Aalders over Plato en het christendom
Een nieuw boek van dr. W. Aalders is altijd iets om voor te gaan zitten. Hij weet altijd weer op diepzinnige wijze onderwerpen aan de orde te stellen en ontwikkelingen in maatschappij en kerk profetisch te doorlichten. Wie voor het eerst met Aalders kennis wil maken doet er goed aan de bundel 'De tijdgeest weerstaan' aan te schaffen. Het hier besproken boek is niet zozeer op het 'gewone gemeentelid' gericht, het is meer een bijdrage op theologisch-wetenschappelijk niveau. Het gaat mij erom vanuit dit boek enkele hoofdlijnen weer te geven en het een en ander te vermelden wat voor de lezers van ons blad van belang is. Wie op diepgaander wijze met Aalders' betoog wil bezig zijn, zal het boek zelf willen aanschaffen en lezen.
Aalders begint met er op te wijzen dat er na de Tweede Wereldoorlog een opmerkelijke verschuiving heeft plaatsgevonden in het christelijke denken, die gevoerd heeft tot een binnenwereldse, horizontale, materialistische Evangelie-vertolking. Er is te spreken van een religieuze vervreemding, een verlies van het eeuwige en bovenwereldse. Deze breuk met een eeuwenoude traditie is wel aangeduid als een afrekening met 'het Griekse denken'. Onder 'het Griekse denken' wordt dan verstaan een filosofische levens- en wereldbeschouwing, die het bestaan van twee werelden aanneemt: de steeds veranderende, lagere, zichtbare wereld én de hogere, altijd aan zichzelf gelijk blijvende onzichtbare wereld. Het is de roeping van de mens die nadenkt over de dingen, de filosoof, om zich zoveel mogelijk te richten op die onzichtbare werkelijkheid van het eeuwig ware en goede. De filosoof voelt zich een vreemdeling op aarde, een gekerkerde in de gevangenis van de stoffelijke schijn. Deze visie op het bestaan is vooral verbonden met de naam van Plato, welke griekse denker gelijk bekend ook in het christendom grote invloed heeft gehad. Maar tegenwoordig schijnt Plato zijn tijd voorgoed gehad te hebben. Er zijn weinig auteurs die nog een goed woord voor Plato over hebben. Vele theologen zijn van mening dat deze zichtbare wereld de enige wérkelijke wereld is en dat de mens zich totaal hierop moet richten, zonder afgeleid te worden door de gedachte aan een 'hiernamaals'. In naam van het 'Hebreeuwse denken' wordt tegenwoordig de christenheid opgeroepen toch vooral de aarde trouw te blijven en in bondgenootschap met het socialisme en zelfs marxisme een bevrijdingsbeweging te vormen, die het puur aardse heil in het vaandel heeft geschreven. Deze omwenteling in het denken is niet van vandaag of gisteren. Al eeuwenlang is er in de Europese cultuur een toenemende vervreemding van de eeuwigheidsdimensie. Wie Aalders kent, weet dat hij met diepe bewogenheid en heilige gedrevenheid positie kiest tegen dit afgeplatte en ingeperkte levensbesef. Welnu, in dit nieuwe boek doet hij dat door eerherstel te vragen voor Plato en het Griekse denken.
Plato's blijvende betekenis
Aalders ziet het zo dat er in de tijdsperiode tussen het Pinksterfeest en de ondergang van Jeruzalem zich een 'helleniseringsproces' heeft voltrokken. Aan de Griekse taalschat heeft de nieuwetestamentische gemeente het te danken, dat zij nieuwe mogelijkheden kreeg om haar geloof in de opstanding van Christus en in het eeuwige leven tot uiting te brengen. Met deze uitspraak kan ik het wel eens zijn, maar mijns inziens spreekt Aalders van de weeromstuit te negatief over 'het Joods-Israëlitische denken', dat geen weet zou hebben van het eeuwigheidsleven. Het gaat toch te ver om zo absoluut te stellen 'dat het Israëlitisch geloof geen voortbestaan over de doodsgrens kende' en dat er onbekendheid was met de mogelijkheid van een persoonlijk voortbestaan achter de de doodsgrens. Uiteraard is het Evangelie veel helderder en klaarder in het uitzicht over dood en graf heen, maar daarbij worden ook oudtestamentische stippellijnen doorgetrokken. Kan ook wel gesteld worden dat 'deze doorbraak van de eeuwigheidsdimensie in de verlossing het hart van de apostolische prediking is geworden, méér dan de Joods gekleurde verwachting van de eindtijd' (blz. 20). Maar naast woorden als 2 Kor. 5 : 8 en Fil. 1 : 21, 23 staat toch een kapitaal hoofdstuk als 1 Kor. 15? Dat de ziel van de gelovige na dit leven van stonde aan tot Christus, haar Heere, opgenomen wordt, is een parel van christelijke troost. Maar dat de lichamen zullen herrijzen uit het stof en de schepping volkomen vernieuwd zal worden, is een zeker niet minder schone parel van christelijke troost. Aan valse tegenstellingen hebben we geen behoefte; ze zijn ook niet bevorderlijk voor de goede zaak die Aalders vóór staat.
Met grote kennis van zaken en diep invoelingsvermogen weet Aalders te schrijven over de Griekse filosofen met hun concentratie op de diepste levensvragen. 'Als vrucht van de verwondering is in het Griekse denken het woord Zijn geworden tot het herkenningswoord voor al wat de grenzen van de zichtbare werkelijkheid overstijgt, en zo tot kernbegrip in de filosofie en naderhand ook in de theologie' (blz. 23).
Wanneer de grote filosofen spreken over het Zijn, ligt daar een waas van religieuze ontroering en huiver over. Met name bij Plato als 'de diepzinnigste en begaafdste denker van de antieke wereld' is dat het geval. Plato wist dat achter de ervaring van de zintuigen en het verstand het rijk der ideeën ligt, het rijk der Waarheid. In dit verband stelt Aalders de vraag: is het mogelijk en geoorloofd om Plato's dialogen met hun dichterlijke verbeelding te zien als een vóór-christelijke, een adventkleurige aankondiging van de meditatie, van het inwendige, biddende overwegen van religieuze waarheden met het oog op de praktische toepassing ervan in het concrete leven? Een voorbede dus van de spreek- en schrijftrant van Augustinus?' (blz. 45). Aan het einde van het boek komt deze zelfde vraag in andere bewoordingen terug: Is het te boud gesproken, om Plato ... een Simeon-figuur te noemen; een man te Athene, en deze man was rechtvaardig en vroom, en hij verwachtte de vertroosting der volken (Lucas 2 : 25)?' (blz. 158). Aalders laat de vraag als vraag staan, ook al is duidelijk dat hij deze positief zou willen beantwoorden. Overigens geeft hij in de hoofdstukken over Augustinus de breuklijnen tussen christendom en platonisme duidelijk aan naast de verbindingslijnen. Mijns inziens moeten we ervoor oppassen Plato te gaan ver-christelijken en daarmee een te onkritische houding ten opzichte van zijn gedachtenwereld in te nemen. Maar anderzijds is het zo dat de Heilige Geest gaven van wijsheid en kennis ook aan heidense wijsgeren geschonken heeft, zodat er voor de christen momenten van verrassing en herkenning zijn bij het kennnis nemen van hun gedachten. Die momenten zal de lezer zeker ook beleven bij het lezen van het betreffende hoofdstuk uit Aalders' boek.
De plaats van Augustinus
Bijzonder geboeid werd ik door de beide hoofdstukken over 'Augustinus en het christelijke denken', waarvan het eerste vooral ook ingaat op de Belijdenissen (Confessiones) met vele treffende citaten over Augustinus' bekering, terwijl het tweede brede aandacht geeft aan het grote werk 'Over de stad Gods' (De civitate Deï). Aalders toont hierbij aan dat het kennis nemen van de werken van Plato en de platonici onder de bijzondere leiding van Gods voorzienigheid een voor- en toebereidende werking heeft gehad tot zijn bekering. Hij komt tot de ontdekking van het zuivere begrip van God als Geest. Hij ontdekt dat God louter Geest en Woord is, soeverein in zichzelf, uitstijgende boven alles wat lichamelijk, ruimtelijk, tijdelijk is. Ook leert hij de blik naar binnen te richten, hij ontdekt de 'subjectiviteit', het innerlijk als een binnenruimte, die openligt voor het Zijn (blz. 64, 65). Verder dan deze drempel kon de filosofie Augustinus niet brengen. Dan valt door bange worsteling heen de beslissing van de bekering. Hij komt tot zonde-bewustijn. Het Griekse denken kent wel de grote en smartelijke kloof tussen natuur en genade, tussen tijd en eeuwigheid, tussen worden en zijn. Maar er is geen zonde-bewustzijn! Voor het christelijk geloof is de tegenstelling zonde-genade van fundamentele betekenis. Aalders geeft dat - in aansluiting bij Kierkegaard - met zovele woorden aan op blz. 68, maar het had in het geheel van zijn boek meer accent moeten krijgen. Augustinus krijgt ellendekennis, maar ook kennis aan Christus. Daarmee is hij het bloedarme Platonisme te boven en is hij waarlijk christen geworden. Maar dit Platonisme is dan bij Augustinus 'opgeheven' in de dubbele zin van het woord. Op het hoger niveau en in nieuwe kaders blijft het van invloed. Volgens Aalders een zeer heilzame invloed! De Griekse wijsheid blijft een rol spelen als voorportaal van het geloof. Er is geen volstrekte tegenstelling tussen 'Athene' en 'Jeruzalem'.
Augustinus geeft in 'Over de stad Gods' een geheel nieuwe kijk op het Koninkrijk Gods. Dit is een historische werkelijkheid (Luc. 17 : 21), maar het doet zich niet voor in zijn eigenlijke en ware gedaante. De bruidsgemeente van Christus draagt hier op aarde een weduwe-kleed. Zij is 'theopolis', Godsstad en zo vreemdeling en bijwoner in en tegenover de 'metropolis', stad van de mens. Haar meest kenmerkende eigenschap is haar vreemdelingschap! Werd er maar meer naar de stem van Augustinus geluisterd!
De verleiding van de ideologie
Het laatste hoofdstuk, 'Karl Marx en het ideologisch denken', begint met de geladen zin: sinds de Tweede Wereldoorlog houdt de Kerk 'links'. De moderne doorbraaktheologen heeft het helaas ontbroken aan inzicht in de verwantschap tussen het nationaal-socialisme en het marxisme. De uitersten raken elkaar niet alleen, ze stoelen zelfs op een gemeenschappelijke wortel. Kenmerkend is bijvoorbeeld de bijval die het denken van F. Nietsche - dé ideoloog van het nazisme - thans in bepaalde neo-marxistische kringen vindt. Marxistische en fascistische omwentelingen stemmen op alle wezenlijke punten met elkaar overeen. Het maakt weinig uit of men nu links of rechts van de weg in de sloot verdrinkt. Marxisme, fascisme en nationaal-socialisme - het zijn alle vruchten van de boom van het moderne, ideologische denken, dat in bewuste antithese staat zowel tot het christelijke denken, als tot het Grieks-Platoonse denken (blz. 127). Er is een afstervingsproces van de binnenruimte van de ziel geweest! De mens is dan niet langer geworteld in het Zijn en kent zichzelf niet meer als een wezen in afhankelijkheid en verantwoordelijkheid. Hij is dan als een schipbreukeling, die zich vastklampt aan wrakhout. Het marxistische communisme is het huiveringwekkendste voorbeeld van een valse heilsleer, die ervan uitgaat dat het mogelijk is om de geschiedenis in eigen hand te nemen en het rijk van de vrijheid te verwerkelijken. Maar: 'De poging om de hemel op aarde te brengen, heeft altijd de hel voortgebracht' (Popper). Bij de kritiek die op dit boek kan worden geleverd, moge het toch vooral positief gewaardeerd worden als een nodig en bewogen vermaan.
Dr. W. Aalders, Plato en het christendom, Over het Griekse, het christelijke en het ideologische denken, J. N. Voorhoeve - Den Haag, 1984, 164 blz., ƒ 25, —.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 maart 1985
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 maart 1985
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's