De opstanding, het Koninkrijk en Israël
In Handelingen 1 : 6 klinkt uit de mond van de volgelingen van Christus een vraag: 'Heere, zult Gij in deze tijd aan Israël het Koninkrijk weer oprichten?' De vraag wordt gesteld aan het einde van de periode van veertig dagen na de opstanding en kort voor de Hemelvaart, een periode waarin de opgestane Christus met Zijn leerlingen, de apostelen, gesproken had over 'de dingen, die het Koninkrijk Gods aangaan' (Hand. 1:3).
Wie de verschillende commentaren op dit vers nagaat, komt tot de ontdekking dat met name in het verleden deze vraag door allerlei onderzoekers nogal negatief is uitgelegd, als zou hier een aardsgezind, nationalistisch spreken over de toekomst naar voren komen. Jezus zou dan in Zijn antwoord Zijn leerlingen tot een meer geestelijk verstaan hebben willen brengen en tot een wereldwijde visie.
Nu moet het ons al direct opvallen dat de Heere Jezus in Zijn antwoord weliswaar een zekere correctie aanbrengt - daarover straks - , maar op geen enkele wijze zijn jongeren nationalistisch denken of aardsgezind denken verwijt. Uitleggingen als de hierboven genoemde verraden mijns inziens meer de vergeestelijkte, tijdgebonden visie van onderzoekers, dan dat ze ons inzicht verschaffen in de bedoelingen van de Schrift. Alleen een theologie die Israël afgeschreven heeft en de kerk in de plaats van het volk van Abraham ziet - en hoezeer hebben allerlei theologische stromingen niet onder invloed van deze vervangingstheorie gestaan! - kan tot dergelijke oordeelvellingen komen.
Dat het Koninkrijk van God niet van deze wereld is, niet zijn oorsprong in deze wereld heeft (Joh. 18 : 36) wil allerminst zeggen, dat het niet in deze wereld komt. Dat het komt op de wijze van Woord en Geest, mag ons niet verleiden tot een geestelijk denken, dat de aardse concrete werkelijkheid prijsgeeft. Het geheim van het heil des Heeren is toch, dat de Schepper Zijn wereld trouw blijft en dat de aarde eenmaal vol zal zijn van de kennis des Heeren. 'En de Heere zal koning worden over de gehele aarde; te dien dage zal de Heere de enige zijn, en Zijn naam de enige' lezen we in Zach. 14 : 9. Van Ruler spreekt er in dat verband over dat het tot het laatste toe aards blijft toegaan in Gods handelen. De levende God heeft ook wel te worstelen met het mensenhart, maar Zijn eigenlijke bedoeling is dat op de aarde in alle zichtbaarheid Zijn heerlijkheid zal worden gezien (A. A. v. Ruler, Heb moed voor de wereld, 141-142). De koningsheerschappij van God heeft dan ook met alles te maken, ook met het leven van volken, overheden, culturen. Juist wanneer we de lichamelijke opstanding belijden als een werkelijkheid in de geschiedenis, heeft dat consequenties voor onze visie op het komende Koninkrijk. Wij eren juist de Geest, als we ernst maken met de heiliging van de aardse, concrete verhoudingen. En wat is heiliging anders dan het zich doorzetten van Gods' koningsheerschappij.
De vraag van de discipelen sluit aan bij het onderwijs van Christus inzake het Koninkrijk van God en de belofte aangaande de doop met de Heilige Geest. Als Israëlieten, thuis in hun Bijbel, zullen zij hun oren gespitst hebben. Immers, wet en profeten waren vol van de verwachting van Gods Rijk en de uitstorting van de Geest in het laatst der dagen. Het heeft daarom zin om de betekenis van Handehngen 1 : 6 toe te lichten vanuit de oudtestamentische achtergrond van het door Lucas gebruikte werkwoord, dat we vertalen met 'wederoprichten, herstellen'. Temeer als we naast dit vers ook leggen Handelingen 3 : 21, waar sprake is van 'de wederoprichting aller dingen, waarvan God gesproken heeft bij monde van Zijn heilige profeten van oudsher'. De ruimte staat niet toe uitvoerig in te gaan op de passage uit Handelingen 3, die ons uitlegkundig voor nogal wat vragen stelt. Maar duidelijk is in ieder geval dat de wederoprichting van alle dingen een zaak is waarvan de profeten gesproken hadden. Dit herstel als vervulling van de verbondsbeloften raakt met name Israël.
Gaan we de Griekse vertaling van het Oude Testament na, dan stuiten we op enkele kenmerkende passages. Zo lezen we in Jeremia 16 : 15 na de oordeelsaankondiging van de ballingschap de heilsbelofte van de terugkeer. Er komt een tijd dat men niet meer zal zeggen: 'Zo waar de Heere leeft die de Israëlieten uit Egypte heeft gebracht, maar veeleer: zo waar de Heere leeft die de Israëlieten heeft doen optrekken uit het Noorderland en uit al de landen waarheen Hij hen verdreven had; ja Ik zal hen terugbrengen in het land, dat Ik hun vaderen gegeven had'. Ook in de heilsbelofte van Hosea 11 : 11 vinden we hetzelfde werkwoord als in Handelingen 1:6 in verband met het herstel na de ballingschap. Er is op gewezen dat deze belofte van herstel van Israël in zijn land hoe langer hoe meer messiaans-eschatologisch verstaan werd, als gave van de eindtijd in verband met de komst van de Messias. Leerzaam is in dat verband het profetisch woord uit Maleachi 4 : 6 waar van de wederkerende Elia gezegd wordt: Hij zal het hart der vaderen terugvoeren tot de kinderen en het hart der kinderen tot hun vaderen. Ook dan wordt in de Griekse vertaling het zelfde werkwoord gebezigd als in Handelingen 1:6. In de joodse toekomstverwachting speelt dit profetenwoord uit Maleachi een belangrijke rol. Aan de grote opstanding van de messiaanse tijd gaat de komst van Elia vooraf. Bij het joodse Pascha werd gedurende het feest de deur opengezet 'opdat Elia eindelijk moge binnenkomen'.
In Marcus 9 : 12, bij het gesprek van Jezus met Zijn leerlingen na de verheerlijking op de berg, herinneren de discipelen Jezus aan deze joodse verwachting dat de komst van Elia aan de opstanding der doden voorafgaat. Jezus stemt Zijn leerlingen toe, dat Elia eerst moet komen en de weg moet bereiden voor de Messias. Hij zal 'alles herstellen'. Maar Elia is al gekomen, zegt Jezus, en het is duidelijk dat Hij daarmee doelt op de persoon en het werk van Johannes de Doper. Deze kwam immers in de geest en de kracht van Elia. Zijn weg was een weg van lijden. En daarin wees hij vooruit naar de weg van de Messias die door lijden in Zijn heerlijkheid moest ingaan. Leggen we de verschillende Schriftgegevens naast Handelingen 3 : 6 dan blijkt het in de vraag van de discipelen te gaan om het herstellende werk van God waardoor Zijn koningsheerschappij tot openbaring komt, allereerst in Israël.
De discipelen stellen deze vraag na de Opstanding. Niet alleen blijken zij goede leerlingen te zijn van de Schriften, op de hoogte van de heilsbeloften van herstel en genezing voor Israël, maar ook geven zij er blijk van het heilgeheim van Christus' opstanding te kennen. Met Christus' opstanding is de beslissende fase van Gods heilshandelen aangebroken. De laatste dingen zijn ophanden. Had Jezus Zelf hen, zoals we lezen in Lucas 24 : 44-46, niet laten zien dat alles wat over Hem geschreven staat in de wet, de profeten en de psalmen vervuld moet worden, dat Zijn lijden en sterven, ja Zijn opstanding de vervulling betekenen van Gods plan naar de Schriften? In hun vraag erkennen Jezus' leerlingen Hem dus als Degene die dit door de profeten aangekondigde herstellend werk van God, de oprichting van Gods koningsheerschappij, gaat verwezenlijken. En dit heil raakt primair Israël. Pasen betekent voor alle dingen: 'Hij heeft gedacht aan Zijn genade. Zijn trouw aan Israël nooit gekrenkt'. De Messias die door lijden tot heerlijkheid ingaat is Degene die Israël verlossen zal (Luc. 24 : 21). Die hoop ligt verankerd in Christus' opstanding.
In de vraag van Jezus' discipelen openbaart zich de hunkering naar dit herstel van de Godsheerschappij over Zijn volk. Nu zij zulke grote dingen meegemaakt hebben, ja nu Christus hun de spoedige uitstorting van de Geest belooft, zoals die door de profeten was voorzegd (Joël 2 : 28-32; Jes. 44 : 3-5), vragen zij vol verlangen: Heere, zal het in deze tijd gebeuren? Zal Uw Rijk komen over Israël?
Wat is nu Jezus' antwoord? In ieder geval niet, zoals we reeds zagen, dat Jezus de legitimiteit van deze verwachting voor Israël ontkent. Toch kunnen we spreken van een correctie die Christus aanbrengt.
Allereerst snijdt Hij elke speculatie inzake het tijdstip van de komst van Gods Koninkrijk de pas af. Het is de Vader Zelf die de tijden en de gelegenheden bepaalt. Het 'wanneer' is dan ook voorbehouden aan Zijn sovereine wil. Had Jezus hun al niet eerder gezegd dat van die dag of dat uur niemand weet, de engelen niet, ja zelfs de Zoon niet, alleen de Vader! Leven uit Pasen kan nooit betekenen dat we gaan rekenen en speculeren. In dat opzicht zijn allerlei dromen die het herstel van Israël verbinden met allerlei politieke gebeurtenissen en de toekomst pogen in te tekenen in het verloop van de wereldgeschiedenis, onbijbelse betweterij. Tijden of gelegenheden zijn ons niet geopenbaard. Wij hebben te leven in het geloof dat God Koning zal zijn over Zijn volk.
In de tweede plaats maakt Jezus de vraag naar het tijdstip tot die van de opdracht. De tijd die ons rest tot aan de wederkomst, geeft ons geen gelegenheid tot dromerijen. Het is de tijd van de wereldwijde evangelieverkondiging aan Israël en de volkeren. Het is dan ook niet toevallig dat alle vier de opstandingsberichten eindigen met het zendingsbevel. De opgestane Heere stelt hen tot getuigen om in de wereld in woord en daad Zijn koningschap te proclameren en allen en ieder op te roepen tot geloof en bekering. Daartoe zal de Heilige Geest hen bekwamen.
Want, en dat is het derde, waar we op wijzen, het heil voor Israël raakt ook de volkenwereld. Israël is Gods getuige in deze wereld, geroepen om het licht der volken te zijn. Die roeping wordt ten principale door Christus Zelf vervuld. Maar Hij wil daartoe gebruik maken van mensen om in lige deze wereld te betuigen dat de Koning der Joden Zijn troon opricht over alle volken. Ook daarvan sprak immers de profetie van het Oude Testament. In Jesaja 49 : 6 lezen we, dat tot de Knecht des Heeren gezegd wordt: Het is te gering, dat Gij Mij tot een knecht zoudt zijn om de stammen van Jakob weder op te richten en de bewaarden van Israël terug te brengen; Ik stel u tot een licht der volken opdat Mijn heil reike tot het einde der aarde'.
Een blik op Hand. 1 : 6-8 is voldoende om te zien dat Lucas ons herinnert aan dit profetenwoord (vgl. ook Hand. 13 : 47). Het herstel van het Koningschap voor Israël betrekt de volken erbij, die in Israël worden ingelijfd en met Israël de God van Abraham, Izaäk en Jakob aanbidden. Het boek Handelingen laat ons zien dat de historische realisering van dit profetenwoord door de verharding van een deel van Israël heengaat. Maar de perspectieven voor Israël blijven toch open. Hoe kan het ook anders, gezien de trouw van Israels God. Hij heeft Zijn Zoon opgewekt uit de doden en Hem in de eerste plaats tot Israël gezonden om Zijn volk te zegenen, het af te brengen van zijn boosheden (Hand. 3 : 26). En deze trouw van God kan door mensen niet teniet gedaan worden. Want de Schriften zullen vervuld worden. Maar al te vaak heeft men gemeld dat Lucas in onderscheid van Paulus van een toekomst voor Israël niet geweten zou hebben. 'k Meen dat Hand. 1:6, maar ook 3 : 17-19 en verschillende woorden uit het derde Evangelie (o.a. Luc. 13 : 35) in een andere richting wijzen. Wel laat het zendingsboek Handelingen ons zien hoe de dimensies van dit Koningschap over Israël onze stoutste verwachtingen overtreffen. Omdat ze ons wijzen op een toekomst waarin de volken samen met Israël zullen belijden: de Heere is Koning, eeuwig en altoos.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 april 1985
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 april 1985
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's