Arme mens die niets anders heeft. De Heere doorziet immers het hart. Hij weet of wij oprecht klagen, klagen in geloof en leven, in liefde en schuldbesef. Het vroom Jeruzalem uit hier een levende klacht. Zij buigt onder het oordeel van God. Ze valt het recht van God toe. De Heere heeft Zijn brandende toorn over haar uitgegoten. Dat was verdiend, zo belijdt zij. De zonden en de straf over zonden drukken op haar schouders. Een zware last, die niet te torsen is. Weergaloos lijden. Vandaar dit klaaghed.
Weergaloos lijden? Zie de Man van Smarten dan eens. Zijn lijden gaat elk lijden te boven. Zie hoe Hij kruipt en worstelt in de hof van Gethsemané. Een worm en geen man. Hoor Hem klagen: 'Mijn ziel is geheel bedroefd tot de dood toe'.
De Vader zet Hem de lijdensbeker aan de lippen en Hij moet drinken. Zwaar is Zijn geestelijke strijd. Zie hoe het angstzweet wordt tot druppels bloed, die de aarde onder Hem rood kleuren. Zie Hem staan voor Herodes met de doornenkroon, geheel ontluisterd. Wat zal Zijn tere ziel geleden hebben onder de ruwe spot en smaad Hem aangedaan. Zie, hoe ze Hem aan de schandpaal slaan. De spijkers door Zijn handen en voeten. Hij wordt aan het kruis genageld om de vloekdood te sterven. Hoor Hem roepen in die bange ure van Godverlatenheid: 'Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?' De brandende toorn Gods over de zonde ontlaadt zich op Hem in volle hevigheid. Weergaloos lijden! We mogen bij onze tekst gerust een handwijzer plaatsen naar Golgotha's kruis. Hij heeft in de nacht van plaatsbekledend lijden deze klacht tot de Zijne gemaakt in absolute zin.
Ziet die lijdende Borg. Hij kijkt u aan en vraagt: 'Gaat het u niet aan? Schouwt het aan en ziet of er een smart zij gelijk Mijn smart'. Zo erg is nu uw zonde, zo groot is nu uw schuld, dat Ik zo zwaar moet lijden. Gaat het u niet aan? Zeer zeker! Het raakt ook u. Want om onze overtredingen werd Hij verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld. Gaat daarom niet voort over de weg, maar blijft staan en schouwt het aan. Niet als een nieuwsgierig en onbewogen toeschouwer, want dan blijft u onder Gods brandende toorn. Maar als een boetvaardige die de Zoon aanschouwt en in Hem gelooft.
Ja, want wie bij Hem behoud, verlossing zoekt, zal niet beschaamd uitkomen. Die zal ervaren dat de verlossing evenredig is aan Zijn lijden: weergaloos!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 maart 1985
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 maart 1985
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's