Opstanding in het Oude Testament
Opstanding is het woord van Pasen
Elk feest - zo heeft prof. G. Wisse eens opgemerkt - heeft in de Schrift een eigen woord. Geboren is het Kerstwoord. Gestorven is het Goede Vrijdagwoord. Opgestaan is het Paaswoord. Opgevaren het Hemelvaartswoord. Vervuld het Pinksterwoord. Alzo opgestaan is dus het Paaswoord. En dan gaat het maar niet om of over opstanding op de voorstellingswijze van de moderne mens in deze tijd, waarbij Pasen zou zijn het feest van nieuwe denkbeelden en levende natuur zonder de opgestane Heere Zelf. Opstanding in de natuur, in het lenteseizoen, is er niet, want de natuur is nooit dood geweest. Wat in de natuur opstaat, is in werkelijkheid nooit echt dood geweest, het keert slechts telkens terug tot de toestand van schijn van dood. Wat echt in de natuur dood ging, wordt daar en zo niet weer levend. Maar op Pasen is er opstanding uit de dood. Dood en graf zijn voor eeuwig overwonnen door Hem, die niet alleen is opgestaan maar Die Zelf de opstanding is.
Opstanding en onsterfelijkheid
Men moet deze twee woorden en begrippen niet met elkaar verwarren en verwisselen. Onsterfelijkheid in de zin van voortbestaan na de dood is niet de boodschap van de opgestane Heere. De heidenen in de dagen van Paulus geloofden dat ook nog wel. Maar... toen Paulus aan hen ging verkondigen de opstanding uit de doden, dat echtchristelijke leerstuk uit de boodschap van het evangelie, liep het mis en brak het conflict uit. En dat is nog zo. Gelooft het oosters heidendom, dat we na de dood weer in een of ander lichaam terugkomen en het westers heidendom, dat de mens na de dood als een soort schim blijft voortbestaan, klaar en helder boodschapt de christelijke Kerk de leer van de wederopstanding van de doden. Dat is wel het echtnieuwe van het christelijk geloof. Maar... daarvoor geeft reeds het Oude Testament in de profetische prediking met name het fundament, alsook de verkondiging van de wijsheid.
Opstanding bij de profeten
Hoe heerlijk wordt reeds in de tekening van het luisterrijk koningschap van God op Sions berg het heil voor de volken afgebeeld bij wijze van een overvloedig feestmaal. Daarin heet het: Hij zal de dood verslinden tot overwinning, Jes. 25 : 8a. De God van Israël zal voor altijd doen verdwijnen de dood, waarin al het menselijk lijden, of alle gevolg van de zonde is samengevat. Paulus neemt deze woorden op in het opstandingshoofdstuk bij uitstek, 1 Corinthe 15 : 54. Maar nog heerlijker en duidelijker klinkt in Jesaja 26 de boodschap van de opstanding door. Na het loflied van het verloste Godsvolk en de bede en dankzegging van de profeet, voor wat God gedaan heeft voor en aan de Zijnen, spreekt hij in vers 19 de verwachting uit van de lichamelijke opstanding. Uwe doden zullen leven - ook mijn dood lichaam, zij zullen opgestaan... De profeet richt zich in dit woord tot God Zelf: Uwe doden, dat zijn de doden, die U, o God toebehoren, de gestorven rechtvaardigen, dus ook mijn dood lichaam... Het is duidelijk, dat deze profetische verwachting haaks staat op het verwachte lot van de goddeloze onderdrukkers, in vers 14 verwoord: dood zijnde zullen ZIJ niet weder leven; overleden zijnde zullen ZIJ niet opstaan. Deze onderdrukkers keren nooit terug en zullen Gods volk dus ook niet meer benauwen en plagen. Hier wordt dus gewag gemaakt van de opstanding van de vromen. Bovendien spreekt de profeet ook over de herleving van diens eigen lichaam. Opmerkelijk is, dat in deze tekst in het Oude Testament - en dat geschiedt niet zo veel en zo vaak - van de persoonlijke opstanding sprake is. Dan wel binnen het raam van de zalige opstanding van hen, die de Heere hebben toebehoord. Wat een perspectief voor de Godsman, te midden van turbulente ontwikkelingen en gebeurtenissen om over dood en graf zelfs heen te zien. God Zelf stelt Zich daar garant voor. Het is - in beeldspraak geuit! - te danken aan de dauw van de Heere, die levenwekkend en verkwikkend werkzaam is. En Zijn licht is uitdrukking van heil en van leven.
Dat echter in het Oude Testament deze tekst niet de enige plaats is, waarin sprake is van lichamelijke opstanding, laat ook de bekende 'Paasbelijdenis' van Ezechiël zien, in het bekende visioen van de dorre doodsbeenderen, in hoofdstuk 37. Op de vraag in dit gezicht aan de profeet: Mensenkind, zullen deze beenderen levend worden, is 't antwoord van de Godsman: Heere, Heere, Gij weet het, vs. 8. Op zijn minst laat de profeet de mogelijkheid tot herleving uitdrukkelijk open. Maar daarbij zegt hij ook, dat als zulks geschiedt, dit alleen van Godswege kan. Ook al is het visioen gericht op de herleving, het herstel van Sion uit de ballingschap, de beeldspraak, die er in gebezigd wordt, spreekt overduidelijk in termen van opstanding en herleving. Niet alleen een nationale opleving maar zedelijk religieus herstel zal plaatsvinden. Het gaat om niets minder dan om een ware hergeboorte van Gods volk. Dat doden kunnen opstaan wordt niet zozeer gepredikt als wel - en dat is minstens zo gewichtig - van de Heere uit ondersteld. Nog breder en dieper - en ziedaar ook iets van het geheimenis van de voortgang in en van de Godsopenbaring - hoort en ziet Daniël het ontzaglijke van de dodenopstanding. In het 12e hoofdstuk tekent de Godsman het lot van de onderdrukkers van Gods volk. In vers 2 is overduidelijk sprake van een geheel verschillend lot van degenen die opgewekt worden uit de doodslaap in het stof der aarde. Er zullen er opstaan tot eeuwige versmaadheden en afgrijzing. Dan gewordt hun het vreselijk loon voor hun onrechtvaardige daden. Daartegenover staat het zalig lot van hen, die trouw bleven en het hebben overleefd... en van hen, die ten prooi vielen aan de gewelddadige onderdrukking. En hoe troostrijk wordt de profetische en visionnaire boodschap van het boek Daniël afgesloten met de toezegging aan deze getrouwe dienstknecht: maar gij, ga gij heen tot het einde, want gij zult rusten en zult opstaan in uw lot, in het einde der dagen. Niet zoveel jaren had de hoogbejaarde Daniël meer te leven, maar... hij zal in vrede rusten en uiteindelijk... opstaan. Dan verkrijgt hij het zalig lot, dat hem is beschikt van zijn God. Wat een uitzicht voor deze balling in Babel, die ook in zijn hoge posities trouw bleef aan de God van Israël. Hem wachtte - om met Aalders te spreken - de wederopstanding des vleses en het eeuwige leven.
Opstanding in de boodschap van de wijsheid
Sommigen van u wachten wellicht reeds vol ongeduld op het woord van Job, ook gelet op de omgeving van dit woord: ik weet, mijn (Ver)Losser leeft. Veel is er getwist over de vraag of het optreden van de Losser ante dan wel post mortem, voor of na de dood, zou geschieden. God zal werkelijk ten gunste van Job opstaan over (zijn) stof. Job komt als het ware worstelend en strijdend door genade boven zichzelf uit. Al heeft Job ook in sterke aanvechting uitspraken gedaan, die wijzen in de richting van twijfel over leven na de dood, zoals in vers 7 : 9vv, 10 : 21 en 22 en 14 : 10 bijvoorbeeld. Maar hoe machtig is de belijdenis: ik weet Mijn (Ver)Losser leeft! En God zal als Laatste het beslissende woord hebben in het geding met zijn vrienden. Hij zal optreden en dat woord is de vaste uitdrukking voor het in-actie-komen van de losser. Hij zal uit het vlees aanschouwen, zegt Job. Ziet Job in levende lijve hier nog de Heere tussenbeide komen tot zijn voordeel of eerst straks? De vertaling is zeer omstreden: uit mijn vlees of buiten (zelfs: na verlies van...) mijn vlees. Toch is al heel vroeg hierin gelezen de verwachting van een lichamelijk leven na de dood. Luther dacht ook in deze richting.
Psalm 49 kan stammen uit de kring van de wijsheid. Wie kent niet in de berijming de heerlijke regels: maar na de dood is 't leven mij bereid. God neemt mij op in Zijne heerlijkheid?
In de onberijmde tekst is duidelijk, dat de psalmist weet van een groot verschil in lot na dit leven. Men moet niet tegenwerpen, dat het slechts om een geestelijke verlossing zou gaan, omdat hier van 'mijn ziel' gesproken wordt. Dat staat duidelijk parallel tot 'mijn leven' of 'mij'. In tegenstelling tot het troosteloze lot van de goddeloze rijken weet de dichter dat voor hem de dood niet het laatste is. Na de dood wordt de gelovige ontrukt aan en gevrijwaard voor dood en hel.
Die verwachting kent trouwens ook David in Psalm 17 : 15... ik zal verzadigd worden met Uw beeld, als ik zal opwaken. De gedachte aan de dood als een slaap komt meer voor in het Oude Testament, Psalm 76 : 7, Jer. 5 : 39 en 57 bijvoorbeeld. En zie ook de besproken Schriftplaatsen, Jesaja 26 : 19 en Daniël 12 : 2. Zag David voor zich een ontwaken uit de slaap van de dood op de morgen van de opstanding? Elders in de psalmen wordt bezongen hoe de wondere verlossing geschiedt bij of nog voor het aanbreken van de morgen. Psalm 3 : 6 en 30 : 6. Dan heeft ook in het leven van David de glans gestraald van het Paaslicht.
Telkens weer wordt duidelijk hoe God zorgt voor redding, leven, opstanding. In en door Hem heeft niet de dood maar het leven het laatste woord. Dat is alleen aan Hem te danken. Dat komt zo heerlijk uit in de komst en het werk van de Heiland. En daarom tenslotte.
Opstanding van Christus
Het kan niet, anders of we wijzen in dit verband op Psalm 16 : 10... Gij zult niet toelaten, dat Uw heilige de verderving zie. Dat is de grond voor de verwachting in vers 9 dat 'mijn vlees veilig zal wonen'. Tot twee keer toe wordt dit vers toegepast op de opstanding van Christus, in Handelingen 2 : 29-32 en 13 : 35-37. David zingt hier ver boven zichzelf uit als profeet. Daarom bezigt David ook absolute uitdrukkingen. De Heilige Geest heeft daarmede een diepere strekking in de woorden bedoeld. Vergeten we niet dat overeenkomstig de hem geschonken belofte de Messias uit David zou voortkomen. Met zijn ganse ziel hecht David zich aan Hem, Die komt. De verderving van en in het graf, al zou zijn lichaam daarin neergelaten worden, zou op Hem niet van toepassing zijn. Dit voorziende heeft David gesproken van de opstanding van Christus.
Heeft dezelfde psalmist ook niet in Psalm 21 gezongen over het leven van Zijn Zoon en Heere? Mogelijk bezingt dit lied de overwinning van de koning waarvoor in deze Psalm 20 het bidden. God spaarde hem wonderlijk, gaf hem op zijn begeerte het leven, ja, lengte van dagen, maar dan... eeuwiglijk en altoos. Wist hij zich hoofd van die dynastie, die zou uitlopen op de komst van de Lang Beloofde? Deze heeft inderdaad meer dan David, volstrekt in geheel enige zin het leven van God begeerd en gekregen. Dat is op Pasen aan het daglicht gekomen. David mocht en kan er van zingen door de Geest geleid. Davids Zoon en Heere heeft het waargemaakt. Hij is de dood ingegaan, heeft het leven van Zich vrijwillig afgelegd om het ook terug te nemen, volstrekt, volheerlijk, beslissend. Door Hem en vanuit Hem straalt het Paaslicht ook in het Oude Testament. Christus ging als Levende de dood in, maar herrees. Zijn opstanding is en daad en ervaring. Hij is niet slechts opgestaan nadat Hij gestorven was, maar Hij is veeleer gestorven, omdat Hij de Opstanding Zelf is. Hij is door de dood heengegaan en kan niet en nooit meer sterven. Hij heeft het leven begeerd. Hij heeft het leven gekregen, eeuwiglijk en altoos. Hij is daarom de wortel van allen die leven zullen tot in eeuwigheid.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 april 1985
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 april 1985
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's