De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De Geest uitblussen (2)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De Geest uitblussen (2)

8 minuten leestijd

Wij kunnen dus bij onszelf de Geest uitblussen. Wanneer wij de gave, die God ons gegeven heeft, kleiner of groter, om zijn naam te belijden en tot stichting van anderen werkzaam te zijn, niet gebruiken, maar het talent in een zweetdoek wegleggen en begraven. 

1. Wij kunnen dus bij onszelf de Geest uitblussen. Wanneer wij de gave, die God ons gegeven heeft, kleiner of groter, om zijn naam te belijden en tot stichting van anderen werkzaam te zijn, niet gebruiken, maar het talent in een zweetdoek wegleggen en begraven. Dat kan gebeuren uit slapheid van het geestelijk leven. Het kan zijn door de overhand nemende vleselijke traagheid. Mogelijk is ook, dat wij het heilig vuur om naar de eeuwige dingen ons uit te strekken wat verliezen en in aardsgezindheid worden verstrikt. Het kan ook gebeuren dat wij in een doffe omgeving verkeren. Wij worden miskend en niet gewaardeerd. De mensenvrees oefent soms haar invloed bij ons uit. Misschien hebben wij op sommige punten geen goede consciëntie meer voor God en dat maakt dan, dat wij ons helder licht niet meer zo laten schijnen. In al die dingen kan een uitblussing van de Geest gelegen zijn. De Geest toch schenkt zijn gaven niet voor niets. Ze moeten tot stichting worden aangewend. En als wij die gaven dan verwaarlozen en de werking er van tegengaan en belemmeren, dan wordt de gave zelf matter en bleker. De Geest trekt zich terug. Wij blussen uit.

Wij kunnen al lang in zulk een weg verkeren zonder het te weten en te gevoelen. Het is daarom goed er aan ontdekt te worden, opdat wij niet voortgaan met uitblussen. Daarentegen beginnen de Geest weer op te wekken met verootmoediging en smeking tot God. Daarom vermaant Paulus Timotheüs zo ernstig: Ik maak u indachtig, dat gij opwekt de gave Gods, die in u is. Vooral mensen met een schroomvallig, bescheiden karakter lopen in dit punt soms gevaar. Timotheüs bezat namelijk een zachte aard. Hij werd door velerlei ontmoedigende bezwaren neergedrukt en liep daarom gevaar, meer dan anderen, kleinmoedig te versagen, zonder dat men evenwel daarom het recht had de oprechtheid van zijn geloof of de trouw in zijn werk verdacht te maken. Het komt ons voor dat geremde naturen, bescheiden personen hier wel eens met nadruk over dienen na te denken. Uit de historie van de kerk kunnen wij op Melanchton wijzen, de vriend van Luther. Schitterend begaafd - wel méér dan Luther - bezat hij toch diens heldennatuur niet. Wanneer in een nauwe gemeenschap dergelijke naturen worden opgevangen, kunnen ze van veel waarde zijn voor een volk en een land. Ze hebben namelijk menigmaal méér inzicht in de fijne details. Ze hebben veel meer gevoel voor verhoudingen en kunnen juist die druppel olie toevoegen, die op dat moment nodig is. Luthersnaturen hakken door. Melanchtonskarakters slijpen de scherpe stukken er af.

Ook wat aangaat de werking van de Geest in ons, in direct verband met onze zaligheid kunnen wij uitblussend verkeren. Als de Heilige Geest u, hetzij onder het Woord in de kerkdienst, of elders, overtuigt van zonde, en van gerechtigheid en van oordeel; als de Heere aan uw hart klopt, om u te doen gevoelen dat uw weg niet goed is, dat u niet eerst het Koninkrijk Gods zoekt, dat u nog buiten de gemeenschap en het leven van Christus staat, dat het zelfs kwalijk met u staat voor de eeuwigheid - let er dan wel op, dat u er niet altijd overheen gaat: dat u niet uitblust.

Het kan zelfs misschien wel zo zijn, dat er bewegingen in uw geweten en in uw hart bij tijden komen. Heldere overtuigingen door het Woord, zodat u moet zeggen, het kan en mag zo niet langer. Ja, dat het is, of er enige genegenheid bij de aanvang in uw hart opkomt, om u tot God te bekeren en met een bewogen hart de gemeenschap met Christus te zoeken. Gaat u dan niet voort met er overheen te leven. God is niet verplicht, het u later in dezelfde kracht weer te laten gevoelen. Soms gebeurt dat niet. Neemt dan de drijving van de Geest waar en zoekt de vonk tot een een vlam te doen worden, de rokende vlaswiek aangeblazen te krijgen. Werkt toch uwszelfs zaligheid met vreze en beven, want het is God die in u werkt. Maar nu kan het ook in de voortgang op de weg bij de gelovigen zo zijn, dat ze klaar ontdekt worden aan een of ander kwaad, aan de een of andere misvorming. God geeft hun een bijzondere opening in Christus tot zijn genade. Ze gevoelen aandrang tot de een of andere goede zaak.

Klaarblijkelijk worden wij bij herhaling en met nadruk tot iets aangedrongen. Dat kan zijn een werk dat wij moeten ondernemen, een bezoek, dat wij 'dienen' te brengen, een beroep, dat wij 'dienen' aan te nemen - om het even wat het is, wij dienen dan ook in die gevallen wel te leren de Geest niet uit te blussen, maar zijn aandrijving waar te nemen en op te volgen. Zijn wij ongehoorzaam in deze, dan doven wij de werking van de Geest.

2. Intussen geldt het ook, dat wij de Geest niet moeten uitblussen in onze verhouding ten opzichte van anderen. Waar ook maar een vonk des Geestes gloort, hetzij in ontdekking, hetzij in begeerte naar de Verlosser, hetzij in opwaking tot een nieuwe gehoorzaamheid, dan behoren wij daar met de gave, die God ons gegeven heeft, tegemoet te komen, niet van verre te blijven staan, niet onverschillig ons te gedragen, maar bij te springen en aan te moedigen en de vlaswiek aan te blazen. Niet uitblussend te werken door onschriftuurlijke argumenten naar voren te brengen of met allerlei ijdele luimen en grillen aan te komen. Neen, het dient de zaak voorzover het van mensen afhangt, olie in de lamp te gieten en hout aan te dragen voor het vuur. Met aandacht het projekt te volgen, te toetsen, verbeteringen voor te stellen. Het zwakke te ondersteunen, het kwijnende aan te moedigen. Vooral op de hoofdzaak te zien.

Deze vermaning van Paulus om de Geest niet uit te blussen, komt in het bijzonder van pas ten opzichte van de middelen, waardoor de Heilige Geest in de gewone regel werkt. Dat is bijvoorbeeld het persoonlijke gebed. Het geregeld huiselijk gebruik van Gods Woord. Dat is de dienst des Woords en der sacramenten. En zo vele dingen meer. Daarin slap te zijn, daarin ontrouw te zijn, dat is een uitblussen van de Geest. Want dat zijn de middelen en wegen, waarin de Heilige Geest zijn werking ons wil doen ervaren. Als wij nalatig of koud ten opzichte daarvan ons gedragen, dan benemen wij onszelf de genade, die ons deel kon zijn. Dan weren wij de kracht en de werking des Geestes van ons. Wij blussen de Geest uit en het zou eenmaal kunnen blijken, dat wij schade aan onze ziel hadden geleden. Maar daarentegen, wanneer wij die middelen eren en de kracht en de werking des Geestes aan onze harten daarin zoeken, dan zijn wij in de weg, waarin de Heilige Geest het licht en helder en klaar maken kan in ons hart, en waarin zijn goddelijke warmte ons kan koesteren.

Wij wezen daareven al op de heilige roeping de gaven van God, ons geschonken, op te wekken. Het is in dit verband misschien goed er melding van te maken, welk fraai beeld daar Paulus gebruikt. In de tweede brief aan Timotheüs (1:7) zegt hij: om welke oorzaak ik u indachtig maak, dat gij opwekt de gave Gods, die in u is, door de oplegging mijner handen. Die gave behoort Timotheüs op te wekken, eigenlijk aan te wakkeren. De gave wordt hier bij een vuur vergeleken, dat gevoed en aangeblazen moet worden, zal het niet verminderen en uitgaan. Hieruit mag men niet afleiden, dat Timotheüs ijver door moedeloosheid of onmachtigheid zou afgenomen zijn. Hoogstens heeft hem een innerlijke geremdheid aangekleefd, een beslagenheid van ziel, die telkens terughoudt van een blijmoedige ambtsvervulling. Paulus' vermaning berust op iets anders, namelijk op de wet der dingen dat elke gave in ons afneemt, zo wij ze niet opwekken.

Wat wordt er van een vuur, dat men aan zichzelf overlaat? Het gaat uit. Welnu, zo gaat het ook met de gave. Timotheüs mag dus niet lijdelijk zijn en traagheid voedsel geven en denken dat de gave het wel voor hem doen zal. Want de gave verlaat de luiaard, ook de vrome luiaard, die zich niet op zijn prediking voorbereidt en de profeet speelt, die door ingeving spreekt. Zij wordt ten laatste voor eeuwig van de trage dienstknecht weggenomen. Maar hoe moet Timotheüs zijn gave opwekken? Door gebed; door studie; niet het minst door zijn gave ijverig te gebruiken, omdat zij juist door oefening wordt versterkt. Hier geldt het woord: wie heeft, die zal gegeven worden. De middelen, waardoor het opwekken van de toevertrouwde gaven geschiedt, zijn voornamelijk drieërlei. Het gebed, wiens adem het vuur helderder doet branden. Het lezen van het Woord, waardoor de Geest tot ons spreekt en in ons wordt gewerkt. En tenslotte, de gemeenschap der heiligen, waardoor het individuele leven voor ziekelijke toestanden en afsterven wordt bewaard.

A. V. Brummelen

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 maart 1985

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

De Geest uitblussen (2)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 maart 1985

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's