'Ik zei tot de rede: wees gij mijn kapitein'
Charles Haddon Spurgeon over zijn leven
Toen enkele jaren geleden voor de radio van de Engelse B.B.C, preken en overdenkingen van de befaamde ds. Charles Haddon Spurgeon werden voorgelezen, bleek er een ongedacht grote luisterdichtheid te zijn. De prins der predikers, die tijdens zijn leven (1834-1892) grote scharen mensen onder zijn gehoor had (vaak 5000 à 6000 mensen in de Metropolitan Tabernacle), is ook na zijn leven nog bij machte mensen aan te spreken. En het merkwaardige is: mensen van allerlei ontwikkeling, mensen ook van allerlei ligging.
Wat dit laatste betreft - die ligging - het valt mij telkens weer op, bij het doornemen van de vele kerkbladen, die wekelijks mijn brievenbus inglijden, dat predikanten uit heel verschillende kringen - van links tot rechts, van 'reformatorisch' tot 'evangelisch' - hun lezers of hun gemeenteleden met de regelmaat van de klok bemoedigen of vermanen met citaten van Spurgeon. Spurgeon weet ook in ons kerkelijk verdeelde landje vandaag nog een brede accolade te slaan, al hebben we recent in deze kolommen ook nog een uitspraak opgenomen van een bekend predikant uit het verleden die zei dat Spurgeon 'Gods volk' niets te bieden had.
Het geheim van het brede beslag dat Spurgeon had en heeft op de mensen ligt misschien wel - naast zijn welsprekendheid, zijn beminnelijkheid, zijn taalgebruik, dat altijd fris en nooit afgezaagd, traditioneel is - in het feit dat hij enerzijds puur calvinist was maar toch niet de ruimte van de kerk bij het calvinisme liet ophouden. Ik citeer hem letterlijk:
'Er is geen levende ziel, die, meer dan ik, vasthoudt aan de leerstellingen der genade; en zo iemand mij vraagt, of ik mij schaam een Calvinist genoemd te worden, dan antwoord ik: "Ik wens niet anders dan een Christen genoemd te worden". Maar vraagt gij mij, of ik de leerstellige beschouwingen deel van Calvijn, zo antwoord ik: "Over het algemeen deel ik die beschouwingen, en het is mij een blijdschap dit te belijden". Maar het zij verre van mij om ook maar een ogenblik te denken, dat Zion gene andere dan calvinistische christenen binnen hare muren bevat, of dat niemand dan zij, die onze beschouwingen zijn toe gedaan, verlost en behouden worden. Zeer afschuwelijke dingen zijn er gezegd betreffende het karakter en de geestelijken staat van John Wesley, het hoofd der Arminianen uit de lateren tijd. Ik kan van hem slechts zeggen, dat, terwijl ik vele van de leerstellingen, die hij predikte, verafschuw, ik voor de man zelven toch een eerbied koester, die bij geen van zijne volgelingen achterstaat; en indien er bij de twaalf apostelen nog twee apostelen bijgevoegd moesten worden, zo geloof ik niet, dat er twee mannen gevonden kunnen worden, die hiertoe meer geschikt zouden zijn dan George Whitefield en John Wesley. Om zijn zelfopoffering en ijver, zijn heilig leven en zijne gemeenschap met God is het karakter van John Wesley hoog verheven boven alle aantijging. Zijn leven was ingericht naar een veel hogere standaard dan die van de Christenen in het algemeen, en hij was iemand, "welken de wereld niet waardig was". Ik geloof, dat er zeer vele mensen zijn, die geen inzicht hebben in deze waarheden, of ze ten minste niet zien zoals wij ze voorstellen, maar die toch Christus als hun Zaligmaker hebben aangenomen, en aan het hart van de God der genade even dierbaar zijn als de beste Calvinist in of buiten de Hemel.'
Levensbeschrijving
Dit citaat ontleen ik aan het pas uitgegeven, vierdelige werk 'Het leven van Spurgeon', waarin Spurgeon zélf aan het woord is. Zijn dagboek, zijn aantekeningen, zijn briefwisselingen, zijn preekschetsen en vele andere dingen meer werden door zijn weduwe samengesteld tot een kloeke autobiografie, die later in het Nederlands vertaald werd door Elisabeth Freystadt en in de jaren 1900-1902 in Rotterdam werd uitgegeven. Thans is een herdruk van dit werk verschenen bij T. Wever te Franeker. In twee kloeke banden, van ongeveer 1200 pagina's samen, licht het bewogen, gezegende leven van Spurgeon, een leven dat door zoveel wederwaardigheden werd gekenmerkt, voor ons op.
Wie aan deze boeken begint en een geestelijke antenne bezit voor Spurgeons theologie en prediking voorspel ik wat de slaap betreft uurtjes van korte duurtjes.
Keukenmeid-theologie
Als ik bij Spurgeon het woord theologie gebruik dan vraagt dit toelichting. Enerzijds kende Spurgeon de reformatorische theologie en hij beminde haar. In een hoofdstuk 'Verdediging van het Calvinisme' lezen we:
'De oude waarheid, die Calvijn heeft gepredikt, die Augustinus heeft gepredikt, die Paulus heeft gepredikt, is de waarheid, die ik heden moet prediken, zo ik mijn geweten niet wil verkrachten en ontrouw worden aan mijn God. Ik kan de waarheid niet fatsoeneren; ik weet niets van een afslijpen van ruwe kanten ener leerstelling. Het Evangelie van John Knox is mijn Evangelie. Dat Evangelie, dat zijn donderstem in Schotland heeft doen horen, moet ook in Engeland wederom weerklinken.'
De geduchte James Wells (King James) schreef in 'The Earthers Vessel' over Spurgeon: 'het is dan in de eerste plaats duidelijk, dat hij van zijn kindsheid af een zeer naarstig en vurig lezer van boeken is geweest, inzonderheid van boeken over theologie; en dat hij aan de lectuur van deze ook gepaard heeft boeken over klassieke en andere wetenschappen, en zich aldus een kennis heeft eigen gemaakt, die hij ook nu, naar welgevallen, aan anderen kan mededelen'.
Welnu, Spurgeon zelf zegt dat hij reeds 'knaap onder boeken' was. In zijn jeugdjaren las hij de boeken der puriteinen en hij was 'nooit gelukkiger dan in hun gezelschap'. Hij voorzag toen overigens dat, als er vele jaren verlopen zouden zijn, 'menig trouw en kloekmoedig hart' door de hulp van God het puritanisme weer zou opheffen 'uit de algemene minachting, waarin het thans verzonken ligt' .
Iemand die zo gegraven heeft in de (rechte) theologie mag ook aansluiten bij een theologie uit de gemeente, wat iets anders is dan gemeen te theologie.
Spurgeon spreekt zo met achting over 'een oude keukenmeid' in de school te Newmarket, waar hij onderwijzer was. Hij schrijft: 'ik geloof waarlijk, dat ik meer van haar geleerd heb, dan ik van zes der hedendaagse doctoren in de theologie geleerd zou hebben. Er zijn sommige christenen, die de godsdienst in hun eigen ziel smaken en proeven en er een diepere kennis van bezitten dan zij ooit uit boeken kunnen halen, al zouden ze er ook al hun dagen in zoeken'. Maar deze keukenmeid van Newcastle hield wel van 'iets goeds, een krachtige calvinistische leer'. Spurgeon zegt dat hij menigmaal met haar sprak over 'het verbond der genade, de persoonlijke uitverkiezing der heiligen, hun vereniging met Christus, hun volharding tot het einde en over hetgeen de levende godsvrucht betekent'.
Intussen merkt Spurgeon nog fijntjes over haar op dat als ze zich onder een preek bevond, waarmee ze het geheel en al niet eens was, ze dan telkens voor zichzelf aan wat de prediker zei het woordje 'niet' toevoegde zodat het werkelijk nog een 'evangelische preek' werd.
Tenslotte zegt Spurgeon 'het was de keukenmeid die me de theologie leerde'.
De rede als kapitein
Uit Spurgeons levensbeschrijving haal ik nog één bepaalde episode naar voren. Hij zegt dat hij slechts één enkele maal absoluut ongelovig is geweest en niet vóórdat hij de behoefte kende aan de Zaligmaker maar daarna. De gedachte beving hem dat er geen God was, geen Christus, geen hemel en geen hel en dat alle gebeden slechts 'komediespel' waren. 'Ik lag niet langer gemeerd bij de kust der openbaring. Ik zei tot de rede: wees gij mijn kapitein; ik zei tot mijn eigen brein: wees gij mijn scheepsroer.''
Hij ging heenzeilen over 'de stormachtige zee der vrije gedachte'. Aan alles twijfelde hij, tot het geloof hem terugvoerde en riep 'weg, weg van hier. Ik wierp mijn anker uit op Golgotha'.
Sindsdien echter acht hij de tegenwerpingen van de atheïsten 'beuzelingen'. Hij acht het overigens een zegen door die zware strijd te zijn heengegaan en zegt dat hij sindsdien in zijn strijd tegen eigen ongeloof tien maal méér moeite heeft gehad dan in zijn strijd tegen het atheïsme.
Hoe actueel is één en ander in onze tijd. Wetenschappelijk denken heeft een sterk stempel gezet, ook op de kerk. Hoe gaat alles wat we ook in de verkondiging horen vaak niet door wetenschappelijke filters heen. De één heeft zijn natuurwetenschappelijke overwegingen en remmingen, de ander is nog slechts afgestemd op literair fraaie vormen, een derde is door de Schriftkritiek heengegaan. Alles bij elkaar voldoende om mensen te remmen in het horen, maar ook om predikanten te remmen in hun spreken. Totdat het zelfs in een officiële theologie stolt tot ideeën, die de levende relatie met de gemeente missen.
Spurgeon wist van de aanvechting. Maar hij heeft die verre van zich geworpen. En daarom was zijn prediking voluit verkondiging. Hij zegt: 'iemand die wezenlijk de ingeving des Heiligen Geestes heeft, waardoor hij tot prediken wordt geroepen, kan niet anders - hij moet preken'. Wanneer zo'n prediker de accoorden van het Evangelie aanslaat gaan met zijn boodschap de snaren meetrillen in het hart van hen, die door de Geest zijn aangeraakt en het Woord Gods in hun hart bewaren.
De Naam van Jezus
Spurgeon was prediker van vrije genade. Dat betekende voor hem intussen voluit Christusprediking en een ruime aanbieding van het heil in Hem. 'Worden als een kind' is voor hem daarbij van grote betekenis. De opvoeding der kinderen weegt hem dan ook zwaar. 'Kinderen kunnen in waarheid in het vroege tijdperk van hun leven sommige dingen verstaan, die wij nauwelijks in ons later leven verstaan. Kinderen hebben bij uitnemendheid de eenvoudigheid des geloofs en eenvoudigheid des geloofs is nauw verwant aan de hoogste kennis, ja ik weet zelfs niet of er veel onderscheid is tussen eenvoudigheid van een kind en het genie van de diepzinnigste geest'.
Het kinderlijk geloof stond voor hem tegenover 'de rede als kapitein', tegenover puur verstandelijk denken, dat hij overigens ook tegenkwam in louter leerstelligheid, die hij bij wat hij noemde het 'hypercalvinisme' ontwaarde, waarin het leven ontbrak, omdat alles werd doodgedrukt in de ijzeren kaders van de leer. Als hij met hen over het gebed van 'n onbekeerde handelt zegt hij dat hun vraag 'hoe kan iemand, die dood is bidden?' niet in de Bijbel voorkomt maar wel 'die het vee zijn voeder geeft, aan de jonge raven als zij roepen'. Hier volgt een letterlijk citaat over zijn moeite met de hypercalvinisten, die hij overigens zijn broederen noemt.
'Ik denk niet, dat ik van mijn hyper-calvinistische broederen verschil in hetgeen ik geloof, maar wèl in hetgeen zij niet geloven. Ik geloof niet minder dan zij, maar ik geloof iets meer, en, naar ik meen, iets meer van de waarheid, die in de Schrift is geopenbaard. Er zijn niet slechts enige hoofdleerstellingen, waarnaar wij ons schip naar het Noorden of Zuiden, het Oosten of Westen kunnen sturen; maar als wij het Woord bestuderen, zullen wij ook iets beginnen te léren over het Noord-Westen en Noord-Oosten en over al het andere, dat tussen de vier punten van het kompas ligt. Het stelsel der waarheid, dat in de Schrift is geopenbaard, is niet maar één eenvoudige rechte lijn, maar er zijn er twee; en niemand zal ooit een juiste beschouwing hebben van het Evangelie, zolang hij net beide lijnen te gelijk in het oog kan vatten. Ik lees bijv. in één boek van de Bijbel: "De Geest en de bruid zeggen: "Kom! En die het hoort, zegge: Kom. En die dorst heeft, kome; en die wil, neme het water des levens om niet". Maar in een ander deel van hetzelfde door de Heiligen Geest ingegeven Woord wordt mij geleerd, dat het "niet is desgenen, die wil, noch desgenen, die loopt, maar des ontfermenden Gods". Aan één plaats zie ik, hoe God in Zijne voorzienigheid alles bestuurt; en toch zie ik ook, en ik kan niet anders dan het zien, dat de mens handelt naar zijn eigen welgevallen, en dat God zijn daden in een grote mate aan zijn eigen vrije wil heeft overgelaten. Indien ik nu ging zeggen, dat de mens zo vrij is in zijn doen en laten, dat God zijn daden niet bestuurt, dan zou ik hiermede zeer dicht tot het atheïsme genaderd zijn. En indien ik, anderzijds, verklaarde, dat God op zulk een wijze alles beheerst en bestuurt, dat de mens niet vrij genoeg is om verantwoordelijk te zijn voor zijn daden, dan zou ik in Antinomianisme of fatalisme zijn vervallen. Dat God voorbeschikt, terwijl toch de mens verantwoordelijk is, zijn twee feiten, die slechts weinigen duidelijk kunnen zien. Men denkt, dat zij onbestaanbaar en met elkander in tegenspraak zijn, maar het is niet zo. Het gebrek ligt in ons zwak verstand. Twee waarheden kunnen niet met elkander in strijd zijn. Indien ik alzo in één deel van de Bijbel de lering vind, dat alles voorverordineerd is, dan is dit waar; en als ik in een ander deel der Schrift vind, dat de mens verantwoordelijk is voor al zijn daden, dan is dit waar, en het is slechts mijn stompzinnigheid die mij doet denken, dat deze twee waarheden in tegenspraak zijn met elkander. Ik geloof niet, dat zij ooit op een aards aambeeld aaneen gesmeed kunnen worden; maar zeer zeker zullen zij één wezen in de eeuwigheid. Het zijn twee lijnen, die bijna gelijklopend zijn, zozeer, dat het menselijk verstand, dat ze het verst volgt, toch niet ontdekt dat zij samenkomen; maar zij kómen samen; zij zullen elkander ont moeten in de eeuwigheid voor de troon Gods, van waar alle waarheid voortkomt.'
Kwetsbaar? Op het scherp van de snede? Of doortrokken van zorg om het eeuwig wel van de mens, die leidt tot de nodiging: 'Laat u met God verzoenen!'? Wat bij Spurgeon 'vrije wil' heet is niet remonstrants maar wil de mens alle grond ontnemen om 'vrije wil' af te wijzen. Zijn wekroep bereikte in ieder geval het volk in brede lagen.
Populair
Spurgeons preken waren populair. Dat wil echter nooit zeggen vlak, gewild, actualistisch, maar wel op de populus, op het volk gericht. In een ingezonden stuk in The Essex Standard schreef een 'dissenter'.
'De kansel wordt thans maar al te veel misbruikt voor de blote tentoonspreiding van verstandelijke ontwikkeling. In plaats van de uitbarsting van verontwaardiging van een Luther vanwege de ongerechtigheden van het menselijk geslacht, hebben wij slechts de lauwe, lijdelijke afkeuring van de welbespraakte man van letteren. De predikers richten hunne koude "in ijs verpakte" redevoeringen tot het ontwikkeld, welopgevoed deel van hun gehoor; en de meerderheid, de niet onderwezen, niet verstandelijk ontwikkelde armen, zijn niet in staat om - door deze "wetenschappelijke" redevoeringen de weg der heiligheid te leren, om de eenvoudige reden, dat zij boven hun bevatting zijn. Hoe weinig gelijken deze leraren - die het Evangelie zó zwak schijnen te achten, dat het zijn kracht zou verliezen, indien het met onverschrokken openhartigheid werd verkondigd - op de heilige Zaligmaker! Zijn woorden waren immer gekenmerkt door de grootste eenvoudigheid en door een volkomen afkeer van die "blinde leidslieden, die de mug uitzijgen en de kemel doorzwelgen".'
Waar staat vandaag - als gave van de Heilige Geest - een Spurgeon op, die het volk aanspreekt en bezielt, die weet te spreken naar het hart van Jeruzalem, zonder naar de mond van Jeruzalem te spreken, die 'de rede als kapitein' buiten de deur zet en alleen maar weten wil van de ene Naam! In ieder geval kunnen de werken van Spurgeon en niet in het minst ook deze levensbeschrijving inspirerend voorbeeld zijn voor de prediking vandaag en ook voor de arbeid der evangelisatie.
N.a.v. 'Het leven van Charles Haddon Spurgeon', uitgave T. Wever, Franeker, vier delen, ƒ 99, 75 (na 1 juli ƒ 129, 75).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 maart 1985
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 maart 1985
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's