Boekbespreking
Dr. L. V. Hartingsveld, Openbaring, een praktische bijbelverklaring (Tekst en toelichting), 132 blz., ƒ22, 50, Kok, Kampen 1984.
De serie 'Tekst en toelichting' is bedoeld als bijbelverklaring ten dienste van ieder, die geïnteresseerd is in de tekst en de betekenis van de Bijbel. Van elk bijbelgedeelte wordt eerst een goede, leesbare vertaling gegeven, gevolgd door een toelichting van het betreffende gedeelte. De serie wil dus geen vervanging zijn van de grote, wetenschappelijke verklaringen, maar is in eerste instantie bedoeld als hulp voor de gewone bijbellezer. Onwillekeurig dringt zich een vergelijking op met de bekende, eveneens bij Kok uitgegeven serie 'Korte Verklaring'.
Voor mij ligt het eerste deel van de bijbelverklaring op de boeken van het Nieuwe Testament. De auteur, dr. L. v. Hartingsveld, die zijn leven lang bezig is geweest met de Johanneïsche boeken, heeft de verschijning van zijn boek niet meer mogen meemaken. Kort na het voltooien van zijn manuscript is hij overleden. De verschillende publicaties van zijn hand doen ons hem kennen als een bescheiden, maar kundig geleerde die zijn kennis in dienst wilde stellen van de gemeente-opbouw. Ook dit werk getuigt van vakmanschap en tegelijk van helderheid en eenvoud van stijl. De schrijver beklemtoont het profetisch karakter van het laatste bijbelboek. De christologische fundering onderscheidt het van joodse apocalypsen. Dat lijkt me een vruchtbaar uitgangspunt om temidden van de kluwen verklaringen van het laatste bijbelboek de draad niet kwijt te raken. Al lezend treffen je verschillende dingen. Op 1 : 8, de eerste woorden 'Jazeker, Amen' worden door v. H. niet opgevat als antwoord van de gemeente, maar als betuiging van Gods kant. Hij zelf garandeert de wederkomst van Jezus. Bij de verklaring van de 'engelen' uit Op. 1 wijst de auteur op het verband met Dan. 10. Bij Op. 6 : 2 kiest de auteur voor de exegese, die de ruiter op het witte paard ziet als vertegenwoordiger van de Parthen. Terecht wijst hij op de veelzeggende uitdrukking 'toorn van het Lam' in Op. 6 : 16. Bij Op. 7 : 9 attendeert V. H. op het verschil tussen onze statistieken en het licht van de hemel over de kerk. Minder helder vond ik de exegese van Op. 11, dat door de schrijver opgevat wordt als een stuk oordeelsprediking aan het adres van de Joden. Maar laat dit zich waarmaken? Wijst het afbakenen ook niet op bescherming en beveiliging van de tempel = Gods gemeente? Bij het getal 666 denkt V. H. aan keizer Domitianus, onder wiens regering de Openbaring geschreven is. Opvallend is de exegese die van Op. 20 gegeven wordt. Het duizendjarig rijk is de beloning voor de martelaren. Van H. oefent kritiek uit op hen die deze verwachting afdoen als 'joodse fabels'. De gemeente wordt met het oog op het martelaarschap getroost met de komende evidente heerschappij van Christus op aarde. In een nabeschouwing wijst de schrijver op de blijvende actualiteit van het boek die gelegen zou zijn in de profetische kritiek op de staat. Ik zou dit niet graag ontkennen, maar vraag me wel af of dat inderdaad de spits van het boek is. Ik volsta met deze opmerkingen. Er zou nog veel te noemen zijn. O.a. de vraag of inderdaad volgens het laatste bijbelboek de rol van Israël is uitgespeeld? Elke commentaar roept vragen op. Ook deze. Dat is gezien de vele problemen waarvoor de uideg van het laatste bijbelboek ons stelt niet vreemd. De verdienste van deze commentaar is dat de schrijver heel nauwkeurig getracht heeft de Openbaring uit te leggen vanuit de betekenis van de profetie in bijbels licht, en daarbij met name de vele verwijzingen en reminiscenties aan het Oude Testament in zijn uitleg heeft betrokken. Met vreugde nam ik van dit werk kennis. Moge het de verdieping van de geloofskennis in de gemeente van Ciiristus dienen. Want de gemeente leeft als het goed is uit en bij het Woord. Dan is het zaak ook te verstaan wat we lezen. En wil de exegese daaraan niet dienstbaar zijn?
Ede
A.N.
C. V. d. Leest, Bezitten en weggeven, Bijbelse gedachten over de geldbesteding. ƒ 12, 90 (voor Vrienden van de Vuurbaak ƒ 10, 50) 70 biz, . De Vuurbaak, Groningen 1984.
De ethiek van de geldbesteding is geen eenvoudig onderwerp. Ten minst niet, als we concreet en zakelijk pogen te spreken. Wat is verantwoord beheer? Is er een algemeel begrip luxe? Wat is een bestaansminimum? Enz. enz. Van der Leest gaat uit de van de schriftuurlijke idee van het rentmeesterschap. Achtereenvolgens komen ter sprake de noodzaak van de bezinning. Schrijver wijst op de kritiekloze deelname aan de welvaart, de stuitende tegenstellingen, de bedreigingen op wereldniveau, het gevaar van materiële rijkdom. Hoofdstuk 2 geeft enkele overwegingen met betrekking tot de toepasbaarheid van bijbelse voorschriften in een veranderde tijd. Bij alle veranderingen blijft als constant gegeven dat God de Here is van alles wat wij bezitten en in bruikleen ontvangen hebben. Hoofdstuk 3 en 4 geven een beknopt overzicht over de bijbelse gegevens. De opzet van hoofdstuk 4 acht ik weinig bevredigend. Goede opmerkingen worden gemaakt bij Matth. 19 : 21. Schrijver is van mening dat de Schrift geen volstrekte nivellering leert, wel roept tot delen met elkaar en waarschuwt voor hebzucht en materialisme. De praktische overwegingen bieden stof tot bespreking in overvloed. Een nuttig boekje, dat op evenwichtige wijze een belangrijke zaak aan de orde stelt.
Ede
A. N.
Dr. W. Aalders/ds. C. den Boer/drs. A. de Reuver, Barth-Kohlbrugge-Miskotte. Ontwikkeling of breuk? , uitg. J. H. Kok, Kampen, 80 bIz. ƒ 14, 90.
In dit boekje wordt veel geboden in kort bestek. Dr. Aalders schrijft over licht en donker in de theologie van Karl Barth. Aanvankelijk was Aalders van mening dat er in Earth's theologische positie een principiële omslag heeft plaatsgevonden. Als markeringspunt noemde hij toen Earth's toespraak over 'Die Menschlichkeit Gottes' uit 1956. Maar thans ziet hij veel meer continuïteit in Earth's theologie. De sleutel tot zijn theologie kan gevonden worden in zijn sociale betrokkenheid, van waaruit Barth reeds in zijn eerste gemeente Safenwil voor het socialisme koos. Vanaf het begin lag de motivatie van zijn theologische ontwikkeling in zijn maatschappelijk engagement. Met kennis van zaken geeft Aalders enkele dwarsdoorsneden door Earth's theologie. Met het oog op de Barmer Thesen uit 1934 en ook heel Earth's positiekeuze tegenover het nationaal-socialisme zegt Aalders dat Earth 'toen en daar door de Here God in dienst is genomen, om het Woord Gods levend en krachtig, als een tweesnijdend zwaard, te verkondigen in het midden van een vergiftigd volk en van een kerk, waarin het zout smakeloos was geworden. Indien in de recente kerkgeschiedenis ergens van profetie gesproken kan worden, dan in hem. Dat feit verplicht ons tot blijvende dankbaarheid' (blz. 26). Het is goed en verheugend dat dit gezegd wordt, juist door een principieel bestrijder van het Barthianisme. Zoals Aalders evenzeer terecht opmerkt dat deze geest van de profetie Barth na de tweede wereldoorlog niet gegeven is ten opzichte van het communisme en het moreel verval. In de vijftiger en zestiger jaren is hij voor zeer velen tot een verkeerde leidsman geworden. 'Waaruit blijkt, dat de gave der profetie geschonken én genomen kan worden. Opdat ons vertrouwen niet op mensen zou rusten' (blz. 32). Terecht wijst Aalders op de vragen die de verhouding tussen Barth en Charlotte von Kirschbaum oproept. De Reuver wijst er in een kernachtig opstel op dat Barth geen volgeling van Kohlbrugge kan heten. De schrijver weet wat hij zegt, documenteert dat ook. Zijn sympathie ligt duidelijk bij Kohlbrugge, hetgeen ook blijkt uit de weergegeven citaten uit de prediking van de theoloog van Elberfeld. Graag had ik deze bijdrage wat uitgebreider gezien. Den Boer geeft een goede typering van de theologie van K. H. Miskotte, in het spoor van Barth, minder sporend met Kohlbrugge. Deze bijdrage gaat terug op een referaat dat voor de conferentie van predikanten uit G.E.-kring gehouden is. Er is een serieuze poging gedaan om de markante en veelzijdige theoloog Miskotte in zijn intenties te peilen. Er wordt fundamentele kritiek geleverd, maar zonder Miskotte daarbij onrecht te doen. Er is ook zelfkritiek, gevoed vanuit de confrontatie met en het leren van Miskotte - genoeg huiswerk ligt hier op tafel. Voor zelfgenoegzaamheid is geen plaats. Wie belangstelling heeft voor theologie kan met dit boekje enkele goede en leerzame uren doorbrengen.
Veenendaal
J. Hoek
Thera Coppens, Maurits, zoon van Willem de Zwijger, Fontein, Baarn 1984, ƒ 32, 50.
Dit boek houdt het midden tussen een 'biografie' en een 'roman', en is daarom noch bij het een noch bij het ander onder te brengen. Achterin bevindt zich een respectabele literatuurlijst. Het boek is verder voorzien van hele mooie foto's. De literaire waarde van dit boek kan ik niet beoordelen, ik beperk mij tot een bespreking van het historisch karakter ervan. Maurits, met al zijn zonden en gebreken (die nogal breed worden uitgemeten) was een man die de Gereformeerde religie was toegedaan en daar ook blijk van heeft gegeven. Maar het lijkt mij toe dat de schrijfster weinig van deze 'Gereformeerde religie' weet en er ook vreemd tegenover staat. Als zij durft beweren dat de calvinisten ook de 'poëzie' rekenden tot lichtzinnig vermaak (blz. 182), dan vraag ik mij af: hoe is het mogelijk dat men dat durft te beweren. Hadden wij dan niet een Huygens, een Revius en een Cats? Het was wellicht beter geweest als de schrijfster zich bezig had gehouden met een andere historische persoon, met wie zij meer 'geestverwant' is. Overigens: het boek leest gemakkelijk, dat is de schrijfster wel toevertrouwd.
K. Exalto
Serie Kijk op Zending, deel 2, Het Woord in de context, Zendingsbezinning binnen de gereformeerde gezindte, 162 blz., J. H. Kok NV, Kampen-
Dit boekje is verschenen als deel 2 in een zendingsreeks van gereformeerde herkomst. (Deel 1 was Evangelie als cultuur?). De redactieleden dr. Chr. Fahner, drs. C. Sonne velt, drs. J. E. de Groot, ir. J. Lock en J. Glas hebben zich er allen in geweerd, vooral de tweede.
Boekjes als deze hebben vaak één spil waarom de bundel draait, terwijl de andere bijdragen meer dienen als adstructie of informatie. In dit boek is het vooral het artikel van Sonnevelt dat centraal staat, en dat we graag aan willen bevelen aan ieder die direct of zijdelings met de zendingsproblematiek te maken heeft. Niet alleen biedt de schrijver een beknopt en helder overzicht van de zendingsgeschiedenis, maar hij doet dit tevens vanuit een centraal zendingsthema, zo niet het meest centrale thema: vanuit het vraagstuk van de indigenisatie, de vraag naar de wijze waarop en de mate waarin het evangelie zich via de zending in een cultuur in mag nestelen. Immers, zoals het christendom in het Westen geland is en daardoor is gestempeld, zal het ook in andere culturen andere vormen vinden. Niets mag dan ook patroniserend van boven af worden opgelegd door de zending, laat staan het westers model van leven.
Uiterst boeiend is hoe Sonnevelt laat zien dat er een cirkel is ontstaan. In de vorige eeuw waren het vooral ras en bodem die het christendom in zich opzogen. Daarna neemt men afstand van de indigenisatie en spreekt men liever van contextualiteit, om zo te onderstrepen dat het evangelie als iets vreemds dat niet uit mensen is en iets werkt dat niet uit mensen stamt, de cultuur binnenkomt. De tijd van Tambaran en H. Kraemer ligt echter al weer achter ons, evenals de waarschuwingen van W. A. Visser 't Hooft. Met als gevolg dat men zich steeds meer uitlevert aan een politieke ideologie en daardoor het evangelie laat invullen: via de omweg van de 'vreemdheid' van het evangelie, reactie op de vorige eeuw, komt er toch weer een sociaal evangelie uit, zij het als een spiegelbeeld van het begin. Het artikel van Sonnevelt wordt gedrukt door het bezwaar dat het zowel historisch als dogmahistorisch te werk wil gaan, wat de overzichtelijkheid schaadt. Toch durf ik het een catechismus te noemen voor zendingswerkers, en vooral voor zendingsbegeleiders of bestuurders van zendingsorganisaties - men moet dit in zijn bagage hebben. Toch komt bij Sonnevelt niet duidelijk genoeg uit de verf op grond van welk grondmotief hij nu theologisch de indigenisatie aanvaardt, niet als opdracht, want zij geschiedt vanzelf wel als de zendingsmensen wijsheid opbrengen, maar als een vanzelfsprekend gebeuren. Hij noemt de meeste motieven: dat in de bijbel kerken een pluraal geheel blijken te zijn gaan vormen; dat de bijbel zelf er model voor staat dat God Zich 'aansluit' bij de leefwereld van de mensen en deze van binnen uit corrigeert, om zo die leefwereld óók te doorbreken met Zijn openbaring; het motief van de incarnatie - God met ons, als de stijl van Gods handelen - , iets waar de schrijver de risico's terecht van inziet, maar dat o.i. nochtans een theologisch krachtig motief is, 'hoezeer het ook de breuklijn tussen vroeger - heidendom - en heden - christendom - kan verdoezelen; het accent op de soevereiniteit die gegeven is met het leven uit de overwinning, de opstanding van Christus waardoor allerlei ouds 'omgeturnd' kan worden. Dat het eigene van het werken van de Heilige Geest na Pinksteren wel eens een centraal motief zou kunnen zijn, had ik graag door de schrijver meer onderstreept willen zien, evenals het feit dat de schriftwording zélf model staat voor indigenisatie: ik had dit motief voorop gezet, en gekoppeld aan de Geest en Zijn werk. Mede door de historische opzet is deze combinatie m.i. te zeer in het gedrang gekomen.
J. D. de Groot heeft een uit historische en ervaringskennis geboren schets over de context van de zending in Peru - wat een vreemde combinatie daar van schriftonderzoek met hemelverlangen, wat onwerelds ook, en dat N.B. in Peru - , terwijl Chr. Fahner het boek van Webber, The seculair saint, bespreekt, waarvoor hij veel waardering opbrengt. Zo doet J. Lock het de publicaties van D. J. Hay ward over de Dani (Irian Jaya). Tot slot geeft J. Glas een overzicht van het zendingswerk van de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt, in Irian Jaya en Curacao. Doorkijkjes dus die even zovele vormen van indigenisatie demonstreren.
Onontkoombaar is nu m.i. - een boek over de westerse cultuur als uitdaging voor de zending nu in een tijd van nihilisme. Na de eerste twee publicaties kan er moeilijk iets anders volgen dan een toetsing van West-Europa. Sonnevelt (blz. 106 v) geeft al in een paar zinnen wendingen in de westerse geschiedenis aan, en trekt zo lijnen die om uitwerking en doortrekking naar het heden roepen. Nederland is tenslotte óók zendingsgebied geworden, al blijkt dit uit dit boekje niet zo. Het wachten is nu op een schets van de vreemdheid van het evangelie in de Europese geschiedenis. Ik heb daar best geduld voor over.
L.
S. Meijers
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 april 1985
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 april 1985
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's