De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Tekenen der tijden (5)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Tekenen der tijden (5)

11 minuten leestijd

Zoals ik in een vorig artikel heb geprobeerd aan te tonen zal het kwaad van de antichristelijke tijdgeest ook de kerk binnendringen. Die geest houdt niet op voor de deuren van de kerk en zelfs niet voor het 'kerkje in de kerk', dat wil zeggen: het gezin. Nu kan men vanzelfsprekend de opmerking maken dat dit altijd alles zó is geweest. Ik geef u wat dat betreft niet helemaal ongelijk. Wij moeten aan de andere kant niet vergeten, dat de ongerechtigheden als gevolg van die antichristelijke tijdgeest zich juist in de eindtijd opstapelen. En de les daaruit voor de gemeente Gods is: weest waakzaam, want uw Heere komt!

Gevaar

Het gevaar van de antichrist is dat hij in zijn ware aard en werking verborgen zal zijn voor de ogen van ons mensen. Zelfs de uitverkorenen Gods zullen soms menen met Christus te maken te hebben in plaats van met de macht die zich tegen de Koning der kerk met hand en tand verzet. Niet dat de uitverkorenen Gods zullen worden verleid, maar deze verleidende geest zal wel proberen om Gods kinderen op de rand van de afgrond te doen balanceren in de hoop dat zij in de afgrond zullen vallen. Om die reden zullen de dagen van moeite en strijd voor Gods kinderen worden verkort. Er zal geen afval der heiligen zijn, zelfs niet in die allerlaatste verschrikkelijke dagen, maar de antichrist zal wel alle pogingen ondernemen om ze uit het rijk van Christus los te pellen en ze in zijn rijk onder te brengen. Gode zij dank: het zal hem niet gelukken! En dat niet vanwege de trouw der uitverkorenen, maar vanwege de trouw Gods.

Opvallend is dat Paulus in 2 Thess. 2 o.a. spreekt over het geheimenis der wetteloosheid. Men ziet het niet (het is een mysterie), daarom zal ook niemand het erg vinden. In dat verband zullen wij waarschijnlijk moeten denken aan de tijd van Noach óf die van Lot. In de dagen van Noach bijv. ging het leven normaal zijn gang. Men at en dronk, men werkte en trouwde. Er werden kinderen geboren en men deed zijn best voor het hier én nu. Niemand zag blijkbaar de ondergang aankomen, ofschoon die ondergang door Noach duidelijk werd gepredikt al was het alleen maar door middel van iedere hamerslag, die nodig was om de ark te bouwen. Immers iedere hamerslag wilde toch dit zeggen: 'mensen, luistert toch, de Heere komt, weest waakzaam'. De mensen in Noachs dagen vonden het wel goed. Aan wat hij deed hadden zij geen boodschap. Noach als prediker van de gerechtigheid Gods vond geen gehoor. Hij en Zijn boodschap werden volslagen genegeerd, totdat de catstrofe losbarstte waardoor de mensheid ten onderging. Een volstrekte negatie van God door de mensen was de oorzaak van deze geweldige catastrofe. Het leven der mensheid had zich, zoals ik reeds schreef, beperkt tot het hier én nu. De hemel verkwikte hen niet en de ondergang (de hel) verschrikte hen niet. Een totale onverschilligheid had zich van hen meester gemaakt waardoor God buiten het gezichtsveld was verdwenen. En zien wij hiervan ook al niet enige tekenen in onze tijd?

Dopers gevaar

Nu moeten wij op grond van het bovenstaande goed opletten dat wij terdage aan een dopers gevaar ontkomen. Een dopers gevaar is o.a. dat wij het hier én nu gaan losmaken van de eeuwigheid. Hiermee bedoel ik te zeggen, dat wij niet moeten denken dat dit leven er niet op aankomt en dat wij dus alleen onze gedachten op de eeuwigheid moeten oriënteren. God geeft ons de levenstijd om ons voor te bereiden teneinde Hem te ontmoeten. Dat is zéker en ik meen dat wij die levenstijd ook heel goed dienen te gebruiken. Aan de andere kant mogen wij de gaven die God ons in dit leven schenkt niet kleineren of minachten. Het was in de dagen van Noach volstrekt niet verkeerd dat men werkte. Het werk dat wij verrichten is een opdracht en een gave Gods. Wie zijn werk niet ijverig doet, zal God tégen zich krijgen. God werkt altoos zowel in onderhouding als regering, daarom hebben óók wij - indien mogelijk - altijd maar te werken. Ik denk niet dat de Heere van luie mensen houdt. Het is een doperse gedachte om het werk te verslonzen.

Zo is het ook niet verkeerd - en was het in de dagen van Noach óók niet verkeerd - om te trouwen. Hoe zou het ook kunnen, aangezien het huwelijk een scheppingsordinantie van God is. Man en vrouw mogen in het huwelijk elkaar aanzien als een gave uit Gods handen ontvangen. Zij mogen ook kinderen uit Gods ontvangen, voorzover Hij die ons schenkt. God wil zelfs dat er kinderen geboren zullen worden, opdat zij wederom geboren zullen worden en Hij op die wijze Zijn Kerk volmaakt. Het is daarom een dwaze, een doperse, een overgeestelijke gedachte om te zeggen: wij willen geen kinderen (meer), want wat voor toekomst hebben zij in deze wereld? Het gaat niet om hun toekomst in deze wereld, maar het gaat om hun toekomst in het Koninkrijk Gods. En wat is dan fijn - zeg maar gerust: een zegen - als wij zien dat onze kinderen al jong de Heere leren vrezen. Met dit alles wil ik maar zeggen, dat wij de scheppingsordinantie hoog genoteerd laten staan, omdat zij in de Schrift bijzonder hoog genoteerd staat.

Een ander dopers gevaar waaraan wij moeten zien te ontkomen is alsof wij geen boodschap aan de wereld zouden hebben, juist in de eindtijd. Want al is het waar, dat de christen niet van deze wereld is, hij staat wel in de wereld. De christen heeft daarin een taak. Een grootse taak nl. om aan die wereld, die naar het einddoel vliegt, de blijde Boodschap voor te houden. De beste boodschap die men immers kan doorgeven aan een wereld verloren in schuld is dat de Heere Jezus in de wereld is gekomen, niet om te verderven doch om te behouden. Dat staan in een wereld waarin de tekenen door God worden opgericht houdt ook in dat wij ons niet in een isolement gaan terugtrekken. Hoe begeerlijk het isolement moge zijn, maar daarin ligt niet onze kracht. Voorzover dat mogelijk is zullen wij derhalve het openbare leven niet uit de weg mogen gaan. Als wij werkelijk geloven dat God met ons wil én zal zijn, dan zullen wij ook functies (maatschappelijk en politiek) durven aanvaarden waartegen wij wellicht vreselijk opzien omdat wij in kringen komen die tegen God en Zijn woord ingaan. Maar is dat altijd een reden om de verantwoordelijkheid te ontlopen en toe te zien, hoe men nog meer ingaat tégen wat God wil. Dopers is het om de leer van het leven los te koppelen, maar reformatorisch is het om in de zin van de Schriften leer en leven wel te onderscheiden, maar niet te scheiden. In verband met het bovenstaande moet ik nog wel eens denken aan een lezing van prof. dr. W. H. Velema waarin hij o.a. stelde dat wij, als wij vallen, eerlijk moeten vallen. Hiermee bedoelde hij te zeggen, dat wij onze verantwoordelijkheid in deze wereld niet uit de weg moeten gaan, maar de leer in het leven hebben te praktizeren. Als men dan valt, omdat men geen gehoor wil geven, valt men eerlijk. Dit leven mag dus gerust binnen ons gezichtsveld blijven. De enige opmerking die ik hierbij nog maak is de volgende: wij mogen in dit leven alles doen wat God ons te doen heeft gegeven én nog geeft als wij het maar niet doen zonder God. God en Zijn heerlijk Koninkrijk dient binnen ons gezichtsveld te blijven. En dat laatste ontbrak juist in de dagen van Noach. Men was met allerlei druk, maar het was niet tot Gods eer. Derhalve ook die geweldige catastrofe: de zondvloed.

De wederhouder

Na het bovenstaande uitstapje keren wij terug tot de antichrist, de mens der wetteloosheid. Alvorens hij in macht en kracht losbreekt, zal hij voor een tijd worden tegengehouden. Paulus spreekt daarover eveneens in 2 Thess. 2. Het gaat om de zogenaamde 'wederhouder'. Wie of wat is dat toch? In de loop der eeuwen zijn er zoveel boeken over geschreven dat men bijna boekenkasten te kort komt. Het is erg moeilijk om te zeggen wie of wat onder die 'wederhouder' verstaan moet worden. Augustinus heeft kort en bondig gezegd: ik weet het niet. Dus deze kerkvader kan ons moeilijk verder helpen. Toch heeft men na Augustinus wel allerlei pogingen gedaan om van deze 'wederhouder' iets meer te zeggen. Ik ga al die pogingen voor u niet op een rij zetten, omdat deze artikelenreeks dan te lang en te slaapverwekkend zou worden. Niettemin wil ik er toch een aantal aan u doorgeven. Sommigen zijn van mening, dat de antichrist wordt tegengehouden door het staats- en rechtsbestel dat God in Zijn algemene genade aan mensen schenkt. Daardoor wordt de mens der wetteloosheid in toom gehouden. Hij weet de mensen nog niet aan zich te binden, omdat zij door Gods algemene genade nog gebonden zijn aan het staats- en rechtsbestel. Valt deze algemene genade eenmaal weg, wordt de rem losgelaten, dan barst de mens der wetteloosheid los en breekt de tijd van de grote afval aan waarin allen, die de Heere Jezus niet in overderfelijkheid hebben liefgekregen, meegesleurd zullen worden. In alle voorzichtigheid merk ik op, dat enige verschijnselen zich hiervan nu reeds voordoen. De kanttekenaren op de Statenvertaling hebben een iets andere mening over de 'wederhouder' in 2 Thess. 2. Zij schrijven o.a.: 'Hierdoor wordt door sommigen verstaan de zuivere prediking van het Evangelie, en de opechtheid der leraars in de gemeente Gods, die zolang zij in Christus' Kerk zijn behouden, zulke geestelijke heerszucht en dwaling (dus die van de antichrist) hebben wederstaan en tegengehouden'.

De kanttekenaren zien dus de prediking van het Evangelie en de oprechtheid der leraars in de gemeente Gods als de 'wederhouders'. Of dit helemaal juist is, meen ik enigszins te moeten betwijfelen. Want als wij dan consequent doordenken zou dit inhouden, dat er geen prediking van het Evangelie meer is als de antichrist losbarst. Een vraag van onze zijde is, ook hoe het dan zit met de evangelieverkondiging tot aan het einde van deze bedeling waarover in de Schrift toch een enkele keer wordt gesproken. Bovendien zal er altijd een kerk zijn. In dit verband kunnen wij elkaar verwijzen naar artikel 27 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis waarin wij o.a. lezen: 'Deze Kerk is geweest van het begin der wereld af, en zal zijn tot het einde toe; gelijk daaruit blijkt dat Christus een eeuwig Koning is. Dewelke zonder onderdanen niet zijn kan'. In 'Geloof en verwachting' (pag. 147) schrijft ds. W. L. Tukker hierover: 'Van den beginne der wereld af... dat kan ons ook de garantie bieden, dat zij zal blijven bestaan tot het einde der wereld toe. Dat geloven wij. Dat belijden wij ook. En dat geloven wij daarom alleen, dat Christus een eeuwig Koning is. Dewelke zonder onderdanen niet zijn kan. Wij geloven niet de kerk om de kerk, minder nog om de mensen, maar om Christus. Niet zij hebben zo'n lust om tot de kerk te behoren. Niet zij verlangen zo naar de kerk, maar Christus wint hen ervoor, voegt hen erbij. Het gaat deze Koning om onderdanen. Hij is onderdanen waard, want Hij is een goede, zachtmoedige en een rechtvaardige Koning. Hij leeft voor Zijn volk. En Zijn dienst is een zalige dienst. Daarom kan Hij zonder onderdanen niet zijn. Hij vergadert zo vrij, onwilligen, die door Zijn genade gaarne gewillige dienaren worden. Daar is geen eeuw, daar is geen decennium, daar is geen jaar geweest, waarin Hij zonder onderdanen was'. Dit alles houdt in, dat er Evangelieprediking zal zijn, want hoe zullen zij geloven als het ze niet gepredikt wordt? Hoe zal Christus onderdanen bezitten zonder Zijn boodschap?

Het is en blijft een vraag - om op die wederhouder terug te komen - of wij inderdaad de kerk daaronder moeten verstaan. Bedoeld is de kerk met haar evangelieprediking. Misschien is het nog het beste om met H. Ridderbos in 'Paulus' (pag. 586) te zeggen: 'Het is een bepaalde acte in Gods raad waarin het echatologisch drama is vastgesteld'. Ook hiermee is zeker niet alles ge­zegd, maar wel zal duidelijk zijn dat de antichrist door God wordt tegengehouden. Wanneer hij losgelaten wordt zal de grote afval komen. Voor de christen is het van belang dat men staande zal blijven als de antichrist zich in alle hevigheid openbaart. Een volgend keer willen wij in een afrondend artikel nog ingaan op twee andere tekenen der tijden, nl. Israël en de zending.

Huizen

G. S. A. de Knegt

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 april 1985

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Tekenen der tijden (5)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 april 1985

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's