Prof. dr. H. Visscher, zijn visie op en zijn strijd om de kerk (6)
Men heeft wel gezegd, dat Visscher een Kuyperiaan was. Ook Kuyper ging het om de vrijmaking van de gereformeerde kerken en hij legde eveneens grote nadruk op de 'zelfstandigheid' van de plaatselijke gemeenten. Beiden - Kuyper en Visscher - maakten een geestelijke crisis door en gaven zich bewust gewonnen aan de leer van Calvijn en aan de gereformeerde religie. Visscher sloot zich, nadat hij predikant geworden was, eerst aan bij de Confessionele Vereniging en wel bij de meer kuyperiaanse vleugel daarvan. Deze ging later een meer eigen bestaan leiden, wat mede uitliep op de oprichting van de Gereformeerde Bond. De benoeming tot hoogleraar in Utrecht van Visscher was, zo schreven wij reeds, mede te danken aan persoonlijke bemoeienissen van Kuyper. In 1905 viel diens coalitie kabinet, vooral door de stemming van de liberalen en socialisten. Doch de 'Kuyperianen' verweten de christelijk historischen, waarin de confessionelen sterk vertegenwoordigd waren, dat zij door hun 'stemmen' mede oorzaak waren van die val. Dit maakte de afstand tussen de confessionelen en Visscher groter. Hij verweet dezen ook gebrek aan gereformeerde belijndheid. Tussen hem en Kuyper was er echter een goede verstandhouding. Beiden waren niet alleen geïnteresseerd in de vragen omtrent de kerk, doch ook van het culturele leven, en van de sociale noden. Maar Visscher volgde Kuyper niet in diens oplossing van het kerkelijk vraagstuk. Hij wilde wel vrijmaking, doch niet in de weg van de scheiding of van de Doleantie. Over die scheiding en Doleantie handelde hij eveneens uitvoerig in het Gereformeerde Weekblad en in een rede, gehouden op een Bondsdag van de Hervormd Gereformeerde Jongelingsvereniging: 'De Scheiding en de Gereformeerde gezindheid'. Daarin verklaarde hij, dat hij zich geestelijk nauw verbonden wist met vele afgescheidenen. Hij verloor hen niet uit het oog, noch uit zijn hart. Bij de Modus Vivendi was immers uiteindelijk zijn doel en hoop de hereniging van alle 'gereformeerden', opdat alzo de oude vaderlandse kerk weer zou herrijzen. Groot respect had hij voor de dogmatiek van prof. Bavinck. Hij spoorde anderen aan die grondig te bestuderen. Toch kon hij met de scheiding niet meegaan. Meenden Kuyper en diens volgelingen te handelen in gehoorzaamheid jegens de Heere van de kerk en aan de gereformeerde belij denis? Hielden zij de Doleantie voor een werk Gods? Visscher stelde hiertegenover, dat hij met velen, die bewust in de Hervormde Kerk bleven, de scheiding niet kon zien als in overeenstemming met de eisen van die belijdenis en als een daad van gehoorzaamheid. Doch veeleer als een ongereformeerde daad. Hierbij valt ons weer op, dat hij in dit verband niet sprak van een principieel andere kijk op de Hervormde Kerk in haar geheel. Noch over de vraag of de belijdenis alléén accoord van gemeenschap is, en of men de ware kerk via een scheiding uit het geheel kon uitpeilen. Wel noemde hij de scheiding een eigenmachtige daad. En hier sprak hij wél van een weglopen onder het oordeel Gods en de schuld vandaan. Zelfs van een verscheuren van het lichaam van Christus! Hij wees er op dat de voormannen van de scheiding zich beriepen op art. 28 van de nederlandse geloofsbelijdenis, met name op deze zinsnede: 'Wij moeten ons afscheiden van degenen die niet van de kerk zijn'. Maar zij deden, volgens hem, iets heel anders. Zij scheidden zich af van degenen die wel van de kerk waren en in de Hervormde Kerk waren achtergebleven. Die afgescheidenen meenden, dat zij zich alleen van de synodale organisatie hadden afgescheiden. Maar zij scheurden het lichaam van Christus, omdat zij een scheur aanbrachten tussen zich en die achtergeblevenen.
Steeds scherper
Visschers critiek op de afgescheidenen, vooral op de 'dolerenden' is steeds scherper geworden. Hij constateerde bij hen een kerkelijk fanatisme. De scheiding hield volgens hem geen echte reformatie in. Dan zou ze meer samengegaan zijn met een geestelijke opleving onder ons volk. Doch die bleef uit. En wat was er veel onenigheid en onheilig vuur onder heiüg vuur. Vooral bij de 'dolerenden' zag hij in geestelijk opzicht een verschuiving optreden. Hun pogen om de beginselen van de gereformeerde religie en van het Calvinisme op alle terreinen van het leven gestalte te geven, ontkwam volgens hem niet aan het gevaar, dat het persoonlijk geestelijke leven aan diepte verloor. Hij wees hier ook op de 'leer' van de veronderstelde wedergeboorte, en op een ongenuanceerd nadruk leggen op de voorrechten van het opgenomen zijn in het Verbond, zodat de noodzakelijkheid van persoonlijke bekering, geloof en geloofsbeleving werd verzwakt. In de prediking werden, zo zei Visscher verder, klanken gehoord, die men in de Hervormde Kerk eveneens kon horen. Zo betwijfelde hij het of met name de kerken van de Doleantie hun zuiverheid in leer en leven zouden bewaren. Met dat al zag hij in de scheiding geen garantie voor het zuiver houden van de kerk. Ook hier wees hij op de werking van de zonde en van de boze. Die waren er in die kerken evengoed als in de Hervormde Kerk. Misschien, zo zei hij, zelfs daar in stroomversnelling. Wij vragen ons, niet met leedvermaak, doch wel met zorg af, ook in verband met Samen op Weg: zag hij in deze juist, of niet juist?
Overblijfsel
Tegenover de Afscheiding en Doleantie stelde Visscher, wat toch nog in de Hervormde Kerk onder de synodale organisatie aan goeds gevonden werd. Zij was wel leeggepompt en bloedarm. Toch was er nog een overblijfsel. Nog kon er de rechte prediking worden gebracht en gehoord. En - dit was voor hem het voornaamste - er was nog 'gereformeerd' leven! Met hen, die dit zochten en kenden, wist hij zich immers verbonden. Zo streed hij zijn strijd om de kerk. Onder hen waren er echter meerderen die, niet ongemotiveerd, zijn visie op de kerk niet deelden en met de pogingen om die te realiseren, niet meegingen. Dit gold ook het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond. Toch heeft hij invloed gehad onder de Hervormd Gereformeerden, door zijn prediking en stichtelijke lectuur, zoals wij reeds schreven. En eveneens door zijn colleges bij de studenten. Wel had hij zijn critiek, ook naar deze kant. Die stak hij evenmin onder stoelen of banken. Zijn artikelen in het Gereformeerde Weekblad en zijn geschriften getuigen daarvan. Volgens hem heeft ook het moeten verkeren onder de Synodale Organisatie de gereformeerde belijders geen goed gedaan. Er was te weinig kerkelijk besef. Herstel in dit opzicht was hard nodig. Als men maar ergens 'goed' kerken kon was men tevreden. Velen dwaalden her en der. Er ontstonden groepjes en clubjes. Zelfs in de prediking traden excessen op. Vaak was het persoonlijk geloofsleven naar het Woord ingezonken of lijdende aan scheefgroei. Dit bracht mee, dat men soms een bevinding die toch de toets van dat Woord niet kon doorstaan, aanprees als de ware, en men elkaar op dit punt op onverantwoorde wijze verketterde. Niet onbelangrijk is dat Visscher hier mede naar voren bracht de bijzondere betekenis en het rechte gebruik van de Sacramenten, ook van het Avondmaal. Hoe die in een gezond kerkelijk leven naar de Schrift en naar de belijdenis zouden moeten functioneren en hoe hieraan nog wel wat mankeerde, ook onder het gereformeerde volk!
Convent
Nadat dus het voorstel tot een Modus Vivendi door de synode was verworpen, zette Visscher zijn strijd om de vrijmaking van de gereformeerde kerken voort. In 1923 kwam het Convent van Hervormd Gereformeerde Kerkeraden met het zgn. Convent Voorstel. Dit werd eveneens aan de synode aangeboden en was ondertekend door de adviseur prof. Van Leeuwen en door de leden van het moderamen van dit Convent: dr. Severijn, ds. J. Kievit, dr. J. G. Woelderink en anderen. Dit voorstel ging uit van hetzelfde principe en had éénzelfde bedoeling als het voorstel tot de Modus Vivendi. Intussen was prof. Visscher in 1922 gekozen als lid van de Tweede Kamer voor de Anti Revolutionaire Partij. Meerdere motieven drongen hem om deze verkiezing te aanvaarden. Maar hij wilde nu zelf ook daar zijn invloed uitoefenen met betrekking tot de oplossing van het kerkelijk vraagstuk. In 'Na eer en Staat' schrijft hij, dat naar zijn overtuiging de Anti Revolutionaire Partij krachtens haar beginsel geroepen was niet alleen de schoolkwestie maar ook die van de kerk ter hand te nemen. Zou ze dat weigeren, dan hield dat in verloochening van haar oorsprong en roeping.
Meerdere malen heeft hij deze zaak aanhanging gemaakt in de fractie en in de Kamer. Het resultaat was weer negatief.
Breuk met de A.R.P.
Het kwam tot een breuk tussen Visscher en de A. R. Partij. Hierbij speelde een grote rol de opvatting over de roeping van de overheid en de inhoud van art. 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis. Visscher moest constateren dat de A. R. Partij koerste in de richting van de idee van de neutrale staat. Maar deze wees hij af! De overheid heeft toch de roeping in het openbare leven de beide tafelen van de Wet te handhaven?
Wat betreft de bedoeling en toepassing van art. 36 was er bij hem wel een verschuiving van mening en van positie. In zijn boek: 'De staatkundige beginselen van de Nederlandse Geloofsbelijdenis' is hij hier zeer uitgebreid op ingegaan. Waarbij dan ook de roeping van de overheid ten opzichte van de kerk aan de orde kwam. Was ook art. 36 niet, tegenover de overheid een belijdenis en een dringende bede? In datgene wat Visscher daarover beschreef, lag toch mede een verklaring van zijn beroep op de overheid in zijn strijd om de vrijmaking van de kerk.
Woerden
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 april 1985
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 april 1985
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's