De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Maar ook een vast vertrouwen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Maar ook een vast vertrouwen

8 minuten leestijd

Belijden is doen. Zo wordt het vandaag nog al eens gezegd. Dus niet: belijdenis doen, maar belijden is doen. Met de nadruk op doen. Als ook in 1985 op Palmzondag weer een groot aantal (gelukkig vaak ook jonge) mensen openbare belijdenis van hun geloof afleggen, moet er dan niet van hen verwacht worden, dat zij een daad-christen willen zijn? Wat haalt het uit, als men honderd keer zegt: 'Jezus, Uw verzoenend sterven is het rustpunt van mijn hart', terwijl men in de praktijk van het dagelijkse leven het er niet naar maakt, zich het lot van armen en verdrukten niet aantrekt, de wereld laat voor wat zij is...?

Er valt tegenwoordig in de kerk erg veel nadruk op het doen. 'Niet de leer, maar de Heer', zei men vroeger. 'Niet de leer, maar het leven', zegt men vandaag.

Belijden is doen

Nu is het natuurlijk best goed, dat mensen, die belijdenis van hun geloof gaan afleggen, beseffen, dat het met een simpel ja-woord niet is gedaan. Er is zoiets als een historisch geloof. Een beamen van wat de Bijbel zegt en van wat ons in de kerk is geleerd. Terwijl we er niet heet of koud van zijn geworden. Er zijn geen vruchten, geloof en bekering waardig. En soms wordt dat nog goedgepraat ook. Belijdenis doen is dan een soort afleggen van een examen. Je hebt je zoveel kennis verworven, dat de kerk je wil inschrijven in het lidmatenboek en -register. Daarmee klaar. Het ware geloof is een andere zaak. Dat krijg je langs een heel andere weg.

Het is goed, dat mensen, die belijdenis van hun geloof afleggen van deze redenering bewust afstand hebben leren doen. Geloven en belijden zijn zaken, die wel degelijk te maken hebben met ons doen en laten. Leer en leven zijn niet los te maken van elkaar. Het geloof is iets, dat een mens vernieuwt. Want als God door Zijn Woord en Geest in ons hart gaat werken, komt alles op zijn kop te staan, worden wij ontdekt aan de goddeloosheid van ons zogenaamd vrome bestaan, wordt de gerechtigheid van Christus Jezus onze enige toevlucht en worden we levenslang en daadwerkelijk verbonden aan de dienst van onze Koning. Hij vraagt van ons, dat we Hem niet alleen zullen toebehoren, maar Hem ook zullen dienen. Stellig ook in de zorg voor armen en verdrukten. Een christen moet zich het lot van de wereld aantrekken. Anders kan hij geen christen zijn.

Jezus heeft dat treffend onder woorden gebracht in de gelijkenis van de twee huizenbouwers (Matt. 7 : 24vv). Die wijze huizenbouwer is hij, die een goed fundament onder zijn levenshuis heeft. En dat goede fundament heeft men, als men de woorden van Christus niet slechts hoort, maar ook doet. Horen en doen ineen. Zo horen, dat woorden daden worden. Zo horen, dat men in heel zijn bestaan, van binnenuit en tot in zijn vingertoppen toe, erdoor in beslag wordt genomen. Zo horen, dat men er een ander mens van wordt. Zoals dat met Ruth het geval was. Zij had de schepen achter zich verbrand. Zij was met alles wat zij had aan Naomi, aan Naomi's volk en aan Naomi's God verbonden geraakt. In leven en sterven (Ruth 1 : 16v). 'Uw volk - mijn volk. Uw God - mijn God.'

Belijden is doen. Ik heb ooit eens een belijdeniskatechisant bij me gehad, die me kwam vragen, of de kerk ook wat voor hem te doen had. 'Want', zei hij, 'ik zou zo graag de tijd en de krachten, die God mij geeft, in Zijn dienst willen gebruiken'. Ja zeker. Want wat is er in de kerk en in het Koninkrijk van God al niet te doen? Wij kunnen toch niet menen, dat het niet erg is, dat zovelen in de wereld rondom ons hun eigen graf graven door te leven zonder God en zonder hoop. Wij kunnen toch weten, dat de gezegenden des Vaders op de grote oordeelsdag er door Christus op nagekeken zullen worden, of zij Hem gediend hebben in de minste van Zijn broeders, in de hongerigen, de dorstigen, de vreemdelingen, de naakten, de zieken, de gevangenen.

Geen doe-godsdienst

Belijden is doen.

Tot nu toe heb ik het dus opgenomen voor wat men zou kunnen noemen het daadchristendom. Toch zou ik tegelijk ook willen wijzen op een gevaar. Als men die twee woorden belijdenis-doen zo uit elkaar trekt en een is-gelijk teken plaats tussen belijden en doen, maakt men vrijwel altijd een oneigenlijke en valse tegenstelling. Niet de leer, maar het leven. Niet dat consumptieve christendom, dat voor eigen ziel en zaligheid zorgt. Maar een daadchristendom, dat het waar maakt. Geen woorden, maar daden.

Nu, dat is een volstrekt oneigenlijke tegenstelling. In de Bijbel zijn woord en daad één. In het ware geloof zijn belijden en doen ook één. Maar dat betekent dan omgekeerd ook, dat men de dingen niet uit het lood moet trekken, door eenzijdig alle nadruk te laten vallen op het doen.

De Naam des Heeren belijden op Palmzondag in het midden der gemeente. Mag dat niet betekenen, dat ik daar sta in een 'vast vertrouwen, dat de Heilige Geest door het Evangelie in mijn hart werkt, dat niet alleen anderen, maar ook mij vergeving der zonden, eeuwige gerechtigheid en zaligheid van God geschonken is, uit louter genade, alleen om der verdienste van Christus' wil' (Heid. Cat., zondag 7).

Is en blijft dat niet de hartslag van geloof en belijden? Wat baat mij mijn doe-godsdienst, als ik niet constant in heel mijn doen en laten mij laat veroordelen door de hoge God? 'Ik ben vleselijk, verkocht onder de zonde' (Rom. 7 : 14). Wat baat mij mijn doe-godsdienst, als ik niet constant op de puinhopen van mijn leven in Jezus' verzoenend sterven het rustpunt van mijn hart mag vinden? Wat baat mij mijn doe-godsdienst, als ik in een gruwelijke zelfoverschatting en in kwalijk activisme er in de wereld op uittrek alsof de redding van de wereld van mij afhangt en alsof ik Gods zaak op aarde overeind moet houden?

Een machteloze God?

Onlangs hoorde ik een collega voor de radio mediteren over Psalm 44. Hij begon met te zeggen, dat het geloof iets is, dat aan een mensenhart rust geeft. Maar wat hij daarna zei was de eigenlijke bedoeling van zijn verhaal. Hij zei: 'Maar met het geloof kom je ook in de grootste problemen. Je begrijpt God soms helemaal niet meer. Net als in Ps. 44. 'En moet een mens dat dan altijd maar nemen en blijven zeggen: 'En toch en toch ben ik gerust in God?' Of zou je God niet ook gerust eens mogen uitdagen, zeggen, dat Hij anders moet optreden?

Toen ik dat verhaal voor de radio gehoord had, kreeg ik een triest gevoel. Eigenlijk maakte ik me ook een beetje boos. Moet dat nu zo, dacht ik. Moeten geestelijke leidslieden van ons volk de mensen opstand tegen God aanpraten? Alsof er dat nog niet genoeg in de wereld is. Alsof geloven zowat hetzelfde is als: je vuist ballen tegen God en dat je, als je afreageren wilt, desnoods de porceleinkast in elkaar slaat om te laten merken, dat je het goed oneens bent met die God. Laat Hij eindelijk maar eens wat doen aan al die ellende in de wereld. En zo niet, dat mag Hij er nog wel wezen, maar voortaan heet Hij onder ons dan wel een machteloze God.

Ik noem zoiets een slecht verhaal. Een verhaal, dat trouwens ook helemaal niet klopt met de diepste gevoelens van de dichter van Psalm 44. En ik meen, dat zo'n verhaal vooral daar vandaan komt, dat wij moderne mensen met onze doe-godsdienst het zo langzamerhand te goed weten, hoe het moet. En dat wij er weinig meer van verstaan, dat de oordelen van God over de wereld gaan. En dat wij niet meer weten van boetvaardigheden. En dat wij het daarom ook niet meer verstaan wat het is om onder de hoge God te buigen en zo in verwondering en aanbidding uit te roepen, wat de dichter van Ps. 44 uitroept: Ons hart is niet achterwaarts geweken, noch onze gang geweken van Uw pad. Hoewel Gij ons verpletterd hebt in een plaats der draken en ons met een doodsschaduw bedekt hebt. Zo wij de Naam onzes Gods hadden vergeten en onze handen tot een vreemde god uitgebreid, zou God zulks niet onderzoeken? Want Hij weet de verborgenheid des harten' (Ps. 44 : 19-22).

De God van mijn betrouwen

Nee, geen machteloze God, Die het ook niet helpen kan, dat er zoveel wordt geleden in de wereld. Nee, geen gebalde vuist. Geen opstand. Dat dit soort dingen voorkomen in het leven van die God vrezen, is een andere zaak. En dat mensen, die op Palmzondag Gods Naam belijden in het midden der gemeente, later wel met de grootste vragen en twijfels komen te zitten, dat behoeven we ook niet voor elkaar te verbergen. Maar juist dan is het zo'n geweldige troost, als wij met onze gedachten teruggeleid mogen worden naar het uur, waarin het rotsvast in onze ziel lag en wij het niet laten konden uit te roepen: 'Want deze God is onze God'.

Want belijden is niet heel eenzijdig en uitsluitend: doen. Het rechte doen, ook in mijn hoogste aanvechtingen, ligt verankerd in de belijdenis, dat mijn God de 'God van mijn betrouwen' wil wezen.

Ja, 'een vast vertrouwen, dat ook mij uit louter genade vergeving der zonden, eeuwige gerechtigheid en zaligheid van God geschonken is'.

Zoals bij keizer Wilhelm I van Duitsland, die op zijn sterfbed (9 maart 1888) zei: 'De Heere heeft mij met Zijn Naam geholpen'.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 maart 1985

De Waarheidsvriend | 18 Pagina's

Maar ook een vast vertrouwen

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 maart 1985

De Waarheidsvriend | 18 Pagina's