Globaal bekeken
Prof. dr. F. C. Gerretson (1884-1959) oftewel Geerten Gossaert: dichter, literator, hoogleraar, socioloog, historicus, politicus, redenaar, journalist, agitator, debater. Zo wordt hij door prof. dr. J. W. van Hulst getekend in een boek 'Gerretson dichterbij' (uitgave Buijten en Schipperheijn, Amsterdam), dat dezer dagen verschenen is. Het boek werd ten doop gehouden in de noenzaal van het gebouw van de Eerste Kamer in aanwezigheid van een aantal genodigden. Bij die gelegenheid hield prof. dr. J. Zijlstra - oud-premier - een speech, waarin hij aan elk van de genoemde kwalificaties van Gerretson aandacht gaf, met uitzondering van de socioloog, omdat hij van sociologie niet veel moest hebben, naar hij zei ('een mens mag wel enkele stokpaardjes hebben, hoewel niet teveel').
Als (CHU-)politicus in de 1e Kamer noemde prof. Zijlstra intussen Gerretson 'een kleine catastrophe'. Zijlstra merkte echter wel op dat bij de debatten over de P.C. Hooftprijs in de Tweede Kamer niemand tot die hoogte geraakt was, waaraan Gerretson geraakte toen hij op 22 maart 1955 in de senaat over 'de kunstenaar en de maatschappij' sprak. Hij citeerde (uit het boekje):
'De dichters zijn, onder de kinderen der mensen, de Godsonmiddelbaren, de Vrij-en kat exogèn (de vrijen bij uitstek): van nature opstandelingen tegen de Staat, vreemdelingen in de maatschappij. Hun zijn de eenzaamheid en de smart en de armoede en de verstoting geschonken tot een eigen rijk. Tracht niet, Overheid, door uw fooien en gunsten hen van dat rijk te vervreemden, hen te declasseren tot van Staatswege vrijgestelde kleinburgers. Zij kunnen, zij mogen dat niet zijn!
Zelfs de stoutste fantasie kan zich Sappho niet verbeelden als erepresidente van een Koninklijk goedgekeurde en gesubsidieerde vrouwenvereniging tot bevordering van Lesbische poëzij.
Laat hen dan, bid ik u, onberaden en buiten Rade, ongemoeid op de gewijde vrijplaats, waarop God hen, op deze aarde, tussen de heiligen en de hoeren heeft gesteld: radeloos, redeloos, reddeloos.'
In het betreffende hoofdstuk schrijft prof. Van Hulst nog het volgende:
'Vooral na Wereldoorlog II is er, met name toen in de welvaartsstaat de bomen tot in de hemel groeiden, door de politieke partijen een breed scala ontwikkeld van financiële steun aan kunstenaars door subsidies, beurzen, stipendia, geldprijzen, reistoelagen, beloning voor contraprestaties.
Welnu, Gerretson is door deze opvattingen heengeraasd, daarmee bewust riskerende, dat de gehele artistieke bent zich tegen hem zou keren. Hij vond het een verachtelijke zaak, dat er in zijn tijd een verschuiving in belangstelling plaats vond van de kunst naar de kunstenaar, van het dichterschap naar de dichters. Daarom haatte hij interviews met dichters, want deze dienden slechts om aan een ongezonde belangstelling van het publiek tegemoet te komen, en om reclame te maken voor de kunstenaar. De dichter heeft volgens hem slechts één taak, één roeping: goede gedichten te schrijven. De rest is ijdelheid. De kunstenaar heeft slechts één natuurlijke en onverzoenlijke vijand: de maatschappij. Wil een maatschappij gezond zijn, dan stoot ze de kunstenaar uit. Dat hebben de oude Indiërs het best begrepen, door de kunstenaar buiten elke kaste te sluiten: hoeren en dichters behoorden tot de paria's. De kunstenaar is krachtens z'n wezen outcast. Alleen als de dichter bewust paria wil zijn, "behoudt hij de geestelijke vrijheid, de edele onwereldsheid, die hij met bedelaars, aapjeskoetsiers, hannekemaaiers en dergelijke uitverkoren kinderen Gods gemeen heeft".
"Een volle maag studeert niet graag, luidt het spreekwoord, en hij dicht ook al niet best, voeg ik er, uit droeve ervaring, aan toe. Laat de jonge kunstenaar gerust maar tobben; als hij dit niet aandurft, geef ik voor zijn roeping, het heilige moeten, geen rooie duit''. Het meest verachtelijk vindt Gerretson hem, die een geacht en gevierd letterkundige wil worden en die daarbij zelf niet inziet, dat hij niet meer is dan de nar en de clown van een zieke, karakterloze samenleving. En op latere leeftijd is deze clown de geëerde jubilaris, gedecoreerd met de Nederlandse Leeuw... Scherp is zijn vraag, of wij ooit een geridderde nachtegaal hebben gezien...'
***
Ds. Ernest Cassuto overleden
De broer van ds. G. H. Cassuto te Bllthoven verzocht het volgende in ons blad op te doen nemen.
'Op 18 maart jl. is in een verpleeghuis in Columbia (Maryland) in de V.S., waar hij sinds augustus 1983 verpleegd werd, op de leeftijd van ruim 65 jaar overleden ds. Ernest H. Cassuto, van 1950 tot 1952 predikant van de hervormde gemeente van Hurwenen (GId.) en sinds 1952 werkzaam in de V.S., eerst als predikant in buitengewone dienst van de Reformed Church, voor de arbeid onder Israël, later sinds 1968 predikant van de Presbyterian Church in Baltimore, alwaar hij als pastor verbonden was aan de joodschristelijke 'Emmanuël'-gemeente. In 1979 moest hij, gedwongen door steeds verder achteruitgaande gezondheid, vervroegd met emeritaat gaan. Ernest Cassuto, geboren in 1919 in Indonesië uit Nederlandse joodse ouders, overleefde de jodenvervolging in Nederland, waar hij sinds 1934 woonde, en werd in 1945 in de Kloosterkerk te Den Haag door ds. J. A. Kwint gedoopt, na met het Evangelie in aanraking te zijn gekomen onder meer dank zij het pastoraat van de joodse prediker Johannes Rottenberg. Hij studeerde theologie in Utrecht, was lid van het studentendispuut 'Voetius' en maakte door zijn bijzondere persoonlijkheid, charismatische prediking en gaven op muzikaal gebied een onvergetelijke indruk op de velen die met hem in aanraking kwamen, ook later tijdens zijn verscheidene bezoeken aan ons land vanuit de V.S. Hij was gehuwd met Elisabeth Rodrigues, eveneens joods-christin, die hem op zeer inspirerende wijze terijde stond en helaas hem in 1984 ontviel. Zij stierf toen, 53 jaar oud. Hun vijf kinderen wonen allen in de V.S.'
***
Opnieuw verscheen een aflevering van 'Anderhalve eeuw gereformeerden in stad en land' (Kok, Kampen) en wel over Overijssel (51 pag., ƒ 12, 60). Uit de vele sprekende stukjes de volgende aardige momenten.
• 'Wiegen de droomer
"Hoeveel dominees hebben jelui. Hervormden? " vroeg Wiegen later eens aan Raders, 's avonds op den Brink, waar de mannen stonden te praten. "Wel, één, natuurlijk, " antwoordde deze, "Walter!" "En hoeveel dominees hebben jelui, Doleerenden? " vroeg hij aan Schepers.
"Wel, ook één, natuurlijk, " antwoordde deze, "Senserff!"
"Dan is mijn gemeente rijker, " lachte Wiegen, "wij hebben hen beiden: Senserff èn Walter." "Ook hebben wij twee kerkeraden, " voegde hij er aan toe, "want al jelui ouderlingen en diakenen aan weerskanten behooren tot mijn Kerk. En bovendien van jelui gemeenteleden aan beide zijden behooren er ook velen tot mijn Kerk."
En terwijl hij het zeide, kwam de lach over hem, als de lach van een, die het Koninkrijk der Hemelen ziet komen.
"Die droomer!" dachten Raders en Schepers beiden.
S. Ulfers, Oostloorn
(= Hardenberg in Doleantietijd.)
• De oefenaar
Wanneer men hoort praten over de oude tijd, - de tijd van de eerste jaren na de Doleantie en "de vereniging van 1892" - dan speelt in die verhalen ook dikwijls de een of andere "oefenaar" een rol. Gewoonlijk is de rol van "de oefenaar" in deze verhalen niet al te fraai. Het zijn mensen, over wie men gemakkelijk mopjes kan vertellen, brave, vrome broeders, die op een voor hen gelukkig ogenblik het recht kregen een stichtelijk woord te spreken, maar die intussen toch weinig meewerkten aan de werkelijke bouw van de kerk. Zeer bekend is het mopje van de oefenaar, die bezwaar maakte tegen de omrastering van het kerkplein met een hek, waarvoor palen in de grond geslagen werden, en die dit ten zeerste afkeurde op grond van het woord '' 's Heeren goedheid kent geen palen". In een ander verhaal treedt een oefenaar op, die op grond van dezelfde versregel zich verzette tegen telefoon- en telegraafpalen. Zo'n mopje doet het dan. In mijn jeugd had ik een vriend, die nooit sprak over een oefenaar, maar altijd over een "oefendoender", en als hij grappig wilde zijn had hij het over een "oefendonder". Hij stelde zich voor, dat zo 'n oefenaar alleen maar de donder van de wet preekte. Ik zou geheel andere verhalen kunnen vertellen over oefenaars. Hun werk was zaaien, voorbereiden, bewaren en bouwen. Mijn vader was zo'n oefenaar.
(J. Waterink, 1962)'
• Tranenloop van omstandigheden
'De predikanten die afgescheiden waren hadden een gemiddelde leeftijd van 28 jaar. Speelde dat een rol in de conflicten met de vaak grijzende oefenaars van de vroegere gezelschappen, nu ouderlingen in de kerken? In ieder geval heeft een poging om een nieuwe organisatievorm te vinden voor de afgescheiden gereformeerden (synode te Utrecht, 1837) vooral in Overijssel tot een breuk geleid tussen en in de gemeenten. In Kampen, Zwolle, Deventer en Zalk onttrokken de kerkeraden zich aan de onderlinge banden, nu het "synodale juk" genoemd. Nooit zou het juk van een moderne kerkorde op hun schouders drukken. Slechts het kruis mocht hun last zijn: de kruisgezinden tegenover de synodalen.
In deze situatie kon de Overijsselse dominee Van Raalte geen samenbindende rol spelen. Bij de kruisgezinden was hij verdacht, niet alleen om zijn organiserende rol maar ook om zijn opvattingen over doop en verbond. En dominee De Cock, eens zo volledig eensgeestes met de Kampense oefenaar Hoksbergen en de Zwollenaar Wolter Wagter Smitt, zag de kerkelijke banden met hen breken.
Diverse verzoeningspogingen liepen op niets uit en de kloof werd steeds dieper toen in de kruisgemeenten ouderlingen door ouderlingen tot predikant werden bevestigd. Een noodoplossing die voorkwam dat kinderen ongedoopt moesten blijven, maar die voor de synodalen niet te accepteren was. Anderzijds vonden de kruisgemeenten het verschrikkelijk dat de synodalen zich tot de overheid gewend hadden om erkenning aan te vragen als christelijke afgescheiden gemeenten. Gaven zij zo niet het recht prijs de ware gereformeerde kerk te zijn, eerst tot klaarheid gekomen in Dordrecht 1618/1619 en opnieuw in 1834 bij de Afscheiding oftewel Wederkeer?
Zo is het door niemand gewild. De emoties en het verdriet om deze scheidingen en scheuringen proeven we in de vele notulen van vergaderingen, maar nog het best wanneer een scriba schrijft: "Dit is een tranenloop van omstandigheden".'
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 april 1985
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 april 1985
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's