Uit de pers
Overheid en ethiek
Wanneer we ethiek omschrijven als bezinning op het verantwoord handelen, zal het voor ieder duidelijk zijn, dat daar normen aan te pas komen. Of handelen verantwoord is, goed of slecht ten opzichte van medemensen of een samenleving kan alleen bepaald worden ten overstaan van een maatstaf. Christenen zoeken die maatstaf in het Woord van God. Nu kan men zeggen dat in een gemengde samenleving, zoals de Nederlandse, eeuwenlang de geboden van de Heere God, op allerlei wijze doorwerkten, ook daar waar men niet de God van Israël beleed. Maar wat 'men' deed of voorstond was mede gestempeld door de eeuwenoude traditie van Israël en de kerk. Dat is sterk aan het veranderen. We leven, zei een van de staatssecretarissen onlangs, in een post-christelijke samenleving. Professor Berkhof haakte in Trouw daar op in, door de vraag te stellen: Wat denkt de overheid daar nu bij? Betekent dat een neutrale staat? Een soort grootste-gemene-deler? Betekent dat een samenleving die alles tolereert? Is elke meningsuiting vrij? Kan een overheid hierin nog een normatieve weg wijzen? Of moet je zeggen: de overheid heeft geen ethiek meer?
Rumoer om P.C. Hooftprijs
Betrekkelijk kort na dit artikel werd de beslissing van minister Brinkman bekend om in strijd met het advies van de jury de Staatsprijs Letterkunde - de P.C. Hooftprijs 1984 - niet toe te kennen aan de auteur Hugo Brandt Corstius. De argumenten waarom dit niet gebeurd is, zijn bekend. En de lezer heeft misschien de discussies pro en contra in pers en andere media gevolgd. De discussie bewoog zich over de vraag of de overheid in haar beleid op het terrein van de cultuur ethische maatstaven mag en moet hanteren. Men heeft gesproken over de aantasting van de vrijheid van meningsuiting, gebrek aan verdraagzaamheid, persoonlijk gekrenkt zijn, enz. enz. In het Centraal Weekblad van 1 maart gaat prof. dr. W. F. de Gaay Fortman op enkele aspecten van deze zaak in. Hij wijst er op dat er geen sprake is van aantasting van de vrijheid van meningsuiting, maar dat het ging om het al of niet toekennen van een staatsprijs. Hij schrijft:
'Het is een merkwaardige samenloop van omstandigheden, dat kort voor de beslissing van de minister professor Berkhof in Trouw schreef, waarin hij aantoonde, dat de scheiding van kerk en staat, voortvloeiende uit de Grondwet van 1848, in onze dagen in de richting gaat van een handelen van de overheid, waaraan de ethische norm ontbreekt. De staat dreigt "pragmatisch nihilistisch" te worden. De scheiding van kerk en staat verwordt tot een scheiding van staat en ethiek.
Ik ben het eens met Berkhof. Aan de handhaving van de grondrechten hier en elders kent men in onze tijd gelukkig grote waarde toe. De grondrechten worden gedragen door een centrale gedachte: Bescherming van de menselijke persoonlijkheid, omdat ieder mens een wezen is van onschatbare waarde. Die grondgedachte brengt mee, dat de overheid daar waar zij geroepen wordt tot handelen, mede de integriteit van de menselijke persoonlijkheid moet handhaven en die op geen terrein van haar werkzaamheid kan nalaten.
Daarom behoort van overheidswege het als een systeem aantasten van de menselijke waardigheid van de humaniteit niet beloond te worden.'
In het Hervormd Weekblad wijst G. de Klerk er op dat de minister ten opzichte van de jury een eigen verantwoordelijkheid behoudt. Binnen de conceptie van de neutrale staat is z.i. deze weloverwogen beslissing van Brinkman genomen. Er zijn grenzen aan de schending van de menselijke waardigheid.
'Minister Brinkman of liever gezegd het kabinet verdient onze sympathie voor de beslissing de P.C. Hooftprijs aan Hugo Brandt Corstius te weigeren. Zij hebben blijkgegeven te beseffen dat er grenzen zijn aan de aantasting van menselijke waarden. Ook als dat traditionele waarden betreft. De overheid wordt daarmee nog niet tot de dienaresse Gods volgens de norm die de belijdenis daaraan geeft. Maar binnen de conceptie van de neutrale staat heeft zij een goede beslissing genomen. Een beslissing waarin de christelijke waarden en normen van onze cultuur doorwerken en ook nog herkenbaar zijn. Maar moet de regering dan een oordeel over de kunst hebben? Thorbecke is in deze dagen een veel geciteerd man. Hij stelde: De kunst is geen regeringszaak. In veel delen van de wereld zijn de negatieve aspecten van regeringssystemen, die zich met kunstuitingen bemoeien, waarneembaar. De Sowjetunie is daarvan het bekendste voorbeeld.
De jury van de P.C. Hooftprijs was met de neutrale positie van de overheid ook niet tevreden. Zij heeft daarvan blijkgegeven met de provocerende en kwetsende zin in haar rapport dat diende om de voordracht van haar kandidaat te motiveren: "Tenslotte acht de jury het geen toeval dat de P.C. Hooftprijs aan Brandt Corstius wordt toegekend in het jaar dat de paus Nederland bezoekt."
Tegenover de vele en lage aanvallen van deze schrijver op het rooms-katholieke volksdeel en rooms-katholieke landgenoten (en in hen op alle christenen) een onthullende zin. Kennelijk kan en wil de jury inhoud en vorm in de letterkunde toch ook niet scheiden. Al haar misbaar over de weigering van de prijs - die toch als een pluim van de regering moet worden gezien - is hiermee tot een zeepbel geworden.
Ten diepste zitten overheid en jury op één lijn. In een levende cultuur zijn inhoud en vorm van kunstuitingen niet van elkaar los te maken. Daarmee is impliciet gegeven dat, ook bij de beoordeling van letterkundig werk, de inhoud volop in de argumentatie moet worden betrokken.
Dat de overheid hierin - zo nodig tegen de voordracht van de deskundige jury in - een beslissing neemt, waarin respect vóór en bescherming van medemensen worden gehonoreerd, is een goede zaak. Voor het nemen van die verantwoordelijkheid verdient zij ons respect.
De kwetsende spot van een bekwaam stylist is misschien uiting van een artistieke vrijheid die we in ons land noodgedwongen, behoudens beroep op de rechter, moeten accepteren. Maar deze spot, samen met de schone letteren waarin zij zou zijn vervat, honoreren met een staatsprijs, maakt de overheid tot instrument van de duivel.
Ook de afgeleide zaken van een door christendom en humanisme gevormde cultuur zijn bescherming van de overheid waard. Dat de Nederlandse regering in dit geval hiervoor een open oog bleek te hebben heeft tot een standpunt geleid dat waard is om in alle politiek tumult overheid te blijven.'
Vragen
Wie de discussie op zich laat inwerken, ontdekt een aantal vragen dat doordenking en bezinning vraagt, hier als een kluwen met elkaar verbonden is. Daar is het vraagstuk van de vrijheid van het individu en de ander. Mag ik me beroepen op vrijheid van meningsuiting en intussen anderen kwetsen? Hoever gaat dan die vrijheid? Het is merkwaardig hoe selectief op dit punt de verontwaardiging is. Hele groepen mensen, die het de gewoonste zaak van de wereld vinden als een literator bij voorbeeld het r.-k. volksdeel aanvalt of regeringsfunctionarissen op voor ons gevoel beledigende wijze betitelt, en deze literator beschermen met de roep van de 'vrije meningsuiting', schreeuwen moord en brand als het gaat om aanvallen op Surinamers, islamieten, zigeuners enz. Om misverstand te voorkomen: ook ik behoor tot diegenen die discriminatie in de vorm van kwalijke opmerkingen enz. over deze bevolkingsgroepen, scherp afwijs. Maar ik signaleer dat zo gemakkelijk met twee maten gemeten wordt.
Daar is voorts het vraagstuk van de tolerantie. Wanneer is deze werkelijk veilig? Kan men iemand die bij voorbeeld een minister betitelt als een 'ontstellende slijmjurk' of een minister gelijkstelt met de nazi-beul Eichmann, nog tolerant noemen? Is het dan niet merkwaardig dat zijn beschermers in naam van de tolerantie hem de hand boven het hoofd houden?
Van Ruler heeft jaren geleden eens een diepgravend opstel geschreven over theocratie en tolerantie, waarin hij er op wees dat de verdraagzaamheid van de staat zich beweegt binnen bijzonder enge grenzen en dat juist in een neutraal staatsverband de tolerantie bedreigd wordt. Ook hij sprak over een geestelijk vacuüm, evenals met andere woorden Berkhof in het eerder aangehaalde artikel. De grondslag voor de verdraagzaamheid ligt z.i. in de theocratie. De door de mensen in gehoorzaamheid gerealiseerde regering van de ware God levert volgens Van Ruler in een wereld van waan en moedwil nog het maximum aan tolerantie op. Ik kan u de lezing van dit opstel van harte aanbevelen, ook al blijf je zitten met de kolossale vraag of de ontkerstening van ons land het spreken over theocratie niet welhaast onmogelijk maakt, althans er de moed toe ontneemt.
Maar we kunnen ook niet vluchten in de neutraliteit. De discussies van de afgelopen weken laten zien dat neutraliteit niet bestaat. Ook een overheid anno 1985 maakt keuzes. Des temeer reden de vraag te stellen naar het geestelijk fundament van de overheid. Velen zien haar inderdaad als uitvoerster van de volkswil. Zou er juist vanuit de kerk niet op gewezen moeten worden dat het Evangelie nog op een andere manier over de overheid spreekt: dienares van God. En dat betrof ook toen bepaald geen christelijke overheid.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 maart 1985
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 maart 1985
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's