Uit de pers
De nood van de Joden in Syrië
Over het lot van de Joden in Rusland is de laatste jaren veel gepucliceerd. Hun problemen met het regiem zijn nogal bekend in het Westen. Veel minder horen we over het lot van de kleine joodse gemeenschap in Syrië, een van die landen in het Midden-Oosten die fel gekant zijn tegen Israël. Er leven ongeveer 4500 Joden in Syrië. Ze zijn opgesloten in ghetto's en leiden een kommervol bestaan. De meest fundamentele mensenrechten zijn hen ontzegd. In november van het vorig jaar is er aan deze situatie een bijeenkomst gewijd in Parijs. Simon Griver schrijft daarover in het maandblad Israël (febr. '85):
'De Parijse conferentie, waaraan ruim 300 mensen uit de hele wereld hebben deelgenomen, was georganiseerd door de Wereld Federatie van Sephardische Joden, het American Jewish Congress en de afdeling voor de Sephardische gemeenschappen van de Wereld Zionisten Organisatie. David Avayou, hoofd van de laatstgenoemde afdeling, schetste een somber beeld van de situatie in Syrië. "In de Sowjet Unie", zo betoogde hij, "worden Joden, die zich niet met Israël indentificeren, tenminste met rust gelaten. In Syrië is dat niet het geval. Het is niet overdreven om te zeggen, dat de Syrische Joden in moeilijker omstandigheden verkeren dan welke andere joodse gemeenschap ook. Zij leven als gijzelaars in een land, dat de Staat Israël als zijn doodsvijand beschouwt".
Avayou berichtte, dat Syrische Joden verplicht zijn persoonsbewijzen bij zich te dragen met het woord "Jood" erop gestempeld. Andere Syrische burgers hebben geen aanwijzing omtrent hun godsdienst op hun identiteitspapieren. Het systeem lijkt erg op het nazi-duitse systeem. Joden mogen niet alleen niet naar het buitenland reizen, zij mogen zelfs de stad van hun inwoning niet verlaten. Zij zijn verplicht in bepaalde wijken te wonen - ghetto's - waarbinnen speciale politiebureaus bestaan. Vanuit deze politiebureaus worden alle bewegingen binnen het ghetto via een televisie-monitor onafgebroken gecontroleerd. Zo af en toe wordt de hele joodse gemeenschap in de synagoge samengedreven om geteld te worden. Op scholen mag geen onderricht in Jodendom worden gegeven en Joden mogen geen onderwijzers worden. Joden zijn ook verbannen van alle universiteiten en hebben geen toegang tot alle handel, die met export of import te maken heeft. De meeste Joden zijn kleine middenstanders, winkeliers en kooplieden. Amnon Shamosh is schrijver en dichter. Hij behoort tot degenen, die indertijd uit Aleppo naar Israël zijn gegaan. Hij was ook in Parijs aanwezig. Ter conferentie las hij een door hem gemaakt gedicht voor, dat hij heeft opgedragen aan de 400 jonge joodse vrouwen in Syrië voor wie er geen man is. Shamosh legde uit waar het om gaat. In de loop der jaren hebben groepjes Syrische Joden gepoogd illegaal het land te verlaten. Dat is een moeilijke en gevaarlijke expeditie, die eigenlijk (mede gezien de hele instelling in het Midden-Oosten) alleen voor jonge mannen mogelijk is. Dientengevolge heeft de gemeenschap een overschot aan jonge vrouwen. Shamosh vond, dat het al een edelmoedig menselijk gebaar zou zijn, als President Assad deze 400 jonge vrouwen zou toestaan het land te verlaten.
Syrië behoort tot de landen met zeer oude joodse gemeenschappen. In Damascus en in Aleppo hebben zeker 3000 jaar lang onafgebroken Joden gewoond. Tussen 1945 en 1950 hebben de meeste Joden Syrië verlaten. Er wonen thans ruim 50.000 Joden van Syrische origine in Israël en nog eens duizenden van hen in de Verenigde Staten en in Zuid-Amerika. Van de weinigen, die na 1950 nog in het land woonden, kwamen er toch nog regelmatig aantallen het land uit, voornamelijk naar Israël. Daaraan kwam een einde, toen Assad in 1971 aan de macht kwam. De poorten werden hermetisch gesloten. Er wonen thans ongeveer 3.000 Joden in Damascus, 800 in Aleppo en nog wat kleinere groepen in steden als Homs en Hama.'
De bedoeling van de conferentie was de aandacht van de publieke opinie op de moeilijke situatie in Syrië te vestigen. Ook de Syrische regering heeft immers met de publieke opinie te rekenen. President Mitterand bracht ongeveer gelijk met het tijdstip van de conferentie een bezoek aan zijn collega Assad in Syrië. Hij heeft beloofd de kwestie van de Syrische Joden met hem te bespreken. Zullen deze mensen daardoor toch wat aan de vergetelheid ontrukt worden? Het comité dat zich inzet voor hun lot, zal ook in 1985 doorgaan met de wereldopinie te beïnvloeden. Dat is m.i. nodig. In een aantal gevallen krijgt men de indruk dat de publieke opinie zich eerder anti-Israël dan pro-Israël opstelt. Er is in deze kolommen al eerder over geschreven dat we bepaald niet blind behoeven te zijn voor fouten die Israël maakt in de politiek, voor ontwikkelingen die ons met zorg vervullen. Maar het blijft een trieste zaak dat allerlei bewegingen die druk in de wéér zijn onrecht en discriminatie te signaleren, zo gemakkelijk zwijgen als het gaat om het lot van de Joden. Ligt hier t.a.v. het lot van de Joden in Syrië ook niet een taak voor oecumenische organen op wereldniveau? De Kerken mogen immers gezien de band die hen bindt met Israël niet zwijgen.
***
Zwarte Joden naar huis
In het Centraal Weekblad van 15 maart richt dr. J. v. d. Linden de aandacht op de 'operatie Mozes' de actie om de Joden uit Ethiopië, de zgn. zwarte Joden, naar Israël te halen. De naam van deze actie herinnert aan de geschiedenis van het boek Exodus. Rondom deze zwarte Joden uit Ethiopië, die zichzelf 'Beta Israël', Huis van Israël noemen, hangt een mysterie. Lang is er gezocht naar hun oorsprong.
'Rabbijnen zagen in hen een overblijfsel van de stam Dan, ontkomen aan de wegvoering door de Assyriërs van het rijk der tien stammen.
Westerse geleerden dachten eerder aan bekeerlingen gemaakt door joodse kooplui, die vanuit Jemen doordrongen tot in de bergen boven het Tana-meer, waar later de oorsprong van de Blauwe Nijl zou worden gevonden.
De joodse traditie gaat nog verder terug en zoekt het in de legende van een verbintenis tussen Mozes en een Ethiopische vorstin. Met nog meer fantasie en kennis van het oosterse haremleven vermoedden anderen, dat koning Salomo ook bekoord is geweest door hofdames van de koningin van Sheba. De gevolgen laten zich raden.
Hoe dit ook zij, wij hebben hier te maken met een hechte gemeenschap, die kans zag zich eeuwenlang staande te houden in een christelijk Ethiopië, dat wel niet van anti-semitisme mag worden verdacht, maar toch ook de zwarte joden geen voorkeurbehandeling gunde. Eerder het tegendeel.
Maar dit Huis Israël heeft taai vastgehouden aan zijn joodse traditie. Zij bewezen onbewust daardoor hun eigen joodse identiteit. Maar in hun afgesloten bestaan wisten zij niets van verdere ontwikkelingen in het joodse volk elders in de wereld. De traditie van de rabbijnen bleef voor hun verborgen, van de Talmud hadden zij geen weet.
Zij hebben zich lang staande gehouden in een onafhankelijk rijkje. Maar in hun lot kwam een keer. In de zesde eeuw is er niets meer over van hun zelfstandigheid. In het Ethiopische rijk van die dagen werden zij een minoriteit en worden als zodanig behandeld. Land mogen zij niet meer bezitten. Een slavenvolkje zijn zij dan geworden en niets meer. Hun aantal slinkt van een kleine honderdduizend tot iets meer dan dertigduizend mensen.
Het Westen hoort pas weer iets over hen, als de ontdekker van de Blauwe Nijl, James Bruce, tot zijn verbazing hen ontmoet. Sindsdien heeft nooit iemand getwijfeld aan de trouw waarmee de zwarte joden hingen aan Jeruzalem en hun gehechtheid aan de torah. Het pascha was de grootste feestdag in hun verdrukking. Dan zagen zij uit naar het ingrijpen van de Eeuwige - zijn Naam zij geprezen - die ook hen eens thuis zou brengen na hun exodus.'
Israël heeft nu een grootscheepse actie op touw gezet om per vliegtuig deze bedreigde groep die in de woestijn van Ethiopië van honger dreigde te sterven, naar huis te halen. De reddingsactie werd in het geheim opgezet, om gevoeligheden in de arabische wereld te ontzien. Helaas heeft een onverantwoordelijke journalist dit geheim verbroken, met alle kwade gevolgenvan dien.
'U hebt de storm zien opsteken. Woedende reacties in Arabische landen, die in de operatie alleen maar een versterking van Israels volkskracht zagen, die zij vrezen. Woedende reacties ook van de huichelaar Mengistu, de dictator van Ethiopië, die eigen mensen liever ziet creperen dan dat één zwarte jood gered wordt van onder zijn zegenende handen. Hij schold deze reddingsoperatie als een "massale ontvoering". Voor het front van de wereld klaagt hij Israël aan, in plaats van blij te zijn dat de wereldvoedseltransporten onder minder monden in zijn rijk behoeven te worden verdeeld.
Hij zal wel de steun krijgen van de Arabische wereld, die ook al durft te spreken van "illegaal vervoer van Ethiopische burgers". Wij weten het zo langzamerhand: Als het tegen Israël gaat, is niets te dol. Dan worden de rechten van zwarte joden voor niets geacht. Men houdt dan liever een reddingsactie op, al kost dat dan ook het leven van eigen mensen.
Israels zorg voor eigen mensen
Israël heeft intussen de handen vol aan de zorg voor de geredden. Ondanks de zorgelijke afloop van de veldtocht in Libanon, ondanks de vliegende inflatie en de bijna hopeloze situatie van de schatkist, heeft Israël de hoogste prioriteit gegeven aan de redding van eigen mensen uit Ethiopië.
Wat hen dreef, heeft Israels premier Peres gezegd: "Wij zijn één volk. Er zijn geen zwarte joden, geen blanke joden. Wij zijn joden. Ons geloof en de geschiedenis bindt ons aaneen". Dat hadden rabbijnen allang gezegd. Rabbi David ben Zimra, de voornaamste rabbijn in Egypte in de zestiende eeuw, verklaarde toen al dat de zwarte joden uit Ethiopië bij Israël dienden te worden geteld. Later deed dat Azriel Hildesheimer in de negentiende eeuw. Peres bevestigde dit alles, toen hij op zijn laatste persconferentie tot de wereldpers zei: "Deze bewonderenswaardige stam heeft de vlag van het joodse geloof vastberaden door de eeuwen heen gedragen. Niets heeft hun joodse godsdienst, hun zionistische hoop kunnen vernietigen. Geen economische problemen, geen interne spanningen, geen geografische afstand, noch politieke obstakels zullen ons doen afzien van onze pogingen om ook de laatsten te redden". Aldus Peres.'
Israël staat voor de niet geringe opgave deze mensen op te vangen, te begeleiden, zodat ze zich ook echt thuis gaan voelen. Over en weer is aanpassing nodig. Velen zijn daar mee bezig. Het is niet eenvoudig om mensen die uit een zo totaal andere wereld komen als deze zwarte Joden, te laten gewennen aan het leven in een moderne staat. Maar het besef van verbondenheid samen Jood te zijn, geeft stimulansen om enthousiast met deze taak bezig te zijn. Het voortijdig uitlekken van de zaak heeft de actie doorkruist. Zorg is er dan ook om het lot van de achtergeblevenen. Maar de pogingen gaan door. Want de verstrooiden van Israël moeten verzameld worden. Van der Linden eindigt zijn artikel met de verwijzing naar Psalm 126, het gebed om de terugkeer van de verdrevenen. In die toonzetting ligt de diepste dimensie van deze zaak. Wij raken dan aan het geheim van Israël!
***
Journalistiek zonder vraagtekens
In de rubriek 'Uniek' in het Kerknieuws (hoofdred. N. Scheps) van 8 maart maakt drs. Scheps naar aanleiding van uitspraken van prof. Kamphuis over een persverslag uit 1943, de dagen van de strijd rondom de Vrijmaking, een aantal opmerkingen over journalistiek. Nu gaat het me niet om de zaak Schilder, veel meer om het commentaar van Scheps. Ik citeer uit zijn bijdrage het volgende:
'Prof. Kamphuis zat woensdag 15 december 1943 op de stampvolle publieke tribune van de Utrechtse Oosterkerk, waar de gereformeerde synode, zoals hij zelf opmerkt, één van haar meest bewogen zittingen hield. Schilders bekende brief van 13 december 1943 lag op haar tafel. De discussie die er werd gevoerd, is breed weergegeven in het Verslag van de zittingen van deze synode, dat in Kerknieuws verscheen en dat later nog afzonderlijk werd uitgegeven. Prof. Kamphuis wijst daarop in een noot. Hij voegt daaraan toe dat hij de gelegenheid graag te baat neemt om op het historisch belang van dit verslag te wijzen. Ik kan de verleiding niet weerstaan om hem dan letterlijk te citeren: "Op vele punten heb ik de betrouwbaarheid van het eerste verslag (er verscheen ook nog een verslag van de zittingen van de buitengewone synode van 1946, N.S.) kunnen controleren (er waren 'stamgasten' op de publieke tribune!) en nergens heb ik in de kantlijn een vraagteken hoeven te plaatsen, omdat ik aan de correctheid van het verslag zou twijfelen".
Laat ik eerlijk toegeven dat ik daarvan ook wel met enige trots kennis nam. Waarom zou ik niet erkennen dat het me goed deed deze lof over het werk van de eerste hoofdredacteur van Kerknieuws te lezen. Maar daarom schrijf ik er toch niet in de eerste plaats over. Het gaat mij vooral om de waarde van de correcte journalistiek van mijn vader. Het was een bewogen tijd en de mensen die betrokken waren bij wat er toen gebeurde, waren ook bewogen. De journalist, die het verslag maakte, was dat ook. Dat kan ik uit eigen ervaring verklaren.
Hij zat niet achter de perstafel in de Oosterkerk, omdat hij nu eenmaal zijn werk moest doen. Integendeel, de gebeurtenissen raakten hem heel sterk. Maar die bewogenheid mocht uit zijn verslag niet blijken. Hij zou het onverdraaglijk hebben gevonden, als zijn bewogenheid de correctheid van zijn werk in de weg had gestaan, als men vraagtekens bij zijn verslag had moeten plaatsen, omdat hij nu eenmaal bevooroordeeld zou zijn.
In een tijd waarin iedereen - ook een journalist - zo nodig geëngageerd moet zijn, wil ik nog eens herinneren aan deze onbewogen journalistiek in een bewogen tijd. We weten tegenwoordig van alle journalisten of ze links of rechts zijn, of ze voor of tegen iets zijn, of ze dit of dat willen. We verlangen dat te weten. We moeten dat weten. Voor de identiteit, waar iedereen tegenwoordig de mond vol van heeft. In 1943 kenden we dat woord nauwelijks. Maar we wisten wel wat correcte journalistiek was. Dat is journalistiek zonder vraagtekens.
Het klimaat voor die journalistiek wordt er niet beter op. Maar ze zal toch moeten blijven bestaan. Ik hoop dat er in de bewogen tijd van 1985 evenzeer plaats voorzal zijn als in de bewogen jaren 1943 en 1944, en dat er tot in de lengte van jaren journalisten zullen zijn die haar willen bedrijven. Vraagtekens zijn er vandaag genoeg, ook in de wereld van de media. Maar ik wil nog eens een lans breken voor een journalistiek zonder vraagtekens.'
Men kan natuurlijk de vraag stellen of objectieve verslaggeving helemaal mogelijk is. Ook de journalist is een mens met pro's en contra's. Hij is geen machine die registreert. Toch is dit pleidooi voor journalistiek zonder vraagtekens me uit het hart gegrepen. De laatste tijd zijn bepaalde bladen in het nieuws gekomen vanwege tendentieuze berichtgeving rondom de 'kwestie Amersfoort' in de Chr. Geref. Kerken. Prof. Van 't Spijker heeft zich er fel over uitgelaten, en ik dacht: niet ten onrechte. Het blijkt voor verslaggevers moeilijk te zijn om zakelijke weergave en eigen commentaar van elkaar te scheiden. Dan krijgt men vertekende beelden. 'Rechts' en 'links' maken zich daar op gezette tijden schuldig aan. Voorbeelden zouden niet zo moeilijk te geven zijn. Tot de ethiek van de journalistiek behoort in elk geval dat men de waarheid dient, d.w.z. correct en fair is in de weergave, zodat caricaturen voorkomen worden. Scheps wil voor journalistiek zonder vraagtekens een lans breken. Terecht. Moge zijn pleidooi gehoor vinden. Kerk, politiek en samenleving zullen daar wel bij varen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 maart 1985
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 maart 1985
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's