Medemenselijkheid
'Ziet, de Mens' (Joh. 19 : 5)
Pas zat ik met een groepje dienstplichtige militairen te praten. Ze hadden vier maanden als peloton met elkaar opgetrokken. Voor ze overgeplaatst werden kwamen ze samen nog een keer naar de Geestelijke Verzorging: 'Jullie hebben nu vier maanden bij elkaar gezeten' - begon ik. 'Heb je nu ook het gevoel dat je elkaar een beetje hebt leren kennen?' Er kwamen allerlei verhalen los. Dingen die ze met elkaar meegemaakt hadden. Verrassingen - dat mensen toch heel anders konden wezen dan je gedacht had. Het viel me op dat er één was die niet meepraatte. Toen ik hem dezelfde vraag stelde begonnen ze te lachen: 'Dat is onze Fries. De stijfkop. Die zegt niks. De laatste tijd wordt hij nog agressief ook!' Stilte... Toen begon de jongen te praten - voor het eerst na vier maanden: 'Ik kom uit Friesland. Ik kan niet goed Nederlands praten. Dan lachen ze me uit. Ik heb me helemaal alleen gevoeld. De laatste weken kon ik er niet meer tegenop. Ik werd agressief. Ze hadden altijd om hem gelachen als die rare Fries. Nu hadden ze een mens ontdekt. Een mens die ze vier maanden een verschrikkelijke tijd bezorgd hadden. Ja - om een mens te zien - daar moeten je ogen voor open gaan.
Daarmee komen we op het spoor van de tekstwoorden die ik boven de meditatie uitgeschreven heb. Het gebeurt - denk ik - niet vaak dat een opmerking van een rechter zoveel bekendheid krijgt als deze woorden van Pilatus: 'Ziet, de Mens!' Meestal belanden uitspraken van rechters in de archieven van justitie. De rechtszaken die in de krant verslagen worden zijn over het algemeen gauw vergeten. Alleen bij de betrokkenen blijven ze in de herinnering leven. De woorden die de Romeinse stadhouder Pilatus heeft uitgesproken in het proces tegen Jezus - bijna 2000 jaar geleden in Jeruzalem - die woorden zijn nog niet verdwenen. Ze zijn levend gebleven tot in deze tijd toe. Het proces dat toen in Jeruzalem gevoerd is laat zich niet begraven in de archieven. De woorden die bij dat proces uitgesproken zijn blijven leven. Daar zit iets van een geheim in - het geheim dat God zelf die woorden levend houdt.
Pilatus zat in een lastig parket toen hij deze Woorden uitsprak. Ineens raakte hij betrokken bij een godsdienstige kwestie van de Joden. Daar probeerden de Romeinen zich meestal buiten te houden. Ik denk dat Pilatus niet veel van de godsdienstige kwesties onder de Joden begrepen heeft. Een Romein zag in de Joden niet meer dan een merkwaardig volk dat heilige boeken had waar ze voortdurend ruzie over maakten. Een stadhouder bemoeide zich daar liever niet mee. Als de orde maar gehandhaafd bleef - dan was Pilatus tevreden.
Deze keer komt hij er niet onderuit. Ze brengen Jezus bij hem. Voor Pilatus was dat niet meer dan 'een zekere Jezus'. De beschuldigen Hem van allerlei misdaden. Ze eisen dat Pilatus de doodstraf uitspreekt. Pilatus komt snel tot de conclusie: 'Ik vind geen schuld in Hem' (18 : 38). Maar de godsdienstige razernij heeft toegeslagen en - aangevuurd door hun leiders - blijven de Joden in Jeruzalem Jezus beschuldigen. Dan zien we Pilatus iets merkwaardigs doen. Hij laat Jezus geselen en brengt Hem dan naar buiten: 'Ziet, ik breng Hem tot u uit, opdat gij weet dat ik geen schuld in Hem vind' (19 : 4). Als Jezus daar staat - bebloed - een krans van stekelige takken op het hoofd gedrukt - een rode mantel omgehangen - dan zegt Pilatus: 'Ziet, de Mens!'
Deze woorden zijn een vonkje dat oplicht in de duisternis. De gang van het proces was tot nog toe bepaald door het eigenbelang van Pilatus en de godsdienstige razernij. En dan ineens die woorden: 'Ziet, de Mens!' Een vonkje van menselijkheid - medemenselijkheid. Jezus is een Mens - een medemens. Die kun je niet zomaar ter dood brengen. Pilatus hoopt dat dat vonkje van medemenselijkheid ook bij de Joden gaat gloeien. Hij hoopt dat hun ogen open gaan. Dat ze in Jezus een medemens zien: 'Ziet, de Mens!'
Een vonkje medemenselijkheid. Daar moeten we niet onze schouders over ophalen. Als kerkmensen zeggen we gauw: 'Dat is toch maar humanisme!' Maar wat zou er gebeuren als de werkloze - de zieke - de bejaarde - de hongerende - de verdrukte mens niet meer als medemens gezien werd? 'Ziet, de Mens!' - wordt ons van allerlei kanten toegeroepen - ook van buiten de Kerk. Dat moeten we niet afdoen als 'maar humanisme'. Nee - het is God Zelf die grenzen stelt aan het kwade. 'De mens heeft niet opgehouden een mens te zijn' - zeiden de oude godgeleerden (Dordtse Leerregels III, IV, artikel 16). Daar is het woord 'medemenselijkheid' een teken van. Dat woord is een uitvinding van deze tijd. En toch - het is niet meer dan een vonkje. Onze tijd wordt ook het 'ik-tijdperk' genoemd. De tijd dat iedereen alleen aan zichzelf - aan zijn eigen ik - denkt. Of - om het even met een woord van deze tijd te zeggen - zijn 'eigen hachje'.
Dat zien we bij Pilatus ook. De Joden dreigen: 'Indien gij Deze loslaat zijtgij de vriend van de keizer niet meer!' (19 : 12). Hij ziet zijn carrière gevaar lopen. 'Ziet, de Mens' - had Pilatus gezegd. Maar toen het erop aan kwam zag Pilatus die Mens niet meer. Hij zag alleen zijn eigen positie. Als het eigen ik niet breekt is het vonkje medemenselijkheid snel uitgedoofd. Nee - om een mens te zien - daar moeten je ogen voor open gaan.
Pilatus was een Romein - de God van Israël kende hij niet. Je zou tenminste van de Joden anders verwachten. Die hadden het gebod van de levende God gehoord: 'Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf; Ik ben de Heere!' (Lev. 19 : 18). Maar bij de Joden blijkt zelfs dat vonkje medemenselijkheid niet te gloeien. Je hoort alleen gekrijs: 'Kruis Hem!' (19 : 6). Hier zie je iets waar je stil van kunt worden. Je ziet hier hoe de godsdienst van een mens een onmens kan maken. En dat met de wet van God in de hand: Wij hebben een wet, en volgens onze wet moet Hij sterven'... (19 : 7). Dat is onmenselijkheid met Gods wet in de hand...
Als we dat zien moeten we niet met de vingers naar de Joden wijzen. Dan zijn we op dezelfde weg. Dan wijzen we naar een ander. Volgens onze wet moet die sterven - en die - en die... Dat is de godsdienst die van mensen onmensen maakt... Wij hebben een wet... Nee - die wet is Gods wet: 'Ik ben de Heere!' Als dat tot je doordringt - dan slaat de schrik je in de botten. Dan zie je dat je mens bent en niets meer dan dat. Je ziet dat je zondaar bent en niets beter dan dat. Dan wijs je niet met je vinger naar Pilatus - of de Joden - of... Je wijst met je vinger naar jezef - een mens - een zondaar. En je leert zwijgen. De hand op de mond... Dan ga je ook méér horen in het woord van Pilatus dan een vonkje medemenselijkheid. Je gaat in die woorden iets van het Evangelie horen van Hem die de mensen gelijk geworden is (Filipp. 2 : 7). Dat hoop ik uit te werken in een volgende meditatie.
Lexmond
J. van Eek jr., legerpredikant te Ede
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 maart 1985
De Waarheidsvriend | 18 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 maart 1985
De Waarheidsvriend | 18 Pagina's