Globaal bekeken
In de Mei-dagen van 1940 kwamen in De Vaandrager, orgaan van de Bond van Ned. Herv. J-V. op Geref. Grondslag, telkens stukjes voor, die met de ernst van de (oorlogs)toestand te maken hadden.
• Ds. H. A. de Geus, hoofdbestuurslid van deze bond, schreef in een meditatie 'Het kwade gekomen' (n.a.v. Job 2 : 10b):
'Weinig konden we denken, dat er met de Pinksterdagen zulk een ontroering onder ons zou komen vanwege de beroering door het betrokken worden in den oorlog. Sinds de vóórmobilisatie, gevolgd door de algeheele mobilisatie, zijn onze gedachten steeds vervuld geweest met de Europeesche gebeurtenissen. Het ging daarbij ook onder ons van vreeze tot vreeze. Oogenblikken waren er, waarin de spanning groot werd, ze werden evenwel gelukkig telkens gevolgd door ontspanning. En we grepen telkens nog weer moed. We bleven hopen, dat de oorlog aan ons voorbij zou gaan. Het heeft niet zoo mogen zijn. Ook ons gingen de verschrikkingen van den oorlog aangrijpen. De enkele dagen met en rondom Pinksteren kwamen in het teeken van 'bloed en vuur en rookpilaren'. Wat was dat benauwend. De mannen, de vaders, de zonen, de broeders, de verloofden, de verwanten, de vrienden, de bekenden, ze kwamen alle zoo zwaar op het hart liggen, het was schier niet te dragen. En dan daarbij nog het immer uit de lucht dreigend gevaar ook voor hen, die thuis waren. Daar kwam bovendien spoedig de verschrikking van bombardement. Voorwaar, als een ontzettend vreeselijke orkaan woedde de oorlog over ons, dreigend met verwoesting en verderf. Wel moest met Job beleden: de beroering is gekomen.
Velen hebben met ons gewis geworsteld aan den troon der genade, smeekend om bewaring van het dreigend onheil. We hebben immerdoor gebeden voor landen volk, voor Nederland en Oranje, voor gemobiliseerden en die thuis waren, voor Kerk, Staat en Maatschappij, voor Huisgezin en School, zonder ophouden gebeden. Maar, er kwam geen rust. Weg bleef het geloovig vertrouwen, dat de oorlog niet over onze grenzen zou komen. Mij trof, wat Job aan het eind van het derde Hoofdstuk zegt, toen we dit Pinkster-Zondagavond lazen. Het zal voor velen met mij het bijzonder passend Woord zijn. We lezen daar: 'Want ik vreesde eene vreeze, en zij is mij aangekomen; en wat ik schroomde is mij overkomen. Ik was niet gerust, en was niet stil, en rustte niet; en de beroering is gekomen.' En die beroering is groot. Zeker, ze had ontzaglijk veel grooter kunnen worden. Wanneer namelijk deze orkaan door had moeten woeden tot het einde. De Heere heeft met ons nog geen voleinding willen maken. Hij heeft voor ons de dagen der verschrikkelijkste verdrukking verkort. We mogen daar wel acht op geven om nog op Zijn goedertierenheid te hopen, nog te weten, dat als wij tot Hem wederkeeren, Hij tot ons wederkeert en onze afkeering geneest. Maar ondertusschen is heel ons volk in een drukking gekomen, zijn velen in de grootste smarten geworpen. Verwoesting kwam. Maar niet alleen in aardsche belangen, doch ook in het dierbaarst bezit, het bezit onzer geliefden. Want velen hebben hun bloed geofferd voor het Vaderland en velen werden slachtoffer ook bulten het strijdgewoel.
Wij denken thans aan degenen, die hun leven hebben moeten geven. Aan allen in den lande. Bijzonder aan onze jonge Bondsvrienden. Wel hebben we er nog niet van gehoord, maar we kunnen niet anders verwachten dan dat ook onder onze vrienden ledige plaatsen zijn gekomen. Het doet ons goed, dat moedig is gestreden. Het doet ons pijn, dat de dood wegnam van de geliefden, van ons. Moge de goede strijd zijn volstreden, de eeuwige overwinning verkregen! Trooste God de bedroefden, giete Hij balsem in de pijnlijke wonden, zegge Hij: Ik ben uw Heil! Onze bede is en blijft, dat God doe uitkomen, dat Hij slaat en geneest, wondt en heelt.
En waar we nu zóó onder het kwade kwamen, de een pijnlijker dan de ander, daar is het onze bede, dat God naast Job doe staan en tegen de influistering God nu maar los te laten, doe zeggen: zouden wij het goede van God ontvangen en niet het kwade ? Laat dat zeggen van Job overdenking hebben. Het rake. Dan buigen we het hoofd, dan neigen we het hart, dan zeggen we: Heere! bij U de gerechtigheid, bij ons de beschaamdheid des aangezichts. Dan vernederen we ons onder de krachtige hand Gods. En daarachter is er nog verhooging. Het wordt beleefd:
Zoo zult Gij zijn voor mijn gemoed Mijn rots, mijn deel, mijn eeuwig goed.'
• De dichter Jac. Overeen te Voorschoten vertolkte zijn gevoelens in een gedicht 'Verborgen gebeden' (n.a.v. Jes. 26 : 20).
Ga heen, mijn volk en zoek het bidvertrek.
De stormen van het Noorden zijn gekomen.
Toon nu het aangezicht en niet uw nek.
Opdat Mijn gramschap worde weggenomen.
Klop op de heup in veel verslagenheid.
Laat smart en rouw in kamer geuren
Als wierook boven 't altaar uitgespreid,
Uzelf alleen van allen schuldig keuren.
Hoe meer gij worstelt onder 't Godsgemis,
Ik zal u koninklijk meer onderscheiden.
En blijdschap geven na de droefenis
U leiden in de grazig groene weiden.
Gesterkt, getroost, met opgericht het hoofd
Wordt wederom de plicht der dag aanvaard,
God heeft Zijn kracht aan u opnieuw beloofd
En door de diepte u getrouw bewaard.
De mildheid van een zachte Zuidenwind,
Geeft aan het treurend hart een vroolijk leven,
Hoe zalig als de ziel van God bemind,
Ervaart, dat Hij iets van Zich heeft gegeven!
***
Er zijn ook thans landen in de wereld, waar het met de vrijheid droevig gesteld is. Simone Pronk uit Wateringen bezocht Moskou. In dichtvorm beschreef ze haar impressies in het wijkbericht van Wateringen in de Zondagsbode, hervormd kerkblad voor het Westland.
Brede straten, grote pleinen,
ruimte door de hele stad.
Restauranten met fonteinen,
op de metro 's gaat men prat.
Alles lijkt zo mooi en prachtig,
kom ik echter dichterbij,
dan ziet alles schraal en machtig,
en staan velen in de rij.
Bloemen kom ik negens tegen,
militairen des te meer.
Vrouwen metselen en vegen,
overal loert het geweer
Het systeem houdt hen gevangen,
niemand komt die 'ruimte' uit!
Alsof je zoekt in dichte gangen,
naar een deurtje of een ruit
De huizen zijn als kippenhokken,
men woont, soms tweeëntwintig hoog,
gekleed in ouderwetse rokken,
met de armoede, oog in oog.
Illegale handel met toeristen,
men koopt een westers fabrikaat.
Dit moet geheim en met wat listen,
bang voor de straffen van de staat.
Joden worden er verstoten,
geloof is een misdadig iets.
Met militarisme overgoten,
geloven velen dus maar niets.
Verbitterd door veel van die feiten,
vlieg ik, vrij, naar Nederland.
Ik wil het op de muren 'krijten',
wees toch blij, aan deze kant!
Ik ga mijzelf ook schuldig voelen,
als ik door onze winkels loop.
Wij baden ons in rijke poelen,
hier Is alles zó te koop.
En dan zijn wij nóg ontevreden,
met de hoogte van ons loon.
Wij kunnen ons echter prima kleden,
en de vrijheid is gewóón...!
***
• De volgende overlijdensadvertentie spreekt voor zichzelf.
(Zie PDF-bestand)
***
Nel Benschop, Nederlands meest gelezen dichteres, heeft haar tiende dichtbundel uitgegeven, 'Hemelhoog en aardediep'.
Ter gelegenheid daarvan bracht uitgeverij Kok te Kampen een vierkleurenkaart uit met een speciaal voor de herdenking van de bevrijding door haar geschreven gedicht 'Vrijheid'. Hiernaast volgt het.
(Zie PDF-bestand)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 mei 1985
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 mei 1985
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's