De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

13 minuten leestijd

Noordmans over de vrijmaking

Ruim veertig jaar geleden vond de scheuring plaats binnen de Gereformeerde kerken, die in de kerkgeschiedenis te boek staat als 'de vrijmaking'. Prof. dr. J. Veenhof wijst er in Opbouw (19-4-85) terecht op, dat het een raadselachtige zaak blijft, dat juist in bange oorlogstijd de spanningen zo hoog opliepen dat ze op een scheuring uitliepen. Stond men niet, zo zouden we kunnen vragen, in die tijd te samen tegenover de vijand van het nazistische heidendom? Ik ga hier niet de geschiedenis van dit gebeuren releveren, noch de ontwikkeling daarna. Ik vraag graag uw aandacht voor een brief die de bekende theoloog, dr. O. Noordmans, van wiens Verzamelde Werken nu zo'n vijf delen gepubliceerd zijn, over deze zaak geschreven heeft in 1947 aan de vader van prof. Veenhof, de Kamper hoogleraar, prof. C. Veenhof. De aanleiding was een congres van de Calvinistische studentenbond over de Kerk, en op die conferentie voerde C. Veenhof het woord. Wie het boek over de kerk van deze fijnzinnige geleerde kent, weet hoe hij gereformeerd en tegelijk in de ware zin katholiek dacht. Naar aanleiding van een en ander schreef Noordmans hem:

'"De indrukken, die ik verleden week donderdag bij de discussies over uw referaat over "De Kerk" ontving, willen mij nog niet loslaten. Van beide zijden werd daar zoo waardig, niet zooveel beheersing en met zooveel goeden wil gesproken, dat ik diep onder beslag kwam van het tragische van deze scheiding. Als buitenstaander wat iemand als Nederlands Hervormde toch ook weer slechts zeer ten deele is - leek mij en lijkt mij dit uiteengaan zoo onnoodig, zoo jammer, zoozeer het gevolg van fatale misverstanden, dat ik er bijna geen woorden voor heb. Ik bedoel niet dat er geen verschilpunten zijn. Die heb ik van jongsaf waargenomen in deze beide kringen. Ik ben opgegroeid bij "de Heraut" en heb nog een correspondentie van mijn vader met Kuyper over den Doop uit de 80-iger jaren. Maar dat hierover een kerksplitsing moest ontstaan, lijkt mij zoo'n raadselachtig iets, dat ik moeite heb het als een feit te aanvaarden.

U is bij Uw discussie minder formeel gebleven dan uw opponenten. Dit vond ik een voordeel aan Uw kant. U zei sommige zeer sympathieke en behartigenswaardige dingen, die ook voor Hervormden actueel zijn."

Noordmans verwijst dan kort naar enkele punten uit het bewuste referaat, waarvan de tekst niet voorhanden is (mijn vader sprak doorgaans van aantekeningen). Noordmans noemt als zodanig, dat er "trappen" zijn in de leer, dat "meerdere" kerkelijke vergaderingen gereserveerd moeten zijn met tuchtoefening, die in eerste instantie een zaak van mindere vergaderingen is, dat onderscheid te maken is tussen de leer en de regering van Christus. Ook was hij getroffen door de opmerking: "men moet zijn kerkelijke dienst vervullen en daarmee zijn wij eigenlijk klaar". Hij vervolgt dan: "U liet daarmee toonen hooren, waarnaar ik zeer geboeid geluisterd heb en die niet alleen voor Uw kring en voor de thans verdeelde gescheiden kerken van belang zijn, maar ook voor de Hervormde Kerk en voor de heele Christenheid.

Juist daarom vind ik het zoo doodjammer, zoo fataal, zoo onbegrijpelijk, dat uw menschen - en nu bedoel ik ook degenen die momenteel Uw synodalen heeten - daarmee tegen elkaar oploopen en gevaar gaan loopen tot verenging des levens en der aandacht te komen. Dat moet niet en dat mag niet. Dat moet voorkomen worden en voorzoover het een feit is, moet het ongedaan gemaakt worden. En niet alleen ongedaan. Het moet meer dan ongedaan gemaakt worden. Er moet winst uit gepuurd worden. Op korten termijn moeten de beginselen, die U in de discussie naar voren bracht, voor de heele Nederlandsche Gereformeerde gezindheid vruchtbaar worden gemaakt. - Uw conflict lijkt op Rusland-Amerika. Een fatale onafwendbaarheid. Hier moet door Gods hand ingegrepen worden. Wij mogen tot het bittere einde niet doorgaan - zou ik Uw referaat met discussie eens mogen lezen? En ziet U zelf een weg? Gaarne Uw antwoord tegemoet ziende, met de meeste hoogachting", w.g. O. Noordmans.'

Terecht voegt J. Veenhof er aan toe dat deze brief dringt tot zelfinkeer en hernieuwde bezinning. De vraag kan wel gesteld worden of de frontverschuivingen binnen de Gereformeerde Kerken veel hoop op een dergelijke bezinning geven. Het blijft voorts binnen de Gereformeerde gezindte doorgaans bij confereren en dehbereren. En intussen staan we als kerken in een samenleving die hoe langer hoe meer zich onttrekt aan de invloed van het kerkelijk spreken en handelen, en naar te vrezen is voor een groot deel aan wat de kerken te berde brengen, geen boodschap heeft. Eendracht maakt macht, lijkt me oecumenisch gezien, een slechte leus, ongeestelijk en werelds. Maar gebrek aan eendracht vormt wel een barrière voor de werfkracht en de geloofwaardigheid van het spreken van de kerken in de samenleving.

Het probleem van de kerkverlating

Het Centraal Weekblad kwam jl. 19 april met een zeer lezenswaardig nummer uit over het probleem Van de kerkverlating. De vraagstelling wordt, met name in de interviews toegespitst op de situatie binnen de Gereformeerde kerken, maar wat gezegd wordt, is van dien aard dat ook anderen zich dat gerust mogen aantrekken en er hun winst mee kunnen doen. In het interview komen onder leiding van prof. dr. K. Runia aan het woord de godsdienstsocioloog prof. dr. G. Dekker, en voorts personen die betrokken zijn bij het evangelisatiewerk: mevr. Schipper-van Herk, dhr. Habetz, prof. Verkuyl, dr. te Winkel en ds. Boeyinga. Ter sprake komen de oorzaken en achtergronden van kerkverlating, de vraag naar de invulling van de evangelisatorische overdracht, de kerk en de jongeren, de inhoud van de boodschap die we als kerken brengen, de betekenis van het gezin en de geloofsoverdracht in het gezin. Ik citeer uit dit gesprek:

'Prof. Runia: In het boekje "Het verleden: fossiel of vrucht" citeert prof. Jelsma iemand die opmerkt dat in de zestiger jaren de hel is verdwenen. Met andere woorden, in het denken van de mens is de mogelijkheid verdwenen dat het met de mens ook definitief fout kan gaan. Betekent dat niet een geweldige verschuiving in het denken, handelen en kijken naar de toekomst? Ook in het kijken naar wat de betekenis van het evangelie kan zijn. Ik hoor nog wel eens preken die in veel opzichten goed zijn, maar ook geweldig vrijblijvend. Die vanzelfsprekendheid... Er wordt niet gezegd: "Gelooft u dat nog? Bent u daar bij betrokken? Betekent dat wat in je leven?" Zijn die elementen in de boodschap van de kerk - niet alleen in de evangelisatie - niet geweldig op de achtergrond gekomen?

Ds. Boeyinga: Inderdaad. Niet de mens stelt de vraag "God waar ben jij?", zoals men dat wel eens stelt in moderne gedichten, maar God stelt de vraag "Waar ben jij " Zijn wij bang om die vraag te stellen, waardoor het denken van de mens wordt gericht op die wezensvraag? Dat is voor mij de prediking van het evangelie. Dan heb ik een blijde boodschap.

Waarom evangelisatie?

De heer Habets: Laat ik zeggen wat voor ons evangelisatie is, waarom we daarmee bezig zijn. We vertellen de mensen telkens vier redenen. De eerste is: Omdat de Heere Jezus de opdracht gaf om het evangelie te verkondigen. De tweede: omdat mensen verloren zijn zonder Jezus Christus. De derde: omdat mensen recht hebben op een christelijk leven. De vierde: Omdat mensen hongerig zijn naar het evangelie, open staan voor de boodschap. Evangelisatie betekent voor ons veel meer dan "een bijbels antwoord geven op de vragen die mensen hebben". Ook wanneer mensen die vragen niet hebben, hebben wij de mensen iets te vertellen, hebben wij een opdracht. Ik vraag me af, als ik deze dingen zo zeg, of dan toch niet blijkt dat we verder van elkaar afstaan dan net werd gezegd. Prof. Runia: Hoe reageert dr. Te Winkel op deze vier punten?

Dr. te Winkel: Voor mij heeft evangelisatie maar één doel: Gods liefde voor mensen. Ik vind het moeilijk om zo in vier punten te redeneren. Voor mij is evangelisatie heel simpel: De opdracht, het mogen vertellen, in woord en daad, wie God wil zijn voor de mensen.

Ds. Boeyinga: Gods liefde - Johannes 3 : 16: Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder, die in Hem gelooft, niet verloren ga, maar eeuwig leven hebbe". Dat moet je dan toch ook invullen?

Dr. te Winkel: Natuurlijk.

Ds. Boeyinga: Maar het is net of men in de evangelisatie vanuit onze kerken een huiver heeft om dat duidelijk uit te spreken. Of we er geen weg mee weten. Als ik in de lijdensweken preek, dan worstel ik er gewoon mee om dat dichterbij te brengen. Maar dat moet toch?

Dr. te Winkel: Nou, dat probeer je in elk geval.

Prof. Dekker: Een evangelisatieorgaan van de kerken is natuurlijk niet tot meer in staat dan waartoe de kerken in staat zijn. Dus dan moeten we daar naar kijken. Een heel belangrijk motief voor evangelisatie was vroeger in de kerken, en is het nu in het Instituut voor Evangelisatie, dat mensen verloren zijn als je ze het heil niet verkondigt. In de kerk hoor je op het ogenblik volop dat God de mensen Hefheeft, maar dat de mens niet voor eeuwig verloren is. De opvattingen van alverzoening zijn gemeengoed in de kerken.

Prof. Runia: Het is natuurlijk een belangrijke factor in de verzwakking van het getuigenis bij veel mensen: "Jammer dat m'n ongelovige buurman niet heeft wat ik nu al heb, maar hij komt er ook wel". Daar dachten we vroeger anders over. Zelf ben ik echt nog niet aan die alverzoening toe, want er staan té veel dingen in de Schrift zelf. Maar die slaan vooral op ons kerkmensen. De waarschuwingen in de Schrift gaan naar hen die Hem gekend hebben.

Prof. Dekker: Alverzoening is ook een te groot woord. Maar het begint wel aan de andere kant. Det motief voor evangelisatie voel ik bij de kerken verdwijnen.

Prof. Runia: Maar spelen deze zelfde motieven niet achter kerkverlating?

Prof. Dekker: Dat zou best kunnen. Je hebt de kerk niet meer nodig voor je heil. Dat is ook wel een motief.

Evangelie en eisen

Prof. Verkuyl: Onze opdracht is de communicatie van Gods evangelie en van Gods eisen. Dat moeten we vertolken voor de mensen van deze tijd, zodat je niet alleen de mateloze genade van God in Christus verkondigt, maar ook in de vragen van God, in de micro-en de macro-ethiek, de lijnen van Gods geboden tracht door te trekken. Het evangelie is het evangelie van het Koninkrijk. Dat moet centraal staan. Want het is niet het evangelie van het individuele leven alleen, maar de boodschap van het alomvattende Koninkrijk Gods. Je spreekt over de Koning, en over de constitutie van het Rijk, en over het volk van dat Rijk, en je spreekt over de toekomst van het Rijk. Daarbij moetje ook het beshssend karakter van dat evangelie benadrukken. Maar het is levensgevaarlijk om dat gepaard te laten gaan met een soort apocalyptisch terrorisme, waardoor je de mensen angst aanjaagt. Ik heb ontzettend veel mensen tot Christus zien komen, ook hindoes, moslims, boeddhisten en atheïsten, maar ik heb nog nooit iemand tot Christus zien komen alleen maar gedreven door angst. Altijd waren ze overweldigd door de liefde van Christus. En het eeuwig lot van mensen moeten we maar overlaten aan Hem. Het is heel gevaarlijk om met de hel te dreigen. Maar je  mag wel wijzen op het beslissend karakter van het evangelie. Zodat het niet vrijblijvend wordt verkondigd.

De interpretatie van het evangelie moet zowel individueel zijn als collectief. Ik ben zo bang dat het van de kant van de evangelicals te veel geïndividualiseerd wordt en van de kant van de oecumenicals te veel alleen betrokken wordt op de maatschappij.

De heer Habets: Wij gebruiken in het evangelisatiewerk ook nooit de heenwijzing naar de hel. Natuurlijk moeten we de verlossing van de mens aan God overlaten. Maar ik geloof toch dat God daarover het een en ander in zijn Woord heeft duidelijk gemaakt. Bijvoorbeeld als Petrus zegt: "Er is onder de hemel geen andere naam aan de mensen gegeven, waardoor wij moeten behouden worden". Dat is voor mij nogal duidelijk.

Prof. Verkuyl: 'Geen mens wordt behouden zonder de genade van onze Heere Jezus Christus. Maar de wegen waarlangs God mensen bereikt, vallen buiten ons gezichtsveld.

Prof. Runia: Zeggen we dat nu niet te gauw? Ik ben het met u eens, hoor. Maar vandaag betekent dat al snel: Het doet er niet toe welke weg je neemt. En dat vind ik gevaarlijk.

Prof. Dekker: En je moet zeggen wat je onder behouden verstaat. Want dat gaan we ook anders invullen. Dan kun je nog het verschil houden tussen "eeuwig, na dit leven" en "hier in dit leven".

Prof. Runia: In het Nieuwe Testament heeft het woord "behouden'' natuurlijk een toekomstverwachtende klank. Dat grijpt uit boven het leven van vandaag.'

Het zal duidelijk zijn, dat hier belangrijke aspecten naar voren komen'.

Niet alleen de samenlevingsanalyse is belangrijk, al is het zaak dat we ons er terdege van bewust zijn in wat voor context we staan - en op dat punt kunnen sociologen ons veel leren, maar we zullen ook voortdurend de kritische vraag hebben te stellen aan onszelf: Hoe zijn we gemeente? Komt het Woord aan het woord? Leven we door de Geest of bedroeven we de Heilige Geest? In het gesprek maakt Verkuyl onder meer de rake opmerking, dat er in onze tijd vaak meer nadruk gelegd wordt op de dienst der verzoening onder mens en volken, maar dat het werk der verzoening, waarop de dienst berust teveel in de schaduw komt. Er is z.i. bij veel predikanten een aarzeling om op Goede Vrijdag te spreken over het plaatsbekledend lijden en sterven van Christus, terwijl de mensen dat nu juist zo hard nodig hebben. Ook over de positie van en de opdracht tegenover de jongeren worden waardevolle opmerkingen gemaakt. Jongeren zoeken, zegt mevr. Schippers, naar gemeenschapsbeleving. Geven we hen de ruimte daartoe en is er ruimte voor aanbidding? Haars inziens voelen jongeren zich vaak beknot in de kerk.

De ruimte ontbreekt om meer te kunnen citeren. Ik verwijs de belangstellende lezer graag naar het gehele nummer. Wat gezegd wordt in alle nuancering - en dat is gezien de verschillende deelnemers niet verwonderlijk - is ook voor ons als hervormd-gereformeerden van betekenis. Want het probleem van de kerkverlating raakt ook ons. Laten we ons niet verkijken op de nog volle kerken in vele gevallen. Maar laten we ons gemeente-zijn stellen onder de kritiek van het Evangelie. En tegelijk mag juist terwille van de evangelisatorische opdracht een open oog verwacht worden voor wat er gaande is in de samenleving, opdat we in de werkelijkheid van vandaag het Woord mogen spreken dat ook voor nu en morgen een reddend en helend Woord wil zijn. En dan: spreken metterdaad!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 mei 1985

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 mei 1985

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's