De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Globaal bekeken

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Globaal bekeken

10 minuten leestijd

'Eenvoudig examen', zo luidt het opschrift van een stukje in 'De vriend van oud en jong'. Er staan onder dit stukje geen initialen en de oude spelling doet vermoeden dat het om een stukje uit het verleden gaat. Hier volgt het, met onzerzijds de eenvoudige vraag of een examen als bedoeld zó 'eenvoudig' ligt. De lezer(es) oordele zelf:

'Zelker iemand bezocht eene zondagsschool en was getuige van het onderricht aan de kinderen gegeven. Bij het einde gaf hij zijn verlangens te kennen om aan de leerlingen eene vraag te mogen doen. Dit werd hem toegestaan. Hij vraagde aan de kinderen of zij den Heere Jezus liefhadden, en wanneer zij deze vraag toestemmend konden beantwoorden, moesten ze hunne vingers opsteken. A de kinderen staken hunne vingers op van de grootste tot de kIeinste. Hiermede was het examen afgeloopen.

Dezelfde persoon kwam op eene andere zondagsschool en deed dezelfde vraag, doch niet een van de kinderen stak den vinger op. Allen bleven stil zitten, zonder zich te bewegen. Eindelijk staat een klein meisje op en zegt: "Neen, Mijnheer! dat wordt ons hier op de school niet geleerd".

Zoo liep dan ook dit eenvoudig examen af en wij laten onze lezers beoordelen, welk van die beide het gunstigst was, doch voegen er dit nog bij: vaders en moeders! zendt gij uwe kinderen naar de zondagsschool, onderzoek dan toch vooral naar het gehalte van het onderwijs, dat er gegeven wordt, opdat zij niet door een waangeloof valschelijk worden gerustgesteld en op een droggrond naar de eeuwigheid gezonden. Bedenken wij, dat de zaden die in het jeugdige hart worden gestrooid zeer gemakkelijk wortelen schieten, die niet zoo licht zijn uit te roeien.'

***

Het Pausbezoek maakt heel wat los. Zo is de vrijdenkersvereniging 'De vrije gedachte' gestart met een campagne voor 'kerkafscheiding'. De kerk als machtsinstituut moet worden afgebroken, vindt deze vereniging. Het betreffende bericht, dat ons werd toegezonden, eindigde als volgt:

'Heel veel mensen zijn gedoopt terwijl ze nu niets meer met de kerk te maken hebben. Ze staan echter nog steeds als (doop)lid bij de kerk ingeschreven. Zo zijn er waarschijnlijk honderdduizenden in Nederland. De betreffende kerk gebruikt deze onechte leden wel om aan te tonen hoe groot ze is.

Daarom is het belangrijk uit de kerk te treden als je er feitelijk niets meer mee te maken (wilt) hebben. Het aantal leden slinkt dan drastisch en daarmee ook hun macht. Wil je je van de kerk afscheiden dan kan je daarvoor formulieren krijgen op het wijkcentrum, in het buurthuis en in (...).'

We hebben het adres, waar men de formulieren voor afscheiding krijgen kan, maar niet vermeld. En toch, een kerk met mensen 'die niets meer met de kerk te maken hebben', is een teken aan de wand (van de wereld).

***

Hervormd Purmerend heeft voor de nieuwe lidmaten een eigen 'Purmer geloofsbelijdenis 1985' en eigen 'belijdenisvragen' opgesteld. We nemen één en ander over uit het Purmerkerkblad - Pasen 1985, alleen om aan te geven hoe het niet moet en ook hoe het niet zou moeten mogen. Een puur vrijzinnige belijdenis, die haaks staat op wat de Hervormde Kerk krachtens belijdenis en kerkorde naar haar wezen is. Valt dit binnen de grenzen van de 'gemeenschap' (art. X)?

'Wij geloven in de Eeuwige, de Almachtige, de Scheppende Werkelijkheid, waaruit en waarin wij leven en bewegen.

Wij belijden God als Liefde (Johannes 4 : 17-21).

Wij doen belijdenis, omdat wij met God rekening willen houden.

God roept ons dagelijks tot de keuze voor wat goed is. Wij zien in de gestalte van Jezus een aspect van God, dat voor iedereen een voorbeeld kan zijn.

Wij beleven de Heilige Geest als het inspirerende Gods Mysterie.

Wij kiezen voor de gemeenschap van de kerk, zoals die voor ons is in de Purmerkerk.

Wij geloven in de toekomst, waarvoor ook wij onze best moeten doen.

1. Leeft in jou de ernstige wil om je open te stellen voor het alles tebovengaande, d.w.z. voor God?

2. Is het jouw overtuiging, dat het voor ons zelf en voor de wereld noodzakelijk is, dat wij leven naar de beginselen van het Evangelie van Jezus, d.w.z. naar het principe van de dienende liefde?

3. Neem je je voor mee te leven met onze hervormde gemeente "De Purmer"?'

***

Een uitgever vond in een 'boekerei' een aantal knipsels. Daarbij was een knipsel van de 'Rotterdamse Kerkbode', van de hand van ds. W. L. Tukker toen die in Rotterdam nog predikant was. Het gaat over 'Hoe Krummacher over de Hervormde Kerk dacht'. 'Herplaatsing dubbel en dwars waard', schrijft de uitgever erbij. Welnu bij dezen dan!

'Een vriend van mij uit een Zuidhollands dorp maakte mij attent op een preek van dr F. W. Krummacher van Elberfeld over 2 Kon. 13, 14-17. Het gaat daar over Elisa's profetisch ziekbed. Daarin zegt Krummacher het volgende (en ik hoop dat ge dit eens rustig leest):

"Onlangs had ik ergens een ontmoeting met een volk, niet geheel ongelijk aan dat van oud-lsraël, waarmede wij hier aan de Beneden-Rijn in kerkelijk en geestelijk opzicht nauw verwant zijn; ik bedoel Nederland. Nooit ontmoette ik een inniger aankleven aan de Vaderlandse Kerk, dan ik die onder de Nederlandse Gereformeerden, en inzonderheid onder de levendig gelovigen gevonden heb. Gij hebt er wellicht al iets van vernomen, dat de kerk aldaar, in weerwil dat de meesten harer lidmaten vasthouden aan de letter der symbolische waarheid, tegenwoordig toch geen verblijdend gezicht oplevert. Gij hebt het wellicht reeds gehoord, hoe zij op een ontzettende wijze slechts een reuke des doods ademt, ja zelfs hoe haar meeste herders en schriftgeleerden met misnoegen en afkeer vervuld zijn jegens haar levende kinderen ; terwijl mannen, die het zout der aarde mogen geschat worden, en die met de adem van hun eigen geloofsleven de bazuin des Evangelies blazen, niet dulden kan. Onder zulke omstandigheden zou men menen, dat de liefde tot zulk een kerk bij de gelovigen verkoelen moest, en dat ganse scharen uit haar moesten uitgaan, en zich op de een of andere wijze van haar afzonderen; doch niettegenstaande er in de laatste tijd door al te sterke verdrukking ook werkelijk een kleine afscheiding heeft plaats gevonden, en hier en ginds een hoopje, hoewel onder bittere tranen, uit de moederkerk is uitgegaan, zo blijft nochtans verreweg de grootste meerderheid der levendige Christenen haar getrouw. Al is het, dat de onrechtvaardige en hardvochtige moeder haar meest liefhebbende kinderen met voeten treedt, zij verlaten hun moeder niet, maar blijven haar met de tederste eerbied op het hart dragen. En waarom kleven zij land en kerk zo getrouw en standvastig aan? Niet omdat zij in haar geboren werden en uit haar moederborsten de eerste melk des eeuwigen levens dronken; noch omdat de kerk in de letter harer symbolen toch nog op het rechte levensen geloofsfundament bleef rusten. Maar de oorzaak ligt dieper. Velen onder hen erkennen nog de duizenden grote wonderen Gods uit de schitterende geschiedenis van hun land en kerk. Zij zijn de stromen van martelaarsbloed, waarmede zij bij hare geboorte begoten en gewijd werden, nog niet vergeten. Zij zien in den geest de als geloofshelden gestorven vaderen, nog biddende voor hun landskerk, voor de troon Gods staan, en als even zovele beloften over hun kerk zweven. Zij blijven nog vasthouden aan de Goddelijke toezeggingen, den vaderen voor de kerk des vaderlands gedaan, en op dien grond zien zij een hartverblijdende toekomst voor Neerlands kerk tegemoet, in welker zalige aanschouwing hunne vaderen bevredigd en vergenoegd ontslapen zijn. Dit zijn meestal de oorzaken, waarom zij hun land en kerk niet kunnen opgeven. Met bestendige hoop staren zij op dezelve, terwijl zij geloven, dat God, Die van oudsher zo wonderbaar Zijn genade en macht aan haar verheerlijkt heeft, haar nu niet verlaten noch vergeten zal; en zo staan zij daar, als echte erfwachters des Heeren, een nieuwe levensperiode hunner kerk tegemoet ziende; en hun hope zal niet beschaamd worden, maar misschien nog eer zij het vermoeden tot de zaligste verwezenlijking komen".

Ik hoop dat er nog zoveel belangstelling in onze gemeente leeft, dat men dit wat lange citaat rustig leest en herleest. Beter nog is het, als men de preken van Krummacher zelf lezen zal. Hij is een zeer Godvruchtig man in de vorige eeuw geweest. In 1837 heeft hij deze preek in het licht gegeven, dat is dus drie jaar na de Afscheiding. Enkele kanttekeningen wil ik bij dit citaat maken. Vooreerst deze; Wat een ontstellende tekening geeft deze buitenlandse predikant van de Hervormde Kerk van die dagen, de eerste decennia van de vorige eeuw. En wat was het helaas waar, wat hij ervan zei. En het is in de volgende tientallen van jaren van die eeuw nog veel erger geworden. (...)

Het tweede waarop ik wijzen wil, is het leed, dat de kerk sinds het begin van de vorige eeuw den Gereformeerd-gezinden aandeed. De Hervormden van nu weten dat niet meer. Vele afgescheidenen weten het ook zelfs niet meer. Het zou goed zijn, als wij dat uit de geschiedenis eens ophaalden. Menig welmenend Hervormd mens, en zeker de gemiddelde Rotterdammer met zijn gevoelige aard en met zijn rechtvaardigheidsgevoel, zou zeker de zijde van de toen wreed behandelde kerkleden kiezen. Laten wij het niet vergeten, dat er in het begin van de vorige eeuw een martelaarsgeslacht geleefd heeft en dat er tranen gevloeid zijn om de kerk en door de kerk. Wat Krummacher daarvan wist en schreef was alleen nog maar het voorspel. Ook Groen van Prinsterer heeft, als Hervormd man, vurig gepleit voor de rechtvaardige opvattingen der toenmalige Gereformeerden en voor het lot dat zij ondergingen. Hoewel de haat der vervolgingen in 1886, bij de Doleantie, niet zo hoog oplaaide, was de bitterheid tegen de Gereformeerdgezinden wel weer groot. Nooit zullen wij als Hervormden dat mogen vergeten. Daar is een zee van leed gebracht over hen, die broederen van ons waren en die zeker ook niet de slechtste leden van onze kerk waren. Dit is een schuld, die op ons als kerk drukt. (...)

De derde opmerking, die Ik bij het stuk van Krummacher wil maken, is deze: Er leeft in veler harten een verwachting voor de oude kerk. Behalve dat, wat wij er nu reeds van zien in het hierboven beschrevene, is er nog de hoop. Wij geloven in de kerk, zoals die in ons land door God gesticht werd, zoals die in de Reformatie en door de Afscheidingen heen door God in stand gehouden werd. Wij geloven zelfs, dat de afgescheidenen daar eens in zullen wederkeren en wij bidden daarom: "Breng al Israels verdrevenen weder, o Herder Israels". Maar wij hopen ook voor hen, die Gods heil nu erkennen voor driekwart, voor een kwart of helemaal niet. Niet dat wij een heilstaat der kerk op aarde venwachten. Wij gaan tenslotte naar die tijd, waarvan geschreven staat: 'Als de Zoon des mensen wederkomt, zal Hij ook geloof vinden op de aarde?'

Maar wij willen naar Krummacher's woord "tegemoet zien een nieuwe levensperiode der kerk". En Krummacher profeteerde: "En hun hoop zal niet beschaamd gemaakt worden". In die hoop leven wij en arbeiden wij. Daarom gaan wij ook niet staan naast de gescheiden broeders, die deels de oude kerk afgeschreven hebben, die anderdeels meer of minder belangstellend afwachten of dat dan ooit maar gebeurt. Wat denkt u hiervan, dat er, naar Krummacher's woord, als geloofshelden gestorven vaderen, nog biddende voor Neerlands kerk, staan voor de troon Gods?'

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 april 1985

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Globaal bekeken

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 april 1985

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's