De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De weg terug

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De weg terug

10 minuten leestijd

Parallel

Sommige details van de beschrijving van de heilsfeiten in de Evangeliën vertonen bij de verschillende auteurs een opmerkelijke parallellie. Zowel het bericht van de geboorte als dat van de opstanding van de Heiland laat het licht vallen op een element, dat ons het nodige heeft te zeggen. En ook de vermelding van de hemelvaart van de Zaligmaker geeft dat aspect te zien. Het is het gezichtspunt van het 'terug'. De herders keren, nadat zij hebben gezien het Woord, dat gesproken is, terug, verheerlijkend en prijzend God over alles wat zij gehoord en gezien hebben, gelijk tot hen gesproken is (Lukas 2 : 17). Van de discipelen heet het na de hemelvaart van hun Meester: 'En zij aanbaden Hem en keerden wederom naar Jeruzalem met grote blijdschap' (Lukas 24 : 52). In Handelingen 1 : 12-14 wordt in dergelijke bewoordingen gesproken. En ook in het Paasevangelie komen wij deze gedachte tegen. 'En haastig uitgaande van het graf, met vreze en grote blijdschap, liepen zij heen om het Zijn discipelen te boodschappen...' (Mattheüs 28 : 8). We willen in dit artikel enkele gedachten ontvouwen rondom dit 'terug'.

Vrees en vreugde

Loopt de weg na het hoogtepunt van het heilsfeit niet omlaag? Die gedachte zou gemakkelijk bij ons post kunnen vatten. Zeker wanneer wij erop letten dat het feit van het heil (geboorte, opstanding en hemelvaart) ons wordt beschreven vergezeld van begeleidende verschijnselen als het verheerlijken en prijzen van God, grote blijdschap enz. En die laten zich indenken. Wij zullen ons wel nooit helemaal kunnen indenken en voorstellen wat de herders en de vrouwen hebben ervaren bij het 'zien' van het Woord, dat gesproken was en bij het horen van die ongelooflijke boodschap: 'Hij is hier niet. Hij is opgestaan'. Of onderschat ik u? Liever: onderschat ik het werk van de Heilige Geest ook in deze tijd, hier en nu? Wie weet! Laten wij er van verzekerd zijn dat de Geest van God en het Woord des Heeren er nog altijd voor zorgen dat het feit van het heil des Heeren de feestvreugde in een mensenhart heel werkelijk maakt.

Wie zich met herders en vrouwen buigt over de kribbe en bukt in het lege graf en gelooft in het Woord, ervaart hoe nog altijd het feit tot een feest wordt. Feest met vreze... Zet nu geen verbaasde ogen op. Wie zou niet vrezen in de aanraking van ons kleine, schuldige bestaan met de werkelijkheid van God en Zijn heil? Die vreze bewaart voor oppervlakkige vreugde, waarin wij het heilige van God zo kunnen verkruimelen en kleineren. Het ontzag, dat wortelt in heilige ootmoed, verheugt zich met beving... Vreze. God geopenbaard in het vlees. Op Pasen gerechtvaardigd in de Geest. Een kribbe, boordevol, gevuld met ontferming in Hem, in Wie al de volheid Gods lichamelijk woont. Een graf, dat leeg is, open omdat de Vorst van het Leven er dwars doorheen trok. En zalig, wie in onzegbare blijdschap en in kinderlijk ontzag mag zeggen: en dat voor mij! Ik vraag maar: weet u het?

Hoogtepunt

Wij staan dezer dagen in gedachten met de vrouwen bij het graf. En horen de stem van de engel, die uitleg geeft aan dat open gewelf en aan de weggerolde steen. Pasen is een punt des tijds, waarin een eeuwig heil zich concentreert. De schuld Uws volks is uit Uw boek gedaan! Het werk van Gods Knecht is bevonden en gekroond met het 'Amen' van de Vader. De prediking steekt op Pasen de loftrompet op de daden des Heeren en zalig is het volk, dat het geklank kent. Hoort u het eeuwige leven aan het Paasevangelie! U, die in doodsschaduw ronddwaalt alsof uw Heere nog in het graf ligt. Kijk maar, het graf is leeg, zowaar als God het zegt. De draden zijn niet afgebroken. Die van het werk van God niet. En ook die van uw verwachting niet. God gaat verder omdat Zijn Zoon leeft. Er is een weg terug van het graf, die toch verder gaat. Terug en toch vooruit. Weg van het teken van de dood, waar hij of zij, die alleen maar mens is, verloren voor God, alle hoop moet laten varen. Terug langs het spoor van het Woord: 'gelijk Hij gezegd heeft'! Terug omdat er voor hem of haar, die gelooft in de levende Zaligmaker, een heerlijke taak en een blijde toekomst wacht.

Opdracht

Er is een treffende overeenkomst tussen wat de herders deden, toen zij het Kindeke hadden gezien en wat de vrouwen moeten gaan doen, nu Jezus niet meer in het graf ligt. Het feit wordt niet alleen tot een feest in een mensenziel, het moet ook verkondigd worden. In de weg van de gehoorzaamheid ontmoeten de vrouwen onderweg de Opgestane. Ze zijn immers terug gegaan om het Jezus' discipelen te boodschappen dat de Meester uit de dood is verrezen. Wat zit er een geweldige opklimming in dit gebeuren. Het begon met de gang naar het graf voor een liefdedienst aan de gestorven Heiland. Dan is er ineens de ontdekking: de steen is weg. En daarop het woord van de engel. Nu loopt het uit op een ontmoeting met Jezus. Het geloof in het Woord van de opstanding wordt bevestigd. Éérst geloven... dan zien! En dat zien resulteert in aanbidding. Maar het krijgt een vervolg en een toespitsing in de vervulling van de opdracht, nu niet alleen meer van de engel, maar van Jezus zelf, om heen te gaan en het heuglijke nieuws van de opstanding aan de discipelen te melden, met de belofte dat Jezus hen voor zou gaan naar Galilea, waar zij Hem zouden zien.

We stoten hier op een belangrijk aspect. Wij leven in een tijd waarin de individu met zijn ervaringen en meningen, ondervindingen en gevoelens, centraal staat. Let u er maar eens op hoe vaak mensen zeggen: ik vind en ik denk...

Er is ook in kringen van groep en secte veel gerucht en geruis, dat, deftig aangekleed, 'getuigen' heet. Leve de vrome mens! En het wérkt. Her en der roept men op tot getuigen. Ik kan mij soms niet aan de indruk onttrekken dat het allemaal zo mensmiddelpuntig is. Bovendien leest ons deze geschiedenis scherp de les. Wat getuigen zonder een wezenlijk en een waar geloof in het Woord Gods, dat getekend is door persoonlijke ontmoeting met Christus? Met Hem, die stervend en gestorven, mijn eigen ik om het leven heeft gebracht, gedood als Hij het heeft aan Zijn kruis en begraven als het is in de graflegging van Christus. Zonder besef en zonder beleving van deze dingen - en dan gaat het niet over de maat ervan, maar over het wezen - loopt getuigen uit op de troonsbestijging van de vrome, de gelovige, de actieve, de God-liefhebbende mens. Daar doemt levensgroot het gevaar op dat het rechtvaardigende geloof van zijn centrale plaats gedrongen wordt ten gunste van eigenwillige vroomheid en godsdienst.

Inhoud

Want wat is de inhoud van het getuigenis op de weg terug van het open graf? Niet in de eerste plaats wat de vrouwen hebben ondervonden. Niet een getrouw verslag van de geestelijke ervaringen, opgedaan onderweg. Het hart van de mens is altijd geneigd in die dingen zichzelf te presenteren. Maar onze meest diepe en doorleefde ervaringen vragen om loutering en concentratie op Hem, Die ons leven is, omdat Hij de dood van onze dood is geworden. Wij moeten er ook in ons getuigen voortdurend zelf tussen uit. Paulus brengt Pasen niet mis te verstaan op noemer: 'Niet meer ik, maar Christus leeft in mij'! En hoe grondiger wij dat - door schade en schande heen - leren, des te meer wint ons getuigenis aan zuiverheid en helderheid. Hoe dieper wij in het offer en de verrijzenis van de Heiland worden ingeleid, hoe meer wij onszelf wantrouwen. En hoe strikter ons getuigenis ademt in het Woord van God zelf.

Natuurlijk kunnen wij nooit stellen dat God door Zijn Geest in ons getuigt zonder onszelf erin te betrekken. Ons eigen innerlijk is de klankbodem, waartegen de muziek van de hemel en het spreken van de Geest tot klinken komt. Maar de 'weg terug' - het leven uit en het spreken over de daden des Heeren in Christus - is er één van gehoorzaamheid. De Heere snoeit onze wilde warrelingen. Soms lijken wij wel knotwilgen, waar geen leven in of aan is. Maar op Zijn tijd spruiten wij uit en spreken wij in de stuwing van het leven uit Hem, die de dood stukbrak. Zodat ons getuigenis - op de preekstoel en over de heg, in ons gesprek op huisbezoek en in de ontmoeting met onze mede-mens - op den duur in één Naam is te vatten. De Naam van Jezus. Deze vrouwen moesten alleen maar zeggen: 'Hij is opgestaan en Hij gaat voor naar Galilea'. Straks vertelt Maria Magdalena - nee, niet over haar tranen zonder meer, zelfs niet over haar 'Rabbouni' - 'dat ze de Heere gezien had en dat Hij haar dit gezegd had' (Joh. 20 : 17, 18).

Het heilige - ook onze teerste ervaringen, onze diepste ervaringen - vraagt om sobere vormen en ingetogen manieren. God was ooit in het suizen van een zachte stilte, niet in het breken van de rotsen en de donder van het onweer.

En toch verder

Het lijkt een paradox: de weg terug leidt de vrouwen en de discipelen toch verder. Ik denk aan Hemelvaart en Pinksteren. En wie is het verst gevorderd? Die door de Heilige Geest zegt, dat Jezus de Heere is. Daartoe is de Heilige Geest onmisbaar. Zonder die Geest misleiden wij onszelf en brengen wij anderen, hoe gedreven wij desnoods ook getuigen, op een dwaalspoor. En daar daalt de Heilige Geest als een stille regen neer, waar wij, met de dood in onszelf, dorsten naar de levende Christus.

Die in Mij gelooft, gelijkerwijs de Schrift zegt, stromen des levenden waters zullen uit zijn buik vloeien. (Joh. 7 : 37). Ik denk toch dat Pasen en Pinksteren, zo ze al niet op één dag vallen, dan toch in ieder geval onlosmakelijk aan elkaar verbonden zijn. In de heilshistorie en in de heilsorde. Want gerechtvaardigd in de opgestane Christus, worden wij ook geheiligd door de Geest, die Hij verwierf. Dan vloeien de stromen van levend water. Dan vloeit mijn mond steeds over van Uw eer, gelijk een bron zich uitstort op de velden... Jawel, spreek er maar van, dat u een levende Zaligmaker hebt. Wie weet wie het nodig heeft! Op die onvergetelijke Paasdag stak het éne kooltje het andere aan. En als het avond wordt, slaan de vlammen eruit. Het wordt weldadig warm in de gemeente: de Heere is waarlijk opgestaan en is van Simon gezien... en verder? Wie vult aan... en van mij, en van mij? !! Nog verder? Jawel. Totdat eens in de voleinding der eeuwen het getuigenis, dat over de aarde rondgaat, dat Jezus leeft, uitloopt op de lofzang voor Hem, Die dood geweest is en weder levend is geworden, Die leeft in alle eeuwigheid. Jezus, Uw Naam zij de eer!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 april 1985

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's

De weg terug

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 april 1985

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's