Calvijn aan Koning Sigismund August van Polen (I)
Brief d.d. 9 december 1552
De onderstaande brief van Calvijn aan de koning van Polen is belangrijk, omdat hij daarin heel duidelijk zijn bezwaren tegen de pauselijke hiërarchie uiteenzet.
Inleiding
De onderstaande brief van Calvijn aan de koning van Polen is belangrijk, omdat hij daarin heel duidelijk zijn bezwaren tegen de pauselijke hiërarchie uiteenzet. Nu in mei a.s. de paus op bezoek komt in Nederland en daarover allerlei discussies ontstaan zijn, is het goed om naar Calvijns uiteenzettingen te luisteren. Calvijn heeft een bijzondere zorg voor Polen. Het gaat hem daarbij om de rechte prediking van het evangelie en de reformatie van de kerk. Calvijn is er op uit de koning te doen beseffen dat hij een speciale roeping heeft om het werk der reformatie ter hand te nemen en te bevorderen. De koning moet zich door de roomse prelaten, die beweren, dat de koning zich niet met kerkelijke zaken mag bemoeien, omdat hij daartoe de bevoegheid mist, niet van de wijs laten brengen. Calvijn helpt de koning daarbij om een tegenweer te hebben tegen de protesten van de geestelijkheid. En hij wapent hem van te voren tegen de felle contrareformatorische actie, die Calvijn in Polen ziet aankomen. Zo zien wij dat voor Calvijn de rechte ordening van het gehele maatschappelijke en politieke leven naar het Woord van God heel direct samenhangt met de rechte prediking in de kerk. De biechtvader van de koning, een vroegere Italiaanse monnik Lismanino, leest de Koning voor uit Calvijns Institutie. Lismanino is ook op bezoek geweest in Genève. Later zal deze Lismanino zich van Calvijn verwijderen en relaties aanknopen met de antitrinitariërs. Hier volgt de brief zelf, die ik voor de duidelijkheid van kopjes voorzien heb:
Opdracht
'Hoewel ik reeds voor 5 jaar, allerverhevendste Koning, een deel van mijn geschriften openbaar aan Uwe Majesteit heb opgedragen, om het zaad van de vreze Gods, dat, zoals ik vernam, toen al in Uw hart van Godswege uitgestrooid was, meer en meer tot wasdom te brengen, zo waagde ik het als onbekende toen nog niet, een persoonlijk schrijven aan een zo hoogberoemde Koning te richten, wanneer niet onze vereerde broeder (= Lismanino), aan wie ik dit verschuldigd ben en wiens trouwe toewijding aan Uwe Majesteit mij bekend is, zodat ik niet twijfel of hij kent Uw gezindheid van zeer dichtbij, mij daartoe door zijn raad en aansporing opgewekt had.
Omdat hij mij toevertrouwde dat deze mijn taak Uwe Majesteit niet onwelgevallig zou zijn, zo heb ik het verwijt van vrijpostigheid verder niet gevreesd. Omdat het nu echter dwaas zou zijn, dat door een dienaar van het evangelie een ijdele brief voor het aangezicht van een zo grote koning kwam, heb 'k gemeend dezelfde zaak te moeten behandelen als in mijn opdracht van mijn commentaar op de Hebreënbrief, omdat er geen enkele andere zaak is, die beter is of Waardiger voor de persoon van een koning of meer geschikt voor deze tijd. Want ik ben overtuigd, dat het voor U in de eerbied, die gij voor de Zoon van God, onze gemeenschappelijke Meester, aan de dag legt, niet een aanstoot of belediging zal zijn om door Zijn knecht vermaand te worden. En stellig siert deze bescheidenheid alle discipelen van Christus, van de hoogste tot de nederigste, van de koningen tot het gewone volk, om zich vrijwillig en zachtmoedig aan Zijn hemelse leer te onderwerpen. Want zo kussen ook naar het voorschrift van David de aardse koningen de vorst en het Hoofd van alle koninkrijken, zodat zij het niet verachten Hem te horen, die tot hen spreekt door middel van mensen aan wie Hij het leerambt heeft opgedragen. Overigens, omdat ik meen dat ik van mijn kant daartoe verplicht ben, zal ik mij er op toeleggen om niet door uitvoerigheid Uw afkeer op te wekken.'
De roeping van de Koning
'In eerste intantie wil ik niet raken aan de verschrikkelijke duisternis, die overal verbreid is, de springvloed van dwalingen, waarmee de hele wereld bedekt is, de misbruiken en de verdervingen, waarmee de godsdienst bevlekt is, om niet door overvloedige behandeling van bekende zaken, nutteloos de aandacht van Uwe Majesteit te vragen. Want het is niet aan mij om te spreken tot iemand, die ongeletterd is en onbekend met de oprechte vreze Gods, maar het woord te richten tot een koning, die begiftigd is met het licht van de zuivere leer, zodat hij niet alleen zelf vrij is van de grove bijgelovigheden van het volk, maar ook juist kan oordelen hoe verdervelijk dit doolhof is, waarin het merendeel van de mensheid ingewikkeld is. Want wanneer Christus ook van de gewone discipelen wil dat zij aan lichten gelijk zijn, die hoog opgesteld hun glans ver uitstralen, wat zou Hij dan van een koning verlangen, die Hij op de hoogste top van waardigheid geplaatst heeft, opdat Hij alle anderen zou voorlichten? Want hoe eervoller de hoogte van de troon is, waarop Gij gezeten zijt, des te moeilijker is het hart even hoog te dragen, opdat deze rang versierd wordt door de deugd van hem, die deze bekleedt en des te zorgvuldiger moet Gij de rekenschap overwegen, die Gij voor God moet afleggen. Wat als wij reeds voor de in het donker levende mensen moeten vrezen, dat dit levenwekkende zaad (- van het Woord) niet verstikt door verlamming zal verbasteren, of helemaal verloren gaat, wat staat Uw Majesteit te doen, voor wie het niet genoeg is voor zichzelf rijke vrucht te laten halen, tenzij dat hij er naar streeft dezelfde vrucht als een zaad onder vele duizenden van mensen uit te strooien? Bedenkt derhalve, edelste Koning! dat van Godswege in uw persoon een licht voor geheel Polen is ontstoken, dat niet zonder zware schuld langer verborgen kan blijven.'
De vergadering van de kerk uit de verstrooiing van het pausdom
'Zo moge dit Uw eerste zorg zijn, en dit Uw eerste streven, die gebieden, die aan U onderdanig zijn uit de schandelijke verstrooiing van het pausdom weer te vergaderen onder de gehoorzaamheid aan Christus. Moge die heldenmoed uitbreken, die te lang reeds ingeslapen ligt, en verschaffe hij zich in deze roemruchte zaak een gedenkwaardig getuigenis. Weliswaar ontgaat het mij niet, hoe moeilijk dit zware werk is, en hoe ingewikkelde en grote moeilijkheden op handen zijn, welke de duivel naar zijn gewoonte ons tegenwerpt.
Maar omdat hier gestreden wordt voor de eer van God in het rijk van Christus, voor de zuiverheid van de heiligheden, voor het heil der mensheid, is dit zo'n uitstekende zaak, die door de lof die deze meebrengt, alle moeilijkheden wegneemt en alle versperringen gemakkelijk teboven komt. Temeer omdat de vijanden der waarheid door hun voorbeeld zelf voorschrijven wat gedaan moet worden. Want hoe feller Uw Majesteit hen zich ziet inspannen om de waarheid te onderdrukken, des te schandelijker zou het zijn hun waanzinnig vuur niet ten minste met verstandige vaardigheid te evenaren. Want zij rennen met een vaart zo hard als zij kunnen, en slepen al hun werktuigen aan, zij slingeren vurige en giftige pijlen, die satan hen verschaft; zij woeden nu eens in hinderlagen en dan weer in openlijke strijd; dat alles mag een edelmoedig hart, dat met de hemelse kracht van de Geest Gods is toegerust niet doen bezwijken, zodat het veel meer aansporingen zijn tot dappere wedijver in tegenweer en aanval. Hier komt bij, dat God, omdat Hij verzekert, dat het Zijn eigen werk is, de vervallen kerk, waarvan Hij de enige stichter is, weer op te bouwen, besloten is, ons ongetwijfeld, wanneer wij ons daarvoor inspannen, niet in de steek te laten. Overigens, aangezien Gij niet alleen te strijden hebt met vijanden in Uw eigen huis, maar met hen, die zich beroemen voorstanders in de religie, wachters in het heiligdom, en vaders en beschermheren van de kerk te zijn, zou misschien Uw Majesteit blijven staan, verward door deze vrees, iets te ondernemen, dat niet tot zijn ambt behoort. En stellig moet dit voor de kinderen Gods bij elke handeling als door God voorgesteld en vastgesteld zijn, dat zij niet de grenzen van hun roeping overschrijden.'
De Koning gewapend tegen de valse aanspraken van de hiërarchie
'Derhalve moet ik in een paar woorden uiteenzetten in hoeverre daarvoor gevreesd moet worden, opdat geen loze schrik U belemmert of hindert. Zoals de papisten ons voortdurend hun hiërarchie opdringen, zo twijfel ik niet, of zij versterken zich ook bij U met ditzelfde schild. Want omdat zij onze meerderen in enkele hoofdstukken van de leer lijken, nemen zij als overwonnen hun toevlucht tot deze ellendige verontschuldiging: hoe verdorven de toestand van de kerk ook moge zijn, toch is het leken niet geoorloofd zich met haar gebreken bezig te houden. Nog niet tevreden met deze uitvlucht laten zij hun kam opzwellen: omdat in de kerk aan Petrus het primaat gegeven is, en de hele pauselijke geestelijkheid in voortdurende opvolging van de apostelen zelf tot nu toe afstamt, ziet het recht en de macht van de geestelijke regering op hen alleen. Daarom zal het de moeite waard zijn deze beide punten in het kort uiteen te zetten. En toch zal ik hier niet als het ware opzettelijk over het primaat van de roomse stoel handelen, aangezien het mij voorkomt dat deze zaak reeds door mij zo behandeld is, dat de paus slechts met de grootste onbeschaamdheid zich kan aanmatigen, wat hij tot nu toe pleegde te doen, nl. dat hij het hoofd is van de gehele kerk.'
De apostel Paulus over de rechte eenheid
'Want wanneer Paulus, terwijl hij ons tot eenheid wil vermanen, leert, dat er een God, een geloof, een doop, een geest, een Heer en een lichaam der kerk is (Ef. 4.5), had hij allerminst weg mogen laten, hetgeen om dit te bewijzen van het allergrootste gewicht was, dat er een hogepriester is, wiens gezag de gehele kerk in rechte orde verbonden houdt. Dit zou derhalve een schandelijke vergeetachtigheid geweest zijn, de gelovigen niet te waarschuwen dat zij onder een hoofd, dat van godswege over hen gesteld was, moesten blijven; gesteld, dat dit waar geweest zou zijn, dat aan een mans het primaat over alle kerken gegeven was. Maar elders (Galaten 2.7) heeft hij zichzelf voldoende over dezelfde zaak uitgelegd, wanneer hij verzekert dat hij hetzelfde apostelambt onder de heidenen bekleedde, als aan Petrus onder de Joden gegeven was. Hier wordt stellig niet alleen gelijkheid tussen beiden vastgesteld, maar ook is de verdeling zodanig, dat, eigenlijk gezegd, het apostelambt van Petrus ons allerminst aangaat. Tenslotte zegt hij niet op de zoëven aangehaalde plaats (Ef. 4.11) wanneer hij bepaalt op welke wijze Christus verordend heeft dat de kerk geregeerd moet worden, dat door Hem een plaatsbekleder verkozen is, die Zijn afwezigheid op aarde zou opvullen; maar dat Hij apostelen, herders en leraars heeft aangesteld, die ieder naar de maat van de genade hem gegeven in gemeenschap hebben te arbeiden. Zeker als God een boven allen had willen aanstellen, zou Hij hem niet met een deel van Zijn Geest hebben begiftigd, maar de volheid van Zijn Geest hebben overgedragen. Ook die drogrede, dat aan Petrus de sleutels gegeven zijn, wil ik op dit moment niet weerleggen, omdat elders meer dan voldoende is aangetoond, dat dit de paus niets meer helpt, dan wanneer het tot een of andere apostel gezegd zou zijn. Want welke bloedverwantschap of verzwagering heeft hij met Petrus, dat hij zich als zijn erfgenaam gedraagt? Want dat hij voorwendt dat het recht (niet aan de drager) maar aan de zetel gegeven is, is meer dan dwaas.'
De Hebreënbrief over het unieke Hogepriesterschap van Christus
'Want waarom zou de zetel van het primaat niet veeleer te Jeruzalem zijn, waar onbestreden de Zoon van God als hogepriester zijn hogepriesterlijk ambt heeft uitgeoefend? Maar, zoals ik zei, deze dingen kan men elders voldoende vinden, waar zij vollediger zijn uitgelegd; zoals ook die stelling, hetgeen volstrekt niet door Christus voorgesteld is, een onder de apostelen tot vorst te verheffen. Want de waardigheid van de hogepriester, die onder de wet van kracht was, is zozeer afgeschaft, dat nu alleen de Zoon van God als Hoofd boven alle leden staat, die allen in dezelfde rang zijn samengebracht. Maar in goddeloze brutaliteit verdraaien de papisten, tot bewijs van de tyrannie van hun afgod, dat woord van de apostel: "Want uit een verandering van priesterschap volgt noodzakelijk ook een verandering van wet" (Hebr. 7.12). Want de apostel zet daar niet uiteen, dat het ereambt van hogepriester van de ene mens op de andere mens overgedragen is, maar hij verzekert, dat het bij de enige Zoon van God blijft, zodat men geen andere opvolger zoeken moet, omdat hij verordineerd is tot Priester naar de ordening van Melchizedek, opdat Hij het zonder einde is. En welswaar moest de ene wil van God ons rijkelijk voldoende zijn, zoals deze ware regel van de wettige regering is en een onschendbare wet.'
Het getuigenis van de Oude Kerk
'Maar daar komt ook bij, dat het niet mogelijk is en niet nuttig, dat er een hoofd is van de hele kerk in de landen, omdat zowel de maat van de menselijke zwakheid ver te boven gaat. Tenslotte hebben alleen eerzucht en hoogmoed dit primaat, dat de roomsen tegenover ons stellen, in elkaar gezet. De Oude Kerk heeft wel patriarchaten ingesteld, en ook zekere primaten aan enkele provincies toegedeeld, opdat door deze band van eendracht de opzieners beter onderling verbonden zouden blijven.'
Vertaling dr. W. Balke, Den Ham
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 maart 1985
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 maart 1985
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's