Bevoegdheid van de overheid en verantwoordelijkheid van de burger
Naar aanleiding van het artikel 'Actievoeren en gereformeerde maatschappijvisie' in de Waarheidsvriend van 21 februari l.l. heeft prof. dr. H. M. de Lange mij enkele indringende vragen gesteld, die hiernaast staan afgedrukt.
Ik wil beginnen met op te merken dat ik het op hoge prijs stel dat prof. De Lange de moeite heeft genomen deze vragen te stellen en niet na heeft gelaten aan te geven, waarin hij overeenstemt met de inhoud van mijn artikel.
Alvorens ik op die vragen inga één opmerking vooraf ten aanzien van wat prof. De Lange bij zijn betuiging van instemming opmerkt over Piet Reckman. Dat deze met zijn revolutionaire visie in een marxistische samenleving niet zo ver komt zegt één en ander over zulke samenlevingen. Me dunkt echter dat schrijvers als Reckman met hun (neo-)marxistische stellingname juist omwenteling van niet-marxistische samenlevingen beogen in marxistische zin. Tot men een samenleving heeft gekregen, waarin het gedaan is met acties, die men zelf voorstaat.
Waarop richt zich ons handelen?
Als prof. De Lange mij vraagt, waarop zich het handelen van de christen heeft te richten in de samenleving dan zou ik in algemene zin willen zeggen: op datgene wat zich niet verdraagt met het gebod Gods; en dat gebod is zeer wijd.
Het heeft te maken met de bescherming van het leven van mens en dier. In concreto met strijd tegen legalisering van abortus provocatus en euthanasie, zo goed als tegen het jagen op zeehonden, terwille van het exclusieve bont voor de upper-ten in de samenleving; tegen martelen van gevangenen of het straffen van mensen zonder vorm van proces; tegen ook een zin-loze opvoering van bewapening, die tot massale vernietiging leiden kan.
Het heeft te maken met recht en gerechtigheid in de samenleving, dus met bestrijding van armoede, discriminatie op grond van ras of huidskleur.
Het heeft ook te maken met publieke of publiek toegestane godslastering; met huwelijkswetgeving, waarin de elementaire christelijke normen ontbreken, met ontwikkelingen ten aanzien van het gezin, de kleine samenleving in de samenleving.
Het heeft ook te maken met (bescherming van) het milieu in het licht van Gods gebod om de schepping te bouwen en te bewaren.
Prof. dr. A. A. van Ruler heeft gezegd dat de christen de beste burger is. Hij weet, vanuit het gebod Gods wat de mens 'ten goede' is. En de Zuid Hollandse synode van 1581 stelde dat het Woord Gods met alle zaken te maken heeft, die het openbare leven betreffen en noemde daarbij concreet de wapenen en (merkwaardigerwijs) de koks.
Woord en daad
Het zij verre van mij om een scheiding tussen woord en daad aan te brengen, in die zin dat de daad, het menselijk handelen in tegenspraak zou mogen zijn met de woorden; dit in antwoord op prof. De Lange als hij het ondeelbare van woord en daad benadrukt.
De vraag is echter wel van welke aard het handelen is. Het hele christelijke leven bestaat uit kiezen, handelen, (re-)ageren. Maar in het betreffende artikel ging het mij om actie voeren, dat wil zeggen om heel concreet handelen naar de kant van de overheid toe. En dan staan we voor de vraag van die verhouding, die ik in de titel van dit artikel verwoord, namelijk tussen de bevoegdheid (zeg het gezag) van de overheid en de verantwoordelijkheid van de burger; en daarbij, voor de vraag van de middelen, die de burger ten dienste staan om het overheidsbeleid te critiseren.
Wat de aard van dat handelen betreft, daarbij past de christen geen geweld. En in zijn ageren heeft hij zich de vraag te stellen of inderdaad zaken in het geding zijn, die het gebod Gods raken (als hierboven genoemd). Maar dan nog ligt het wat de methode betreft heel subtiel. Al te gemakkelijk kan actie omslaan in revolutionaire beweging, in chaos-bevorderende toestanden. Zulks verbiedt de Schrift. Maar tegen vreedzame betoging op zich kan in een rechtsstaat geen bezwaar bestaan, zij het dat de waardering van de acties onder de burgers heel uiteenlopend kan zijn (men denke aan de anti-kernwapenbetogingen, waarbij het om meer gaat dan het terugdringen van het kernwapen). Beslissend is of het kader, waarin het geheel staat, aanvaardbaar is.
Zulk betogen kan evenwel niet meer zijn dan het geven van een cri de coeur, een signaal naar de overheid. Betogingen dragen immers zelden bij tot geordend overleg.
Gaat het echter om méér dan uiting geven aan gevoelens van verontrusting of onbehagen dan komt men al spoedig op het terrein van daadwerkelijke actie, die gemakkelijk de grenzen naar de burgerlijke ongehoorzaamheid kan overschrijden. En wil het echt zó ver komen, dat een christen(burger) tot burgerlijke ongehoorzaamheid komt (komen mag) dan moet wel heel duidelijk zijn dat de gehoorzaamheid aan het gebod Gods in het geding is en dus zwaarder weegt dan gehoorzaamheid aan mensen, in casu de overheid.
De moeilijkheid daarbij is dan weer — in een gepolariseerde situatie als de onze — dat het gebod Gods voor de één is de concrete wet des Heeren oftewel de decaloog en voor de ander een Gebot der Stunde, dat vaak (alles) te maken heeft met een bepaalde sociaal-politieke vooringenomenheid. Op de laatste weg treft prof. De Lange mij niet aan. Gaat het om het concrete, directe gebod Gods uit de Schrift dan ben ik 'van de partij'.
Van Godswege?
Dat brengt me op de derde vraag: is élke overheid er van Godswege? De overheid is, naar Romeinen 13, Gods dienaresse en als zodanig ons, de samenleving, 'ten goede'. De overheid kan echter ook (dat is het andere uiterste) zodanig demonisch geïnfecteerd zijn, dat gesproken moet worden van de trekken van het beest uit Openbaring 13.
De overheid is vooral dienaresse Gods als ze het recht bevordert dat in directe relatie staat tot Gods recht (het Droit divin), een recht op het leven van de mens, in dienstbaarheid aan Hem en van elkaar. Bevordert de overheid het recht en zo de rechtsstaat niet dan vervaagt méér en méér het beeld van de wettige overheid, die men gehoorzaamheid verschuldigd is. De Reformatie heeft in dat geval dan ook duidelijk het recht van opstand erkend.
De Spaanse overheid was geen wettige overheid. Daarom gold: 'de tyrannie verdrijven'!
De Duitse overheid was geen wettige overheid en daarom was elk middel geoorloofd om die overheid uit de weg te ruimen. Hulde aan het verzet!
Maar — als gezegd — tussen de uitersten ligt een heel geschakeerd patroon. Als het dan in onze sterk gedemocratiseerde samenleving om acties gaat, die tégen de overheid gericht zijn, dan is mijn overtuiging dat er twee kanten aan zijn. De overheid zelf is meer en meer van haar verleende gezag ontdaan, omdat ze vaak horig is geworden aan het volk en daarom zelf de acties oproept, bevordert. Maar daar, waar de overheid echt gezag, in de zin van de rechtsstaat, uitoefent, kan het ook zó zijn dat een volk, dat dit gezag niet neemt, het recht in eigen hand neemt. Zulk een actie voeren is dunkt me volstrekt verwerpelijk. Calvijn heeft — aanvoelend de spanning, die hier ligt — gezegd dat God soms op zichzelf ongeoorloofde opstanden gebruikt om slechte overheden door betere te vervangen. Om dat dilemma gaat het vandaag in onze samenleving niet (meer). Het gaat er veeleer om dat overheden door volksacties vervangen worden door overheden die niet beter zijn, maar wél zulke dat de wil van een bepaald deel van het volk meer gehonoreerd wordt.
Vermaan aan de overheid
Hiermee kom ik aan de laatste vraag van prof. De Lange. Voel ik voor moreel beraad in de gemeente inzake de samenlevingsvragen en voor vermaan aan de overheid, en voor werken aan een sociale ethiek? Mijn antwoord is volmondig 'ja'; op alle drie deze vragen.
Mét de gereformeerde Reformatie kies ik voor een profetisch-kritisch sprekende kerk naar de overheid toe. Dat geldt plaatselijk én landelijk. Duidelijk moet wel — alweer — zijn dat inderdaad het gebod Gods in het geding is. De kerk is geen politiek instituut maar wel een instituut (ik onderstreep hier het ambtelijk institutaire) met verantwoordelijkheid naar overheid en samenleving toe. Daarom mag de gemeente zich richten tot de gemeenteraad, de dominee tot de burgemeester en de kerk tot de regering. Het straatje in Amsterdam tussen de Nieuwe Kerk en het stadhuis, waaraan de namen van Mozes en Aaron verbonden zijn, spreekt boekdelen.
En moreel beraad in de gemeente, gemeenschappelijk werken aan een sociale ethiek? Volgaarne! In dat opzicht heeft het gereformeerd protestantisme vandaag bepaald wel opdrachten laten liggen, tot schade van de gemeenschap en van zichzelf. De vraag is wel: welke sociale ethiek? Een socialistische, een liberale of een direct-bijbelse, niet buigend naar links en niet buigend naar rechts!
Wanneer we vandaag in de christelijke gemeente eens echt aan een totaal sociaalethisch beraad zouden beginnen, dat geënt is op de Schrift, er zouden verrassende dingen te voorschijn kunnen komen. Er zouden zaken op tafel kunnen komen, die al lang buiten het blikveld hggen. En de politici zouden niet zo vaak alleen behoeven te zwoegen.
Misschien zou er nog een transformatie van de samenleving kunnen komen, waarin recht en gerechtigheid functioneren maar dan ook het 'ten goede' van het gebod Gods weer aan het licht komt. Maar, zulk een transformatie vraagt wel om een voluit gereformeerde kerk.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 april 1985
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 april 1985
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's